Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2064

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201602786/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:2009, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 22 maart 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602786/1/V3.

Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 april 2016 in zaken nrs. 16/5672, 16/5674 en 16/5677 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] (hierna tezamen: de vreemdelingen)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 22 maart 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 12 april 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. B.A. Palm, advocaat te Utrecht, hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van Verordening (EU) 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening), zorgen de lidstaten er normaliter voor dat, wanneer, wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, een verzoeker afhankelijk is van de hulp van zijn kind, broer of zus of ouder dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten, of het kind, de broer of zus, of de ouder van de verzoeker dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten afhankelijk is van de hulp van de verzoeker, de verzoeker kan blijven bij of wordt verenigd met dat kind, die broer of zus, of die ouder, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden, het kind, de broer of zus, of de ouder of de verzoeker in staat is voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.

2. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van Verordening (EG) 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van de Dublinverordening, is, voor zover thans van belang, voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening (thans: artikel 16, eerste lid) in ieder geval vereist dat het familielid daadwerkelijk de nodige hulp zal verlenen.

3. Duitsland heeft op 22 december 2015 de terugnameverzoeken betreffende de vreemdelingen aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.

4. De vreemdelingen hebben in beroep een verklaring van een psycholoog van 14 maart 2016 overgelegd. Hieruit volgt dat vreemdeling 1 onder meer een posttraumatische stressstoornis (ptss) en een depressieve stoornis heeft en dat er een hoog suïciderisico bestaat, met name te verwachten bij het onmogelijk maken van de intensieve en vanaf aankomst van de vreemdeling in Nederland permanent actieve mantelzorg van haar broer en schoonzus. Voorts heeft de psycholoog verklaard dat hij in overleg met haar broer, schoonzus en huisarts op korte termijn adequate psychologische zorg in gang zal zetten.

Ter zitting bij de rechtbank heeft vreemdeling 1 verklaard dat haar broer en schoonzus haar helpen met de kleine dagelijkse dingen en haar emotioneel bijstaan en dat zij deze begeleiding met name nodig heeft vanwege haar psychische klachten.

5. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft onderkend dat het hoge suïciderisico van vreemdeling 1 met name te verwachten is bij het onmogelijk maken van de mantelzorg door haar broer en schoonzus en dat hij aldus onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de medische situatie van vreemdeling 1 niet in de weg staat aan overdracht aan Duitsland en hij daar nader onderzoek naar had moeten doen. Hiertoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank door aldus te overwegen eraan voorbijgaat dat uit voormelde verklaring van de psycholoog volgt dat er nog geen psychologische of medische behandeling van vreemdeling 1 is gestart en dat in Duitsland vergelijkbare professioneel medische contacten kunnen worden gelegd. Daarnaast blijkt volgens de staatssecretaris uit voormelde verklaring onvoldoende op welke wijze, zonder tussenkomst van professionele hulp, de broer en schoonzus sinds de komst van de vreemdeling in Nederland concrete invulling hebben gegeven aan de mantelzorg. Voorts heeft vreemdeling 1 in het aanmeldgehoor niet aangegeven dat er sprake is van een dusdanig sterke afhankelijkheid dat dagelijkse bijstand door haar broer en schoonzus nodig is en heeft zij zich geruime tijd zonder hun bijstand staande weten te houden, aldus de staatssecretaris.

5.1. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat uit de verklaring van de psycholoog noch uit de verklaringen van vreemdeling 1 volgt op welke wijze de broer en schoonzus concrete invulling hebben gegeven aan de mantelzorg. Evenmin volgt uit de verklaring van de psycholoog dat de benodigde zorg uitsluitend door de broer en schoonzus zou kunnen worden geleverd. Dat de vreemdelingen bij hen wonen en dat de broer en schoonzus vreemdeling 1 bijstaan met de dagelijkse bezigheden en haar psychisch ondersteunen, is onvoldoende voor het oordeel dat vreemdeling 1 van hen afhankelijk is. Daarnaast heeft vreemdeling 1, zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, in het aanmeldgehoor verklaard dat zij een broer heeft die in Nederland woont maar dat zij niet van hem afhankelijk is en voert zij voor het eerst in de zienswijze aan dat zij van hem en haar schoonzus afhankelijk is. Voorts hebben de broer en schoonzus, zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, niet schriftelijk verklaard dat zij voor vreemdeling 1 wensen te zorgen. Verder heeft de staatssecretaris terecht aangevoerd dat uit de verklaring van de psycholoog volgt dat er nog geen behandeling is gestart. De vreemdelingen hebben in verweer in hoger beroep overigens niet gesteld dat dit inmiddels wel het geval is. Daarnaast heeft vreemdeling 1, zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, zich geruime tijd in bijzijn van haar meerderjarige dochters en zonder haar broer en schoonzus staande weten te houden.

Gelet op het voorgaande kan het standpunt van de staatssecretaris dat vreemdeling 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij wegens een ernstige ziekte afhankelijk is van de zorg en hulp van haar in Nederland wonende broer en schoonzus als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening en dat haar medische omstandigheden de overdracht aan Duitsland niet in de weg staan, de toetsing in rechte doorstaan.

De grief slaagt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 22 maart 2016 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van de bij de rechtbank bestreden besluiten waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

7. De beroepen zijn ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 april 2016 in zaken nrs. 16/5672, 16/5674 en 16/5677;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel, en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van de Kolk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

347-759.