Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201600798/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:92, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd en bepaald dat uitzetting tot 2 januari 2016 achterwege zal blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600798/1/V1.

Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 januari 2016 in zaak nr. 15/14009 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd en bepaald dat uitzetting tot 2 januari 2016 achterwege zal blijven. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaar tegen hem heeft uitgevaardigd. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank miskend dat de staatssecretaris volgens het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377 (hierna: het arrest Z.Zh. en I.O.), voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar moet motiveren dat een vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Volgens de vreemdeling voldoet het besluit niet aan die motiveringseisen nu de staatssecretaris daarbij niet heeft betrokken dat hij al jaren geen strafbare feiten heeft gepleegd.

1.1. Volgens artikel 11, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG (PB L 348/98; hierna: de Terugkeerrichtlijn) wordt de duur van het inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het geval bepaald, en bedraagt de duur in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien een onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Ingevolge artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), bedraagt de duur van het inreisverbod, in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, ten hoogste tien jaar, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. De ernstige bedreiging kan onder meer blijken uit een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict.

1.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1550, volgt dat de uitleg van het openbare-orde begrip van het Hof in het arrest Z.Zh. en I.O. van toepassing is op de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat uit het arrest Z.Zh. en I.O. volgt dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. In de uitspraak van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579, heeft de Afdeling uit het arrest Z.Zh. en I.O. afgeleid dat, voor zover thans van belang, de staatssecretaris bij zijn beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Voorts moet de staatssecretaris bij zijn beoordeling in acht nemen dat vorenbedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld.

Het resultaat van vorenbedoeld onderzoek moet blijken uit de motivering van een besluit. Indien een vreemdeling voorafgaand aan het nemen van een besluit omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet de staatssecretaris aanvullend motiveren waarom die omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden.

1.3. Gelet op het voorgaande, heeft de staatssecretaris, door naar de letter van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 uitsluitend te beoordelen of de vreemdeling is veroordeeld naar aanleiding van een opiumdelict, een onjuiste maatstaf toegepast. Voorts is de staatssecretaris in het besluit weliswaar ingegaan op de ernst van de en het aantal door de vreemdeling gepleegde delicten, maar heeft hij in het geheel niet gemotiveerd dat en waarom het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele bedreiging vormt. De vreemdeling is op 21 juni 2007 voor het laatst veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Voor die overtreding is hij veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. De andere veroordelingen wegens overtreding van de Opiumwet dateren van 1990, 1993 en 2001. Gelet op het tijdsverloop sinds de veroordeling van 21 juni 2007, waarin geen sprake is geweest van langdurige detentie, de omstandigheid dat de vreemdeling daarna geen overtreding van de Opiumwet meer heeft begaan en het tijdsverloop sinds de veroordelingen van 1990, 1993 en 2001, heeft de staatssecretaris, door zich alleen op het standpunt te stellen dat het lange tijdsverloop sinds het laatst gepleegde delict niet opweegt tegen de zwaarte van de door de vreemdeling gepleegde delicten nu het overtredingen van de Opiumwet betreft, ondeugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Voor het overige heeft de staatssecretaris gewezen op de veroordeling tot een geldboete van 150 euro, subsidiair drie dagen hechtenis van 1 juni 2010 wegens het opgeven van valse persoonsgegevens en twee veroordelingen tot een geldboete wegens overtreding van de Wet aansprakelijkheidsverzekering. De staatssecretaris heeft evenmin gemotiveerd waarom uit de drie laatstgenoemde veroordelingen volgt dat de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De grief slaagt.

2. Hetgeen de vreemdeling als grieven 2 en 3 heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling, voor zover gericht tegen het inreisverbod, alsnog gegrond verklaren en het besluit in zoverre vernietigen.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 januari 2016 in zaak nr. 15/14009, voor zover de rechtbank het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond heeft verklaard;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond, voor zover gericht tegen het inreisverbod;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 2 juli 2015, V-nummer […], voor zover dat ziet op het inreisverbod;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.736,00 (zegge: zeventienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

154-826.