Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2053

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201508106/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2014 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om bekostiging van leerlingenvervoer voor haar zoon voor het schooljaar 2013-2014 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508106/1/A2.

Datum uitspraak: 20 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2015 in zaak nr. 14/5647 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2014 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om bekostiging van leerlingenvervoer voor haar zoon voor het schooljaar 2013-2014 afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2014 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 september 2015 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2014 vernietigd, het besluit van 8 januari 2014 herroepen en bepaald dat de aanvraag om bekostiging van leerlingenvervoer van [wederpartij] wordt toegewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N. van der Pol en mr. J. Arendse, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. E.E. Sprenkeling, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [wederpartij] heeft het college verzocht om een vergoeding voor eigen vervoer voor het schoolbezoek van haar zoon. Volgens de aanvraag volgt de zoon onderwijs aan het Altra College Hoofddorp, een school voor voortgezet speciaal onderwijs. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de zoon van [wederpartij] niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school bezoekt, zoals vereist op grond van artikel 3 van de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Amsterdam 2011 (hierna: de Verordening). Het toenmalig Altra College West was ten tijde van de aanvraag de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Deze school lag te dicht bij de woning van [wederpartij] om voor een vervoersvergoeding in aanmerking te komen. Volgens het college doen zich geen zodanig bijzondere omstandigheden voor, dat op grond van artikel 29 van de Verordening toch een vervoersvergoeding kan worden verstrekt. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het ontbreekt aan voldoende inzicht in de redenen waarom het Altra College West of Centrum niet geschikt is voor de zoon van [wederpartij].

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college met toepassing van artikel 29 van de Verordening een vergoeding had moeten toekennen voor het schoolbezoek van de zoon van [wederpartij] aan het Altra College Hoofddorp. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de commissie voor de begeleiding van het Altra College Hoofddorp, Stichting MEE, een psycholoog van De Bascule en het Steunpunt Autisme Noord-Holland adviseren om de zoon buiten Amsterdam op school te plaatsen. De scholen waar het college op wijst, het Altra College West en Centrum, liggen in Amsterdam. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het Altra College West bij brief van 3 maart 2015 heeft verklaard niet geschikt te zijn voor de zoon van [wederpartij].

3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen. De rechtbank is daarmee in de beleidsruimte van het college getreden. Bovendien heeft de rechtbank haar oordeel onder meer gebaseerd op verklaringen van deskundigen die zich niet in het dossier bevinden, maar slechts zijn vermeld in een verslag van de zorgcoördinator van het Altra College Hoofddorp. Uit dat verslag volgt verder dat die verklaringen gaan over de vraag of het Altra College Hoofddorp een goede schoolkeuze is geweest, terwijl de vraag die beantwoord moet worden is of de zoon van [wederpartij] onderwijs kon volgen aan het Altra College West.

Verder heeft de rechtbank volgens het college ten onrechte geoordeeld dat de verklaring van de afdelingsmanager van het Altra College West aanleiding had moeten zijn met toepassing van artikel 29 van de Verordening een vergoeding toe te kennen. Allereerst is de verklaring volgens het college te summier om de conclusie ervan te dragen. Verder kon die verklaring geen aanleiding zijn een vervoersvergoeding toe te kennen, omdat de verklaring pas in beroep en derhalve na de besluitvorming is afgelegd, aldus het college.

3.1. Ingevolge artikel 3 van de Verordening wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning dan wel opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school.

Ingevolge artikel 29 kan het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding of andere deskundigen.

3.2. Voor zover het college in het hogerberoepschrift het standpunt heeft ingenomen dat toewijzing van de aanvraag van [wederpartij] met toepassing van artikel 29 van de Verordening slechts mogelijk zou zijn na een wijziging van de Verordening, waarbij het criterium van de dichtstbijzijnde toegankelijke school wordt geschrapt, wordt het college daarin niet gevolgd. Dat criterium is neergelegd in artikel 3 van de Verordening. Artikel 29 van de Verordening biedt een voorziening om in bijzondere gevallen af te wijken van de bepalingen van de Verordening, zonder dat daar een wijziging van de Verordening voor nodig is. De vraag is dan ook niet of [wederpartij] aannemelijk heeft gemaakt dat het Altra College Hoofddorp de dichtstbijzijnde toegankelijke school is voor haar zoon, zoals volgens artikel 3 is vereist, maar of zich een bijzonder geval in de zin van voormeld artikel 29 voordoet dat noopt tot afwijking van dat vereiste.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6320, overweegt de Afdeling dat het college aan artikel 29 van de Verordening toepassing kan geven, maar daartoe niet zonder meer verplicht is. Die verplichting ontstaat ook niet zonder meer als aannemelijk zou zijn dat de bezochte school het beste onderwijs of de meest geschikte leeromgeving biedt voor de betreffende leerling. Bij de toepassing van de in artikel 29 van de Verordening opgenomen bevoegdheid moet het college, gelet ook op het bepaalde in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, wel nagaan of de gevolgen van onverkorte toepassing van het in artikel 3 van de Verordening bepaalde onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

3.3. [wederpartij] heeft bij de aanvraag om een vergoeding een verklaring overgelegd van W. Hoes, werkzaam bij de stichting MEE Amstel en Zaan. Uit die verklaring volgt dat de zoon van [wederpartij] de basisschooltijd op verschillende (speciale) scholen heeft doorgebracht, en dat zijn problematiek op elk van die scholen, met uitzondering van de laatste, leidde tot problemen met de medeleerlingen. Na de basisschool volgde de zoon tot maart 2013 onderwijs aan de Apolloschool. Ook daar deden zich problemen voor in de klas. De school kon de zoon niet goed begeleiden omdat de problematiek naar het oordeel van de school te zwaar was. De zoon moest de school daarom verlaten en heeft acht maanden thuisgezeten. Volgens Hoes heeft [wederpartij] gesprekken gehad bij verschillende scholen in Amsterdam, waaronder het Altra College in het centrum, maar is, gelet op de leerlingenpopulatie, de grote klassen en de drukte van een stad de kans erg groot dat de zoon zich daar niet veilig zal voelen.

Hangende het bezwaar heeft L.H.M. Bruggink, orthopedagoog van het Altra College, bij brief van 12 januari 2014 verklaard dat de keuze voor locatie Hoofddorp is ingegeven door een advies na psychologisch onderzoek door De Bascule. Volgens dat advies is het voor de zoon van [wederpartij] belangrijk om zich in een rustige, gestructureerde omgeving te bevinden, en hem vanwege zijn oppositionele gedragsstoornis af te schermen van verleidingen.

In beroep heeft [wederpartij], nadat de rechtbank daartoe het onderzoek ter zitting heeft geschorst en het vooronderzoek heeft heropend, een verklaring van het Altra College West overgelegd. De afdelingsmanager van de school heeft als volgt verklaard:

"Hierbij laat ik u weten dat het Altra College West voor [..] wegens zijn ernstige gedragsstoornissen helaas niet toegankelijk is. Het Altra college in Hoofddorp is een goed alternatief voor leerlingen als […]. Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd."

Het college heeft het Altra College West verzocht duidelijk te maken welke afweging aan deze verklaring is voorafgegaan. In antwoord op dat verzoek is de verklaring als volgt aangevuld:

"De leerling was extreem angstig voor de leerling-populatie in West, de leerling durfde niet het schoolgebouw naar binnen."

[wederpartij] heeft ter zitting in hoger beroep over de problematiek van haar zoon verklaard dat deze ertoe leidt dat de zoon niet kan functioneren in een drukke omgeving. Hij voelt zich onveilig, dekt zijn oren af met zijn handen, is bang en raakt in paniek. Haar zoon mijdt daarom drukke omgevingen en blijft op dagen als Koningsdag thuis, aldus [wederpartij]. Over de keuze voor het Altra College Hoofddorp heeft [wederpartij] onweersproken verklaard dat zij, alvorens die keuze te maken, samen met haar advocaat onder meer het Altra College West heeft bezocht. De directeur van die school heeft volgens [wederpartij] afgeraden haar zoon die school te laten bezoeken vanwege de (zo begrijpt de Afdeling) grootstedelijke dynamiek. Conclusie van het gesprek was volgens [wederpartij] dat de school, gelet op de problematiek van de zoon, voor hem niet de juiste omgeving was. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat het er ten tijde van de besluitvorming niet van op de hoogte was dat dit gesprek heeft plaatsgevonden.

3.4. Het college voert op zichzelf terecht aan dat de verklaring van de afdelingsmanager van het Altra College West summier is. Zelfstandig kan deze niet het oordeel dragen dat onverkorte toepassing van artikel 3 van de Verordening onevenredige gevolgen heeft voor [wederpartij] en haar zoon. Ter zitting is echter komen vast te staan dat de verklaring niet op zichzelf staat, maar dat daaraan het hiervoor vermelde gesprek tussen het Altra College West en [wederpartij] is voorafgegaan, waaruit volgt dat de zoon daar niet goed terecht kon. De verklaring van het Altra College West ligt verder in lijn met de overige stukken, waaronder de overgelegde verklaringen van Hoes en Bruggink. De omstandigheden van de zoon van [wederpartij] sluiten voorts nauw aan bij de voorbeelden die het college ter zitting desgevraagd heeft gegeven, waarbij toepassing van artikel 29 van de Verordening in beeld komt.

Gelet op het geheel van feiten en omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat in dit geval onverkorte toepassing van het in artikel 3 van de Verordening bepaalde onevenredige gevolgen heeft voor [wederpartij] en haar zoon. Daarom is de Afdeling van oordeel dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het in artikel 29 van de Verordening bepaalde. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Dat de rechtbank heeft overwogen dat de verklaring van het Altra College West voor het college aanleiding had moeten zijn de aanvraag van [wederpartij] toe te wijzen, terwijl die verklaring pas in beroep is gegeven, is weliswaar onjuist maar doet niet af aan het oordeel van de rechtbank. Het vormt daarom geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

3.5. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Slump

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016

480-799.