Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
201505689/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:5751, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2014 heeft het college aan [appellant] een bestuurlijke boete van € 12.500,00 opgelegd wegens het zonder vergunning omzetten van zelfstandige woonruimte aan het [locatie] te Den Haag in onzelfstandige woonruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/381 met annotatie van C.M.M. van Mil
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505689/1/A3.

Datum uitspraak: 27 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2015 in zaak nr. 14/11389 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2014 heeft het college aan [appellant] een bestuurlijke boete van € 12.500,00 opgelegd wegens het zonder vergunning omzetten van zelfstandige woonruimte aan het [locatie] te Den Haag in onzelfstandige woonruimte.

Bij besluit van 14 november 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door A.C. Visser en R. Schouman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De Huisvestingswet is op 1 januari 2015 vervangen door de Huisvestingswet 2014, doch is op dit geding nog van toepassing.

De relevante bepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), de Huisvestingswet en de Regionale Huisvestingsverordening Stadsgewest Haaglanden 2012 (hierna: de Huisvestingsverordening) zijn opgenomen in de bij deze uitspraak gevoegde bijlage.

2. Op 5 november 2013 zijn twee inspecteurs Handhaving met een machtiging van de burgemeester in de woning aan het [locatie] te Den Haag (hierna: de woning), waarvan [appellant] de eigenaar is, binnengetreden. Een naar aanleiding daarvan opgemaakt boeterapport is op 27 november 2013 door een van de inspecteurs op ambtsbelofte ondertekend. In het rapport staat dat de woning bestond uit vier verblijfsruimten, waarin in totaal zeven slaapplaatsen werden aangetroffen die door negen personen werden gebruikt. Een van de inspecteurs heeft een van de personen die in de woning werden aangetroffen, [persoon], een aantal vragen gesteld. De inspecteur heeft in het rapport opgemerkt dat de communicatie erg goed verliep. [persoon] heeft het volgende verklaard:

"Ik woon hier met mijn [vriendin] en nog zeven andere personen. De huur die ik voor deze woning aan de eigenaar moet betalen is € 1100,00 per maand. Dit is inclusief gas, water en licht. Ik heb wel een huurcontract maar ik weet niet waar ik deze gelaten heb. In het huurcontract staat dat de huur € 650,00 per maand is, maar in werkelijkheid moet ik dus € 1100,00 betalen. Ik betaal dit cash en de eigenaar komt dit elke maand ophalen in de woning. Hij komt twee keer per maand in de woning om zijn post en de huur op te halen. Hij weet dat ik hier met meerdere personen woon. Dit moet ik doen omdat ik alleen de huur niet kan betalen. Alle andere personen betalen mij € 100,00 per maand en dit is voor hun verblijf in deze woning. De Roemeense mensen die hier wonen heb ik van straat gehaald en de drie Bulgaarse mensen zijn familie van mijn [vriendin]. Wij zorgen allemaal voor ons eigen eten en doen ook allemaal onze eigen boodschappen. (...)"

3. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 16 mei 2014 heeft het college gesteld dat op 5 november 2013 in de woning een overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet en artikel 45, eerste lid, van de Huisvestingsverordening is geconstateerd, nu de woning zonder vergunning van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte is omgezet. Volgens het college kan [appellant] als overtreder worden aangemerkt. Bij de vaststelling van het boetebedrag van € 12.500,00 heeft het college gesteld dat zich bedrijfsmatige exploitatie voordeed.

4. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de woning een overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet en artikel 45, eerste lid, van de Huisvestingsverordening plaatsvond, dat de door de burgemeester afgegeven machtiging tot binnentreden aan de vereisten voldoet en dat het college niet heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] met zijn enkele verklaring dat de huurders [persoon] en zijn vriendin hem niet op de hoogte hebben gesteld van de overige bewoners en hij die bewoners niet in de woning heeft gezien, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand voor onzelfstandige bewoning werd gebruikt. Bovendien heeft [persoon] verklaard dat [appellant] op de hoogte was van de omstandigheid dat hij en zijn vriendin met een aantal huurders woonden om de huur te kunnen betalen. Het college heeft [appellant] naar oordeel van de rechtbank terecht als overtreder aangemerkt. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de opgelegde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Machtiging tot binnentreden

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de burgemeester afgegeven machtiging tot binnentreden aan de vereisten voldoet.

5.1. Dit betoog is gericht tegen het besluit van de burgemeester van 5 november 2013 tot afgifte van de machtiging tot binnentreden van de woning. Nu dat besluit in deze procedure niet ter toetsing voorligt, wordt aan het betoog voorbijgegaan. De rechtbank heeft, met het oordeel dat de door de burgemeester afgegeven machtiging tot binnentreden aan de vereisten voldoet, het vorenstaande niet onderkend.

Overtreding

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de woning een overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet en artikel 45, eerste lid, van de Huisvestingsverordening plaatsvond. Daartoe voert hij aan dat de omstandigheid dat de aangetroffen personen voor hun eigen eten en boodschappen zorgden, niet maakt dat zij geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden voerden.

6.1. Uit de omstandigheden dat de in de woning aangetroffen personen voor hun eigen eten en boodschappen zorgden en dat [persoon] heeft verklaard dat hij een aantal personen van de straat heeft gehaald en met hen samenwoonde omdat hij alleen de huur niet kon betalen, blijkt dat de aangetroffen personen samenwoonden om de kosten te delen, maar in materiële noch in immateriële aangelegenheden in betekenisvolle mate van elkaar afhankelijk waren. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de aangetroffen personen niet een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden.

De rechtbank heeft voorts onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1836) terecht overwogen dat het college in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet van de in het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport opgetekende waarnemingen van de inspecteurs mocht uitgaan.

Het betoog faalt.

Overtreder

7. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college hem terecht als overtreder heeft aangemerkt. Daartoe voert hij aan dat uit de waarnemingen van de inspecteurs en de verklaring van [persoon] niet volgt dat [appellant] de woning mede had verhuurd aan zeven andere personen. [persoon] betaalde € 650,00 aan huur aan [appellant]. De zeven andere bewoners betaalden € 100,00 aan huur aan [persoon]. [persoon] heeft dus door het ontvangen van in totaal € 700,00 van de overige bewoners profijt gehad bij de verhuur aan die personen. Verder voert [appellant] aan dat hij nooit andere personen dan [persoon] en zijn vriendin in de woning heeft aangetroffen. Niet bekend is wanneer de andere zeven personen in de woning zijn komen wonen. Het is mogelijk dat dit gebeurd is na zijn laatste bezoek aan de woning, aldus [appellant].

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF8999), is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Daarbij is in dit geval van belang dat, zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY7996), van de eigenaar van een pand die dat verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van het door hem verhuurde pand dient de eigenaar aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand aldus werd gebruikt.

7.2. In een op ambtseed opgemaakt verslag van 28 januari 2014 staat dat [appellant] op 27 januari 2014 in een zienswijzegesprek heeft verklaard dat hij vanaf juli 2013 in Woerden bij zijn vriendin verbleef en hij ergens in oktober 2013 de woning tijdelijk heeft verhuurd aan een stel, [persoon] en zijn vriendin. Voorts heeft hij verklaard dat hij meestal in het weekend in de woning is om zijn post op te halen en dat de bedden in de woning van hem zijn.

Zoals hiervoor onder 2. is weergegeven, heeft [persoon] verklaard dat hij de huur contant aan [appellant] betaalt en dat [appellant] die komt ophalen in de woning. Voorts heeft [persoon] verklaard dat hij met een aantal personen in de woning woont, omdat hij alleen de huur niet kan betalen.

7.3. [appellant] is als eigenaar van de woning verantwoordelijk voor de geconstateerde overtreding, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand aldus werd gebruikt. [persoon] heeft, zoals hiervoor onder 2. is weergegeven, verklaard dat [appellant] weet dat hij met een aantal personen in de woning woont. Met de enkele weerspreking daarvan heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij niet wist en niet kon weten dat de woning als onzelfstandige woonruimte werd gebruikt. De Afdeling neemt daarbij het volgende in aanmerking.

De verklaring van [persoon], dat hij de vaste lasten voor de woning niet alleen kan dragen, wijst erop dat [persoon] en zijn vriendin, gelijktijdig, dan wel nagenoeg gelijktijdig, met de andere personen in de woning zijn gaan wonen. Het is daarom niet waarschijnlijk dat de andere personen eerst na het laatste bezoek van [appellant] in de woning zijn gaan wonen. Het is, gelet op het aantal aangetroffen personen en de omvang van de woning, evenmin waarschijnlijk dat [appellant] tijdens zijn regelmatige bezoeken om de huur op te halen nooit iets van de onzelfstandige bewoning heeft gemerkt. Van belang is daarbij ook dat hij wist dat er een groot aantal slaapplaatsen in de woning was, nu hij heeft verklaard dat de daar aanwezige bedden van hem zijn.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college [appellant] terecht als overtreder heeft aangemerkt.

7.4. Het betoog faalt.

Oproepen getuigen

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank, gelet op zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de in de woning aangetroffen personen als getuigen op te roepen. Hij voert daartoe aan dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om [persoon] en de andere aangetroffen personen te ondervragen, hetgeen in strijd is met artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM. De rechtbank had zijn verzoek om getuigen op te roepen niet mogen afwijzen, nu hij bij het horen van die getuigen belang heeft. Voorts verzoekt [appellant] de Afdeling om de in de woning aangetroffen personen als getuigen op te roepen.

8.1. Bij brief van 26 mei 2016 heeft [appellant] te kennen gegeven dat de adressen van de in de woning aangetroffen personen hem niet bekend zijn en dat hij die ook niet heeft kunnen achterhalen.

Van de gemeente Den Haag heeft de Afdeling vernomen dat van de negen in de woning aangetroffen personen zes personen niet in de brp zijn ingeschreven. De overige drie aangetroffen personen zijn volgens de brp op onderscheidenlijk 3 januari 2014, 9 mei 2014 en 10 december 2014 vetrokken naar "onbekend".

8.2. Blijkens het op ambtseed opgemaakte verslag van 28 januari 2014 heeft [appellant] in het zienswijzegesprek niet gevraagd om getuigen te horen. Dit heeft hij evenmin in bezwaar gedaan. Eerst in het namens hem ingediende beroepschrift van 16 december 2014 heeft [appellant] gevraagd de in de woning aangetroffen personen als getuigen op te roepen. Op die datum waren de drie in de woning aangetroffen personen die in de brp zijn ingeschreven, reeds vertrokken naar ‘onbekend’. Daargelaten de vraag of de rechtbank het verzoek heeft mogen afwijzen omdat de in het boeterapport opgenomen waarnemingen van de inspecteurs en de foto’s van de woning overeenstemmen met de verklaring van [persoon], heeft zij het verzoek reeds terecht afgewezen omdat sinds 10 december 2014 van geen van de in de woning aangetroffen personen een adres in de brp is vermeld. Daarom heeft de Afdeling ook het door [appellant] in hoger beroep gedane verzoek bij brief van 30 mei 2016 afgewezen. Er is in dit geval geen reële mogelijkheid om de adressen van de personen te achterhalen. Een adres van een persoon zou slechts door middel van diplomatiek verkeer kunnen worden achterhaald, indien bekend is in welk land de persoon zich bevindt. Van de in de woning aangetroffen personen is dat sinds 10 december 2014 niet bekend.

Reeds omdat [appellant] het college bij het geven van zijn zienswijze of in het bezwaarschrift, derhalve voordat alle drie de in de brp ingeschreven personen waren vertrokken naar "onbekend", had kunnen vragen om de in de woning aangetroffen personen als getuigen te horen, bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM is geschonden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG7194).

Het betoog faalt.

Advies bezwaarschriftcommissie

9. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld over de door hem in beroep aangevoerde grond over het advies van de bezwaarschriftcommissie.

9.1. In beroep heeft [appellant] aangevoerd dat de bezwaarschriftcommissie ten onrechte heeft overwogen dat zij het opmerkelijk vindt dat hij heeft verklaard dat hij met [persoon] en zijn vriendin geen schriftelijke huurovereenkomst had gesloten en dat de gemachtigde van [appellant] in het bezwaarschrift heeft vermeld dat naar aanleiding van de opgelegde bestuurlijke boete de huurovereenkomst is beëindigd. Volgens [appellant] bestond er een mondelinge huurovereenkomst, die hij naar aanleiding van de bevindingen van de inspecteurs heeft beëindigd.

9.2. Wat ook zij van de juistheid van de hiervoor geparafraseerde zinsnede, die in het advies van de bezwaarschriftcommissie is opgenomen, die zinsnede bevat geen feiten die relevant zijn voor het oordeel dat [appellant] overtreder is. Zowel de rechtbank, als de bezwaarschriftcommissie, heeft terecht, zoals hiervoor is overwogen, [appellant] als overtreder aangemerkt, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist en niet kon weten dat de woning onzelfstandig werd bewoond. Dat de rechtbank niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd op de beroepsgrond heeft geoordeeld, zoals [appellant] aanvoert, leidt daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog faalt.

De hoogte van de opgelegde boete

10. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zich recidive voordoet. Daartoe voert hij aan dat hem niet eerder een boete voor overtreding van artikel 45, eerste lid, van de Huisvestingsverordening is opgelegd. Voorts heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat zich bedrijfsmatige exploitatie voordeed.

10.1. De rechtbank heeft overwogen dat, nu zich recidive voordoet, gelet op bijlage V van de Huisvestingsverordening, een boete van maximaal € 18.500 kon worden opgelegd. In bij de rechtbank en bij de Afdeling ingediende verweerschriften heeft het college toegelicht dat aan de besluiten van 16 mei 2014 en 14 november 2014 niet ten grondslag is gelegd dat zich recidive voordoet. Het college heeft zich in die besluiten op het standpunt gesteld dat zich bedrijfsmatige exploitatie voordoet en heeft in overeenstemming met bijlage V van de Huisvestingsverordening een boete van € 12.500,00 aan [appellant] opgelegd.

Uit bijlage V van de Huisvestingsverordening blijkt dat zich bedrijfsmatige exploitatie voordoet bij een omvang van de onzelfstandige bewoning van meer dan vier personen. Reeds omdat op 5 november 2013 in de woning negen personen zijn aangetroffen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat zich bedrijfsmatige exploitatie voordeed.

De rechtbank heeft terecht, zij het deels op onjuiste gronden, geen grond gezien voor het oordeel dat het college bij het besluit van 14 november 2014 van een onjuist boetebedrag is uitgegaan.

Het betoog faalt.

11. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld over de door hem in beroep voorgedragen grond dat de hoogte van de opgelegde boete niet passend is.

11.1. De rechtbank heeft in overweging 4.8 van de aangevallen uitspraak overwogen dat de opgelegde boete in het voorliggende geval in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de geconstateerde overtreding. In beroep heeft [appellant] aangevoerd dat hij niet afdoende draagkracht heeft om de opgelegde boete te betalen. Hij heeft een document overgelegd waaruit blijkt dat hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Daarmee heeft hij niet zijn volledige financiële situatie inzichtelijk gemaakt. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de opgelegde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Het betoog faalt.

Conclusie

12. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Noordhoek, griffier.

w.g. Slump w.g. Noordhoek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2016

819.

BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht om de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

Huisvestingswet

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge het tweede lid wordt onder zelfstandige woonruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c, verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

Ingevolge artikel 85a, eerste lid, kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 30, eerste lid. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kan voor overtreding van artikel 30, eerste lid, de bestuurlijke boete niet hoger zijn dan € 18.500,00.

Ingevolge het derde lid stelt de gemeenteraad bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

Regionale Huisvestingsverordening Stadsgewest Haaglanden 2012

Ingevolge artikel 45, eerste lid, is het verbod als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet uitsluitend van toepassing op woonruimten die behoren tot de in bijlage III opgenomen categorieën woonruimten.

Ingevolge artikel 58a, eerste lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Ingevolge het tweede lid kunnen overtredingen van artikel 45, eerste lid, worden beboet met een bestuurlijke boete.

Ingevolge het derde lid wordt, indien aan de overtreder een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van artikel 7, tweede lid, of artikel 45, eerste lid, en binnen vijf jaar opnieuw dezelfde overtreding is geconstateerd, de overtreding beboet met een hogere bestuurlijke boete.

Ingevolge het vierde lid wordt de overtreding beboet met een hogere bestuurlijke boete, indien aan de overtreder een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van artikel 45, eerste lid, en de overtreding vanuit een bedrijfsmatige exploitatie van woonruimte is geconstateerd.

Ingevolge het vijfde lid hanteren burgemeester en wethouders bij de toepassing van het gestelde in voorgaande leden de boetes als vermeld in bijlage V.

Blijkens bijlage III behoren in de gemeente Den Haag tot de categorie woonruimten als bedoeld in artikel 45 (onttrekkingen) alle woonruimten met uitzondering van:

- standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonschepen,

- woningen van toegelaten instellingen die ten behoeve van herstructurering gesloopt zullen worden en

- samen te voegen woningen.

Blijkens bijlage V wordt een eerste overtreding van artikel 45, eerste lid, in geval van niet-bedrijfsmatige exploitatie beboet met een bestuurlijke boete van € 7.500,00 en bedrijfsmatige exploitatie met een bestuurlijke boete van € 12.500,00. Recidive van overtreding van artikel 45, eerste lid, wordt in geval van niet-bedrijfsmatige exploitatie beboet met een bestuurlijke boete van € 12.500,00 en bedrijfsmatige exploitatie met een bestuurlijke boete van € 18.500,00. Van bedrijfsmatige exploitatie is in de volgende gevallen sprake:

1. De overtreder verhuurt aantoonbaar meerdere woonruimten. (...)

2. (...)

3. Uit de omvang van de onzelfstandige bewoning kan ook een bedrijfsmatig karakter van de exploitatie blijken: bij meer dan vier personen, kan dit aangemerkt worden als kamerverhuur in de zin van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken. De exploitant dient bij een exploitatie van die omvang ook te zorgen voor een brandveilig gebruik en op te hoogte te zijn van de overige regelgeving.

4. (...)

5. (...)