Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201506093/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:4290, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om een vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/726
OGR-Updates.nl 2016-0151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506093/1/A2.

Datum uitspraak: 20 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer,

appellant,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 december 2011 en de uitspraak van 10 juli 2015 in zaak nr. 11/3393 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om een vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 28 december 2011 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld het door haar geconstateerde gebrek in het besluit van 8 juni 2011 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college, gevolg gevend aan die uitspraak, het besluit van 8 juni 2011 gedeeltelijk herroepen en [wederpartij] alsnog een vergoeding van planschade toegekend van € 35.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente.

Bij uitspraak van 10 juli 2015 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het besluit van 8 juni 2011 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 6 november 2012 gegrond verklaard en dat besluit gedeeltelijk vernietigd, voor zover dat ziet op de toegekende planschadevergoeding met betrekking tot de gronden ten noorden van het perceel van [wederpartij]. Voorts heeft de rechtbank het besluit van 6 april 2010 herroepen, voor zover dat ziet op de vastgestelde (lees: afwijzing van het verzoek om een) planschadevergoeding met betrekking tot die gronden, en het college veroordeeld tot het betalen van een planschadevergoeding aan [wederpartij] van € 110.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze uitspraak is eveneens aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Tielbeke, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het vooronderzoek heropend om de door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) ingeschakelde taxateur, die de rechtbank heeft geadviseerd over de hoogte van de planschade, in de gelegenheid te stellen in het kader van een comparitie een toelichting te geven op de getaxeerde planschade. De taxateur heeft de Afdeling bericht hiervan geen gebruik te zullen maken, omdat die toelichting niet meer zou inhouden dan wat hij in het taxatierapport van

25 september 2014, aangevuld met zijn e-mailbericht aan de StAB van

31 maart 2015, daarover heeft gezegd. De Afdeling heeft daarin aanleiding gezien af te zien van het houden van een comparitie en het vooronderzoek te sluiten. Met toestemming van partijen is een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. [wederpartij] heeft op 18 november 1993 het perceel en de daarop gelegen vrijstaande woning en bijgebouw aan de [locatie A] in Aalsmeer gekocht (hierna: het perceel). Hij heeft op 1 maart 1994 de eigendom daarvan verkregen.

[wederpartij] heeft op 20 januari 2009 verzocht om een vergoeding van planschade die hij stelt te lijden ten gevolge van het bestemmingsplan "Nieuw Oosteinde" en een aantal daarop volgende herzieningen die, anders dan voorheen, een winkelcentrum en woningen tot een hoogte van 15 m mogelijk hebben gemaakt op de gronden direct ten oosten en ten noorden van het perceel.

Bij besluit van 6 april 2010, gehandhaafd bij besluit van 8 juni 2011, heeft het college dit verzoek afgewezen. Het college heeft daaraan een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van maart 2010 en aanvullingen daarop van 21 september 2010 en 6 januari 2011 ten grondslag gelegd. De SAOZ heeft geconcludeerd dat twee herzieningen van het bestemmingsplan "Nieuw Oosteinde" hebben geleid tot een planologisch nadeel voor [wederpartij]. Dit nadeel dient volgens de SAOZ echter voor rekening van [wederpartij] te blijven, omdat hij ten tijde van de koop van het perceel op 18 november 1993 de realisering van de winkels en woningen nabij het perceel kon voorzien op grond van de door de raad op 19 mei 1993 vastgestelde "Ontwikkelingsvisie Aalsmeer" (hierna: de ontwikkelingsvisie).

2. [wederpartij] heeft zijn beroep tegen het besluit van 8 juni 2011, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van zijn verzoek om een vergoeding van planschade ten gevolge van de planologische wijziging ten oosten van zijn perceel, ingetrokken. Het geschil is daardoor beperkt tot de afwijzing van het verzoek, voor zover dat betrekking heeft op de planologische wijziging op de gronden ten noorden van het perceel ten gevolge van het op 25 februari 2003 in werking getreden bestemmingsplan "1e Herziening bestemmingsplan Nieuw Oosteinde" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Op dat verzoek is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) van toepassing.

3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat niet in geschil is dat het nieuwe bestemmingsplan heeft geleid tot een planologisch nadeel voor [wederpartij]. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de wijziging van het planologische regime voor [wederpartij] ten tijde van de koop van het perceel voorzienbaar was. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de ontwikkelingsvisie niet kan worden afgeleid dat de destijds nog bestaande woning ten noorden van het perceel van [wederpartij] zou worden gesloopt en dat daar in de erfgrens over de gehele lengte van het perceel bebouwing tot een hoogte van 15 m zou (kunnen) worden opgericht. Niet alleen stond daar een vrijstaande woning met tuin rondom, ook wijkt de thans voorziene bebouwing aanzienlijk af van de tot op heden bestaande lintbebouwing van vrijstaande woningen met ruime tuinen eromheen. Omdat de ontwikkelingsvisie niet voorzag in wijziging van de bestaande lintbebouwing, is de rechtbank van oordeel dat de in het nieuwe bestemmingsplan mogelijk gemaakte bebouwing op de gronden ten noorden van het perceel voor [wederpartij] ten tijde van de koop van het perceel niet voorzienbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank dient de schade die [wederpartij] als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan lijdt daarom niet voor zijn rekening te komen. Het besluit van 8 juni 2011 is om die reden niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om het college in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen door alsnog een (aanvullend) schaderapport te laten opstellen, en, indien het college dat wenst, een nader besluit te nemen.

4. Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college, gevolg gevend aan de tussenuitspraak, het besluit van 8 juni 2011 herroepen voor zover dat besluit betrekking heeft op de gronden ten noorden van het perceel en [wederpartij] alsnog een vergoeding toegekend van € 35.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente, voor de schade ten gevolge van de planologische wijziging op die gronden. Het college heeft hieraan een advies van Langhout & Wiarda (hierna: Langhout) van 15 maart 2012, aangevuld op 29 maart 2012 en 13 juni 2012, ten grondslag gelegd. Langhout onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat bebouwing in de lintbebouwing van een omvang zoals het nieuwe bestemmingsplan dat mogelijk maakt voor [wederpartij] ten tijde van de koop op 18 november 1993 op grond van de ontwikkelingsvisie niet voorzienbaar was. Langhout heeft de waarde van het perceel op peildatum 25 februari 2003 voor de planologische wijziging getaxeerd op € 545.000,00 en na die wijziging op

€ 510.000,00 en daaruit afgeleid dat de schade € 35.000,00 bedraagt.

[wederpartij] heeft een zienswijze ingediend en daarbij een taxatierapport van Brockhoff Makelaars van 24 januari 2013 overgelegd waarin de planschade is getaxeerd op € 170.000,00.

5. Vervolgens heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:47, eerste lid, van de Awb de StAB benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De StAB heeft in een deskundigenverslag van 2 oktober 2014 uiteengezet dat ingevolge het oude bestemmingsplan "Nieuw Oosteinde" op de gronden ten noorden van de woning van [wederpartij] alleen één woning met een maximale bouwhoogte van 9,9 m op een afstand van 26,5 m van de woning van [wederpartij] mogelijk was. Tevens waren daar bijgebouwen met een hoogte van maximaal 4,5 m en bijna 5 m op een afstand van 18,8 m van de woning mogelijk. In het nieuwe bestemmingsplan is op voormelde gronden een appartementengebouw met winkels, verkeers- en parkeervoorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 16,5 m op een afstand van ongeveer 4 m van de woning van [wederpartij] mogelijk gemaakt. Volgens de StAB leidt dat voor [wederpartij] tot wijziging van de omgevingskarakteristiek, beperking van het uitzicht, schaduwhinder, parkeerhinder, (geluids)overlast en inbreuk op de privacy. De door de StAB ingeschakelde taxateur P.J. van der Laarse heeft op basis daarvan de waarde van de onroerende zaak van [wederpartij] op peildatum 25 februari 2003 onder het oude planologische regime getaxeerd op € 410.000,00 en onder het nieuwe regime op € 300.000,00. De StAB heeft daaruit afgeleid dat de voor vergoeding in aanmerking komende planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan € 110.000,00 bedraagt.

De StAB is op verzoek van de rechtbank in een nader deskundigenverslag van 9 april 2015 ingegaan op de reacties van [wederpartij] en het college. Daarbij is een e-mailbericht van Van der Laarse van 31 maart 2015 gevoegd waarin hij zijn taxatierapport van 25 september 2014 aan de hand van die reacties nader heeft toegelicht.

6. De rechtbank heeft in de uitspraak van 10 juli 2015 geoordeeld dat [wederpartij] met het taxatierapport van Brockhoff Makelaars, gelet op de inhoud daarvan, geen tegenadvies heeft ingebracht dat voldoende aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de adviezen van Langhout die aan het besluit van 6 november 2012 ten grondslag liggen. De rechtbank is echter van oordeel dat wat [wederpartij] in zijn zienswijze van 28 januari 2013 naar voren heeft gebracht leidt tot voldoende gerede twijfel aan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en motivering van de adviezen van Langhout. Uit die adviezen volgt onvoldoende duidelijk hoe de gehanteerde referentiepanden zijn gekozen. Evenmin is op een voldoende duidelijke wijze inzicht gegeven in de wijze waarop Langhout tot het door hem vastgestelde schadebedrag is gekomen.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de StAB met haar verslag van 2 oktober 2014 en de aanvulling daarop van 9 april 2015 op een voldoende zorgvuldige en inzichtelijke wijze heeft uiteengezet hoe de voor vergoeding in aanmerking komende planschade van € 110.000,00 is vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat de door de StAB gekozen taxateur kennis heeft van de lokale vastgoedmarkt in en rondom de gemeente Aalsmeer. Voorts heeft de taxateur afdoende gemotiveerd hoe tot de gehanteerde referentiepanden is gekomen en is op een voldoende duidelijke wijze inzicht gegeven in de wijze waarop de vastgestelde planschade is berekend. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de conclusies van de StAB niet te volgen.

Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet volledig heeft hersteld. De rechtbank heeft het besluit van 6 november 2012 wegens strijd met de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb vernietigd. Voorts heeft zij zelf in de zaak voorzien door het besluit van 6 april 2010 te herroepen, voor zover dat ziet op de gronden ten noorden van het perceel van [wederpartij], en het college te veroordelen tot betaling van een planschadevergoeding aan [wederpartij] van € 110.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente.

Voorzienbaarheid

7. Het college betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat bebouwing in de erfgrens tot een hoogte van 15 m op de gronden ten noorden van het perceel in de bestaande lintbebouwing voor [wederpartij] ten tijde van de aankoop in 1993 niet voorzienbaar was. Volgens het college is de rechtbank uitgegaan van een te beperkte uitleg van de in de ontwikkelingsvisie voorziene invulling van ‘open gebieden tussen de huidige woonbebouwing’. Daaronder vallen ook de door latere ontwikkelingen nieuw opengevallen gebieden, zoals de gronden ten noorden van het perceel waarop de woning Machineweg 39 is gesloopt. Op basis van de ontwikkelingsvisie was het voor [wederpartij] dus voorzienbaar dat het planologische regime ook in de bestaande lintbebouwing in een voor hem ongunstige zin zou kunnen wijzigen, aldus het college.

7.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kent het college, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

7.2. Indien ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zal veranderen, wordt de koper geacht de verwezenlijking van de aldus voorzienbare ongunstige planologische ontwikkeling te hebben betrokken bij het overeenkomen van de koopprijs. De planschade dient dan voor rekening van de koper te blijven. Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is voldoende dat er een concreet beleidsvoornemen is, dat openbaar is gemaakt. Niet is vereist dat zodanig beleidsvoornemen een formele status heeft.

7.3. Niet is in geschil dat de ontwikkelingsvisie een concreet beleidsvoornemen in vorenbedoelde zin is. In de ontwikkelingsvisie is in de samenvatting (blz. 1) onder meer het volgende vermeld: "(…) voorziet de visie in een uitbreiding van het woningenbestand met ca. 3750 woningen op langere termijn. Op kortere termijn moeten prioriteiten worden gelegd bij het scheppen van woonruimte voor de 2000 ingeschreven woningzoekenden. De visie voorziet in de versterking en uitbouw van drie kernen, t.w. Dorp/Stommeer, Kudelstaart en Oosteinde." In hoofdstuk 4 ‘Globale uitwerking’ is in paragraaf 4.2 ‘Wonen’ (blz. 29) vermeld dat de visie voorziet in een versterking en verdere uitbouw van onder meer Oosteinde. Daarin staat verder: "Oosteinde wordt als woongebied in oostelijke richting tussen de Aalsmeerderweg en Hornweg uitgebreid. Bovendien voorziet de visie in het invullen van de open gebieden tussen de huidige woonbebouwing. Hiermee kan in de toekomst voldoende draagvlak ontstaan, voor de realisatie van de voorzieningen die een dergelijke kern moet bezitten." Verder is vermeld dat wordt voorzien in de bouw van 1.050 nieuwe woningen in Oosteinde. Voorts zijn in dezelfde paragraaf op blz. 31 op de kaart ‘Wonen’ (figuur 4) gebieden aangewezen als lintbebouwing, bestaand woongebied, toekomstig woongebied en reservering woongebied. De gronden ten noorden van het perceel zijn op die kaart gelegen in de lintbebouwing. Tot slot is in de ontwikkelingsvisie een kaart opgenomen met het opschrift ‘ontwikkelingsvisie, functionele structuur’. Op die kaart zijn de in geding zijnde gronden gelegen in een gebied dat is aangeduid als ‘toekomstig woongebied’.

7.4. [wederpartij] kon en hoefde op grond van deze tekst en kaarten ten tijde van de koop van het perceel, dat in de kern Oosteinde is gelegen, geen rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op de gronden ten noorden van het perceel in de lintbebouwing in voor hem ongunstige zin zou veranderen. Ten tijde van de koop van het perceel was een woning op deze gronden gelegen, zodat niet kan worden gesproken van een open gebied dat kon worden ingevuld als bedoeld in de ontwikkelingsvisie. Gezien de in die visie gegeven gestructureerde opzet van de uitbreiding van woningbouw in de gemeente Aalsmeer, wordt het college niet gevolgd in zijn uitleg dat de daarin voorziene invulling van open gebieden tussen de huidige woonbebouwing mede betrekking heeft op gebieden die na de vaststelling van de ontwikkelingsvisie door een latere ontwikkeling openvallen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de ontwikkelingsvisie niet kan worden afgeleid dat de destijds nog bestaande woning op de ten noorden van het perceel gelegen gronden zou worden gesloopt en dat daar in de erfgrens over de lengte van het perceel bebouwing tot een hoogte van maximaal 16,5 m in de lintbebouwing zou kunnen worden opgericht. Ook is van belang dat die bebouwing wezenlijk afwijkt van de tot dan toe bestaande lintbebouwing met vrijstaande woningen en grote tuinen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de planologische wijziging op de gronden ten noorden van het perceel voor [wederpartij] ten tijde van de koop niet voorzienbaar was.

Het betoog faalt.

Hoogte van de planschade

8. Het college betoogt subsidiair dat de rechtbank heeft miskend dat de planschadevergoeding in het besluit van 6 november 2012 terecht op basis van de adviezen van Langhout is vastgesteld op € 35.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Het college voert aan dat wat [wederpartij] in zijn zienswijze van 28 januari 2013 naar voren heeft gebracht, geen aanleiding geeft voor voldoende gerede twijfel aan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en motivering van de adviezen van Langhout. Volgens het college is in die adviezen voldoende duidelijk gemaakt hoe de gehanteerde referentiepanden zijn gekozen en is op voldoende duidelijke wijze inzicht gegeven in de wijze waarop het schadebedrag is bepaald. Het college voert aan dat de door Langhout gehanteerde referentiepanden in dezelfde straat zijn gelegen als de woning van [wederpartij], zodat de verkoop van die panden inzicht biedt in de waarde van de woning van [wederpartij]. Ook de schadebepalende factoren zijn in de adviezen van Langhout (impliciet) genoemd, aldus het college.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3114), zijn inzichten van een taxateur gebaseerd op diens kennis en ervaring, zodat een nadere toelichting op die inzichten niet in alle gevallen kan worden verlangd. Wel mag worden verlangd dat de gedachtegang duidelijk en voldoende controleerbaar is en dat het verslag van het onderzoek voldoende basis biedt voor verdere besluitvorming.

8.2. Anders dan het college betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat wat [wederpartij] heeft aangevoerd in zijn zienswijze, leidt tot voldoende gerede twijfel aan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en motivering van de door het college overgenomen adviezen van Langhout. In de aanvullende adviezen van Langhout van 29 maart 2012, 13 juni 2012 en 30 november 2012 is niet voldoende inzichtelijk gemaakt hoe is gekomen tot de waarde van het perceel voor en na de planologische wijziging van onderscheidenlijk € 545.000,00 en € 510.000,00. Daarbij is alleen in algemene zin verwezen naar oude en nieuwe planologische mogelijkheden. De gehanteerde referentiepanden zijn weliswaar gelegen aan de Machineweg in Aalsmeer, maar alleen de opsomming daarvan biedt evenmin voldoende inzicht in hoe de vastgestelde waarden tot stand zijn gekomen. Dat inzicht wordt tot slot ook niet gegeven met de op basis van de in 1993 betaalde koopsom en met toepassing van een prijsindex berekende waarde van het perceel op de peildatum van € 615.000,00. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit die adviezen onvoldoende duidelijk volgt hoe de gehanteerde referentiepanden zijn gekozen en dat daarin op een onvoldoende duidelijke wijze inzicht is gegeven in de wijze waarop tot het vastgestelde schadebedrag van € 35.000,00 is gekomen. Hetgeen het college in hoger beroep heeft aangevoerd over andere gronden in de zienswijze van [wederpartij] van 28 januari 2013 doet niet af aan de hiervoor genoemde punten waarop de taxatie door Langhout onvoldoende inzichtelijk is gemaakt.

Het betoog faalt.

9. Het college betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte de StAB is gevolgd in haar conclusie dat de planschade € 110.000,00 bedraagt. Volgens het college heeft de door de StAB ingeschakelde taxateur de gemaakte keuze van referentiepanden en het getaxeerde schadebedrag onvoldoende gemotiveerd. Verder is de rechtbank volgens het college ten onrechte voorbijgegaan aan de brief van het college van 2 december 2014 waarin is uiteengezet dat dit schadebedrag neerkomt op een veel te hoog schadepercentage van 27%. De rechtbank heeft ten onrechte zwaardere maatstaven gehanteerd bij de beoordeling van de door Langhout verrichte taxatie dan bij de beoordeling van de taxatie die de StAB heeft laten verrichten, aldus het college.

9.1. De StAB heeft bij haar verslagen van 2 oktober 2014 en 9 april 2015 een rapport van taxateur Van der Laarse van 25 september 2014 en zijn e-mailbericht van 31 maart 2015 gevoegd waarin de taxatie van het perceel is toegelicht. Van der Laarse heeft vijf referentiepanden gehanteerd en daarvan de gegevens vermeld. Hij heeft toegelicht dat hij die referentiepanden heeft gehanteerd omdat ze in de buurt van het perceel zijn gelegen, in 2003 zijn verkocht en wat betreft perceeloppervlakte en opstallen vergelijkbaar zijn met het perceel. Op basis daarvan heeft hij de waarde van het perceel op peildatum 25 februari 2003 voor de planologische wijziging getaxeerd op € 410.000,00. Daarbij heeft hij betrokken dat de WOZ-waarde op peildatum 1 januari 2004 € 420.000,00 bedraagt. Voorts heeft Van der Laarse de door StAB beschreven planologische wijziging, mede op basis van de in dat verband door de StAB genoemde schadefactoren, als zeer ingrijpend aangemerkt en op basis daarvan de waarde van het perceel na de planologische wijziging getaxeerd op € 300.000,00. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de StAB op een voldoende zorgvuldige en inzichtelijke wijze heeft toegelicht hoe de voor vergoeding in aanmerking komende planschade van € 110.000,00 is vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij ook kunnen betrekken dat Van der Laarse kennis heeft van de lokale vastgoedmarkt in en om de gemeente Aalsmeer. Dat het door de StAB berekende schadebedrag van € 110.000,00 neerkomt op een schade van ongeveer 27%, betekent op zich niet dat de rechtbank ten onrechte de StAB hierin is gevolgd. Naar het oordeel van de Afdeling is een dergelijk schadepercentage, afhankelijk van de aard en de mate waarin een planologisch regime is gewijzigd, op zich niet uitgesloten. Nu het college geen gronden heeft aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de planologische wijziging ten onrechte als zeer ingrijpend is aangemerkt, is in het schadepercentage geen reden gelegen voor het oordeel dat de rechtbank de planschadevergoeding niet op basis van de adviezen van de StAB heeft kunnen vaststellen. Evenmin is gebleken dat de rechtbank de taxatie door Langhout strenger heeft beoordeeld dan de in opdracht van de StAB verrichte taxatie.

Het betoog faalt.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen, dienen te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Jansen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016

609.