Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2072

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201603923/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Wognum-Grietje Slagterlaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603923/2/R6.

Datum uitspraak: 15 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, wonend te Wognum, gemeente Medemblik,

verzoekers,

en

1. de raad van de gemeente Medemblik,

2. het college van burgemeester en wethouders van Medemblik,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Wognum-Grietje Slagterlaan" vastgesteld.

Bij besluit van 12 april 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee woongebouwen voor starters en vergunninghouders.

Beide besluiten zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

Tegen deze besluiten hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 juni 2016, waar [verzoeker] en anderen, in persoon van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Smak en K. Koppenaal, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord Stichting De Woonschakel Westfriesland, vertegenwoordigd door A.B.N. Gieling.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De bestreden besluiten voorzien in het oprichten van twee gebouwen met drie bouwlagen voor in totaal 40 woningen. Gelet op de planregels gaat het om sociale woningbouw. In een overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer Stichting De Woonschakel Westfriesland staat dat 16 woningen voor starters en 24 woningen voor vergunninghouders zijn bedoeld. [verzoeker] en anderen wonen aan de Grietje Slagterlaan te Wognum in de omgeving van het plangebied en hebben de voorzieningenrechter verzocht om het plan bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

3. Voor zover [verzoeker] en anderen zich richten tegen het coördinatiebesluit overweegt de voorzieningenrechter voorshands bij wijze van exceptieve toetsing dat de raad in redelijkheid heeft kunnen kiezen om het plan en de omgevingsvergunning gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken. Hierbij wordt overwogen dat het plan en de omgevingsvergunning strekken tot de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid als bedoeld in artikel 3.30 van de Wro. Het betoog van [verzoeker] en anderen dat de bestreden besluiten niet strekken tot uitvoering van de wettelijke verplichting om woningen voor vergunninghouders te realiseren en derhalve niet strekt tot verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid, faalt. De raad heeft immers beleidsvrijheid bij de wijze waarop hij aan deze verplichting vorm geeft, nog daargelaten of beleidsvrijheid voor de toepassing van artikel 3.30 is vereist.

4. [verzoeker] en anderen betogen dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) niet op het vaststellingsbesluit van toepassing is. Het plan komt volgens hen niet voor in de bijlagen bij de Chw. Voorts is niet in het bestreden besluit vermeld dat de Chw van toepassing is. Met deze beroepsgrond willen [verzoeker] en anderen bewerkstelligen dat artikel 1.6a van de Chw niet aan hen wordt tegengeworpen. Zij stellen dat hun de mogelijkheid wordt ontnomen om hun beroep nader te onderbouwen.

4.1. Het plan voorziet in twee plandelen met de bestemming "Woongebied" met elk een aanduiding voor een bouwvlak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Woongebied" aangewezen gronden bestemd voor sociale huurwoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten.

Ingevolge lid 3.4, aanhef en onder a, wordt tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor meer dan 40 woningen.

4.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In categorie 3, onder 3.1, van bijlage I van de Chw wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wro ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

Het bestreden besluit is vastgesteld krachtens artikel 3.1, eerste lid, van afdeling 3.1 van de Wro en het plan maakt de bouw van maximaal 40 woningen mogelijk, zodat afdeling 2, van hoofdstuk 1, van de Chw op dit besluit van toepassing is. Het betoog faalt.

4.3. Ingevolge artikel 11 van het Besluit uitvoering Chw wordt, indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet op een besluit van toepassing is, dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld.

Vast staat dat de toepasselijkheid van de Chw is vermeld in de bekendmaking en het raadsvoorstel. In onderhavig geval maakt het raadsvoorstel deel uit van het bestreden besluit. Derhalve is voldaan aan artikel 11 van het Besluit uitvoering Chw. Het betoog faalt.

4.4. Uit de toepasselijkheid van de Chw vloeit voort dat ingevolge artikel 1.6a van de Chw na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Dit laat onverlet dat de reeds aangevoerde beroepsgronden nog wel kunnen worden voorzien van nieuwe argumenten. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4003.

5. [verzoeker] en anderen betogen dat de behoefte aan het plan onvoldoende is onderzocht. Hierbij voeren zij aan dat het behoefteonderzoek betrekking heeft op permanente woningen en dat het plan voorziet in semi-permanente woningen.

5.1. In de plantoelichting is vermeld dat semi-permanente woningen zullen worden gebouwd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het semi-permanente karakter uitsluitend ziet op de bouwwijze. Het is een manier om snel en flexibel in de onderzochte behoefte aan sociale huurwoningen te voorzien. De behoefte is permanent en de omgevingsvergunning is niet beperkt in duur. De manier van bouwen is voorts niet in de planregels vastgelegd. Het betoog, dat het behoefteonderzoek ten onrechte niet is toegespitst op semi-permanente woningen, faalt.

6. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 13 en artikel 15 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV) in woningen buiten het bestaand bebouwd gebied voorziet. Volgens hen passen de voorziene semi-permanente woningen niet in de provinciale woonvisie en het regionale actieprogramma. Voorts verzocht het college van gedeputeerde staten in verband met de ruimtelijke kwaliteitseisen uit artikel 15 om een nadere onderbouwing van het plan. Die onderbouwing is niet gekomen, aldus [verzoeker] en anderen.

6.1. Ingevolge artikel 1, onder v, van de PRV wordt onder landelijk gebied verstaan het gebied, niet zijnde bestaand bebouwd gebied. Het begrip bestaand bebouwd gebied wordt nader ingevuld door artikel 9.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe woningbouw in het landelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw indien:

a. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de provinciale woonvisie 2010-2020 (vastgesteld bij besluit van 27 september 2010, nr. 62) en de door het college van gedeputeerde staten en de regiogemeenten vastgestelde regionale actieprogramma’s;

b. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de door het college van gedeputeerde staten vastgestelde provinciale woningbouwmonitor en provinciale woningbouwprognose;

c. nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied en;

d. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

Artikel 15 stelt in geval van verstedelijking in het landelijk gebied ruimtelijke kwaliteitseisen zoals de inpassing van de nieuwe functies in de wijdere omgeving.

6.2. Zoals volgt uit 5.1 komt bij de toetsing van het plan aan de provinciale woonvisie en het regionale actieprogramma geen bijzondere betekenis toe aan het beoogde semi-permanente karakter van de woningen. Voorts dateert de brief waarin het college van gedeputeerde staten in verband met de ruimtelijke kwaliteitseisen uit artikel 15 van de PRV om een nadere onderbouwing vroeg van voor de terinzagelegging van het ontwerpplan. De raad heeft toegelicht dat de nadere onderbouwing reeds in het ontwerpplan was verwerkt. Voor het overige hebben [verzoeker] en anderen geen redenen naar voren gebracht waarom het plan in strijd zou zijn met artikel 13 en 15 van de PRV. Derhalve behoeft de vraag of het plangebied buiten bestaand bebouwd gebied ligt thans niet te worden beantwoord. Het betoog faalt.

7. [verzoeker] en anderen betogen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun nu de gemeente de inrichting van het openbare gebied en eventuele planschade voor haar rekening neemt. Ook zijn de gronden onder de werkelijke waarde aan initiatiefnemer verkocht.

7.1. Wat betreft dit betoog overweegt de voorzieningenrechter dat, daargelaten of sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun door de gemeente, [verzoeker] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit in de weg zal staan aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1308, dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.

8. [verzoeker] en anderen vrezen dat het plan een verslechtering van het woon- en leefklimaat met zich brengt. In dit verband betogen zij dat het plan met 40 wooneenheden voorziet in een zeer grote toename van het aantal bewoners aan de tot dusver rustige Grietje Slagterlaan. Zij vrezen voor overlast. Het had in de rede gelegen om te kiezen voor een kleinschaliger woningbouwproject, aldus [verzoeker] en anderen.

8.1. Het plan voorziet in een bouwvlak van ongeveer 430 m2 en een bouwvlak van ongeveer 630 m2. Gelet op de bouwhoogte van 10 m en de drie toegestane bouwlagen voorziet het plan in ongeveer bruto 3180 m2 vloeroppervlakte. Met de 40 toegestane appartementen is dat gemiddeld 80 m2 per appartement, al wordt die oppervlakte nog verkleind door aftrek voor niet voor bewoning bedoelde ruimtes en bouwkundige voorzieningen. Gelet op de aard van de omgeving, waaronder de bestaande woningdichtheid en bouwhoogte in de omgeving, heeft de raad zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene woningen in de omgeving passen en geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat met zich brengen. Voor zover [verzoeker] en anderen vrezen voor overlast, is dat een handhavingskwestie die hier in deze procedure niet aan de orde kan komen.

9. Voor zover [verzoeker] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar bodemverontreiniging verwacht de voorzieningenrechter dat de Afdeling deze beroepsgrond in de bodemprocedure buiten beschouwing zal laten gelet op de relativiteitseis neergelegd in artikel 8:69a van de Awb. De normen uit de Wet bodembescherming strekken tot bescherming van de kwaliteit van de bodem. Uit het betoog van [verzoeker] en anderen blijkt dat zij uitsluitend het oog hebben op de kwaliteit van de bodem van het plangebied en niet op die ter plaatse van hun eigen woningen. Evenmin hebben zij gesteld dat de bodemkwaliteit van het plangebied gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat. De bepalingen van de Wet bodembescherming strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [verzoeker] en anderen. De voorzieningenrechter verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1208.

Hetzelfde geldt voor het betoog dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied in verband met veiligheidsrisico’s niet is verzekerd. De voorzieningenrechter verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:638.

10. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [verzoeker] en anderen betreft, bestaat voorshands geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

11. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Hupkes

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2016

635.