Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2044

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201508162/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2015 heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland (hierna: Natuurmonumenten) voor een veehouderij aan de Schaalsmeerdijk 1 te Oostknollendam met maximaal 162 zoogkoeien, 147 stuks jongvee en 162 vleeskalveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508162/1/R2.

Datum uitspraak: 20 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna: [appellanten]), beiden wonend te Spijkerboor, gemeente Wormerland,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2015 heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland (hierna: Natuurmonumenten) voor een veehouderij aan de Schaalsmeerdijk 1 te Oostknollendam met maximaal 162 zoogkoeien, 147 stuks jongvee en 162 vleeskalveren.

Bij besluit van 28 september 2015 heeft het college nadat [appellanten] bezwaar hadden gemaakt tegen het besluit van 17 april 2015, besloten de Nbw-vergunning in te trekken en geweigerd een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 te verlenen.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Bij besluit van 30 maart 2016 heeft het college het besluit van 28 september 2015 ingetrokken en alsnog een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 verleend aan Natuurmonumenten voor een veehouderij aan de Schaalsmeerdijk 1 te Oostknollendam met maximaal 162 zoogkoeien, 147 stuks jongvee en 162 vleeskalveren (hierna: de Nbw-vergunning).

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2016, waar [appellanten] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Blondelle-Zuidema en P.W.J. Vrielink Bsc, zijn verschenen. Ter zitting is Natuurmonumenten, vertegenwoordigd door E. Kool, gehoord.

Overwegingen

1. De Nbw-vergunning is verleend voor een reeds bestaande veehouderij van Natuurmonumenten aan de Schaalsmeerdijk 1 te Oostknollendam. Op grond van de vergunning mogen hier maximaal 162 zoogkoeien, 147 stuks jongvee en 162 vleeskalveren worden gehouden in stalsystemen op grond waarvan een maximale emissie van 1836,9 kilogram ammoniak per jaar (hierna: kg NH3/jr) is toegestaan. De veehouderij met bijbehorende weidegronden ligt binnen het Natura 2000-gebied "Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder" en is gericht op gebiedsbeheer.

[appellanten] drijven een veehouderij die ligt aan de [locatie] te Spijkerboor. Hun weidegronden liggen eveneens binnen het gebied "Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder" en grenzen aan de gronden van de veehouderij van Natuurmonumenten aan de Schaalsmeerdijk 1. Het bedrijf van [appellanten] is een biologisch bedrijf en richt zich onder meer op natuurbeheer. Hiervoor ontvangt het bedrijf subsidie. Zowel in de woonsfeer op hun boerderij als in hun bedrijfsvoering zijn [appellanten] gericht op de natuur in het Natura 2000-gebied en zijn hun belangen aldus verweven met dit gebied.

2. Het besluit van 30 maart 2016, waarbij opnieuw is besloten op het door [appellanten] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 april 2015, is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede onderwerp van het geding.

De beroepsgronden

3. [appellanten] stellen dat de Nbw-vergunning ten onrechte is verleend. Zij betogen ten eerste dat de oorspronkelijke aanvraag van Natuurmonumenten en de verlening van de vergunning op 17 april 2015 gericht was op de voortzetting van het bestaande gebruik van de veehouderij aan de Schaalsmeerdijk1. Dit bestaande gebruik is echter niet vergund, omdat op het moment van de aanvraag al langere tijd (veel) minder vee werd gehouden dan is vergund.

[appellanten] betogen verder dat in de aanvraag en Nbw-vergunning onjuiste gegevens zijn gebruikt over het te houden veebestand met bijbehorende Rav-codes. Op grond van de bestaande milieuvergunning uit 1996 waren geen kalveren tot 8 maanden vergund met Rav-code A4.100, maar betrof het vee met de Rav-code A6.100. Hierbij hoort een hogere ammoniakemissie dan bij Rav-code A4.100 die in de Nbw-vergunning is gebruikt.

Daarnaast verandert het bedrijf op grond van de nieuwe vergunning van vleesveebedrijf naar melkveebedrijf. Indien Natuurmonumenten een melkveehouderij vergund wil hebben, dan moet een nieuwe procedure worden gevoerd, zoals zij zelf ook moesten doorlopen voor hun bedrijf, zo betogen [appellanten]. Hierom is volgens hen de Nbw-vergunning ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel verleend.

De aanvraag

4. Op 4 januari 2015 is namens Natuurmonumenten een aanvraag ingediend voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 voor het houden van 162 zoogkoeien ouder dan 2 jaar in een stalsysteem met Rav-code A2, 147 vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar in een stalsysteem met Rav-code A3 en 162 vleeskalveren (tot 8 maanden) in een stalsysteem met Rav-code A4.100. Dit volgt uit de paragrafen 5.4.1 en 5.4.2 van de "Natuurtoets met AAgro-Stacksberekeningen Schaalsmeerdijk 1, Oostknollendam & Wormerringdijk 6, Wormer" (hierna: de natuurtoets) van 20 november 2014 die bij de aanvraag hoort. Op basis van het aantal te houden dieren en de emissiefactoren van de genoemde stalsystemen is berekend dat hierbij een totale ammoniakemissie van 1836,9 kg NH3/jr hoort.

In de aanvraag en de bijbehorende natuurtoets wordt gesteld dat de ammoniakemissie van de aangevraagde veehouderij gelijk is aan de ammoniakemissie van de veehouderij waarvoor op 22 augustus 1996 een milieuvergunning was verleend. Hierbij wordt de kanttekening gemaakt dat in de vergunning van 1996 niet vleeskalveren tot 8 maanden waren vergund, maar kalveren tot 10 maanden. Deze categorie wordt thans niet meer gehanteerd, maar heeft een hogere emissiefactor dan vleeskalveren tot 8 maanden. Door bij de berekening van de ammoniakemissie in de vergunde situatie vleeskalveren tot 8 maanden te gebruiken, wordt uitgegaan van een lagere ammoniakemissie dan daadwerkelijk was vergund, aldus het gestelde in de aanvraag.

De besluiten

5. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge het derde lid is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing op bestaand gebruik.

6. De ammoniakemissie die genoemd is in de aanvraag veroorzaakt de neerslag van ammoniak - waarvan stikstof een bestanddeel is - in meerdere Natura 2000-gebieden, waaronder het gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder. Deze gebieden zijn onder andere aangewezen als Natura 2000-gebied ter bescherming van arealen van habitattypen die gevoelig zijn voor stikstof. De neerslag van ammoniak kan de kwaliteit van deze gebieden verslechteren. Om die reden is een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 nodig, tenzij de uitzondering in het derde lid van toepassing is.

In de besluiten van 17 april 2015 en van 28 september 2015 is het college er abusievelijk vanuit gegaan dat de aangevraagde situatie een voortzetting was van de bestaande situatie op en na 31 maart 2010, zodat voor de aangevraagde activiteit op grond van artikel 19d, derde lid, geen vergunningplicht bestond.

Omdat gebleken is dat de veehouderij feitelijk een kleinere veebezetting heeft dan is aangevraagd, zoals [appellanten] ook hebben gesteld, heeft het college dit uitgangspunt verlaten. Op 30 maart 2016 heeft het college opnieuw een besluit op de aanvraag genomen, waarbij niet van de bestaande situatie op 31 maart 2010 is uitgegaan, maar van de rechtens toegestane situatie op 24 maart 2000 en 7 december 2004 op grond van de milieuvergunning uit 1996.

Het oordeel van de Afdeling

7. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de Afdeling dat het college in de besluiten van 17 april 2015 en 28 september 2015 weliswaar van een onjuiste lezing van de aanvraag is uitgegaan, maar dat het college op 30 maart 2016 de Nbw-vergunning heeft verleend zoals deze is aangevraagd. Bij deze aanvraag is niet uitgegaan van een voortzetting van het op dat moment bestaande gebruik, maar van de rechtens toegestane situatie op 24 maart 2000 en 7 december 2004. Dit zijn de zogeheten referentiedata waarop de bescherming op grond van respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn voor deze gebieden is ingegaan. Het betoog van [appellanten] dat de verlening van de Nbw-vergunning onjuist is, omdat ten onrechte is uitgegaan van een voortzetting van het bestaande gebruik kan de Afdeling daarom niet volgen. Het betoog faalt.

8. Over het betoog dat het college bij het verlenen van de vergunning een verkeerde Rav-code heeft gebruikt, oordeelt de Afdeling als volgt. Allereerst stelt Afdeling vast dat in de milieuvergunning uit 1996 geen Rav-codes zijn gebruikt. In zoverre berust de bepaling van de stalemissie die op grond van de milieuvergunning uit 1996 is toegestaan op een inschatting van de emissiefactoren die horen bij de aantallen en soorten runderen die mogen worden gehouden. Zoals hiervoor onder overweging 4 is weergegeven is bij deze inschatting niet uitgegaan van de toestemming die bestond voor het houden van kalveren tot 10 maanden, maar is uitgegaan van kalveren tot 8 maanden. Zoals echter in de aanvraag is uiteengezet, leidt dit tot een lagere emissie dan was toegestaan. Zou de door [appellanten] genoemde code A6.100 zijn gebruikt, dan had het college kunnen uitgaan van een toegestane situatie met een hogere ammoniakemissie dan 1836,9 kg NH3/jr met bijbehorende neerslag hiervan op de relevante Natura 2000-gebieden.

De veehouderij waarvoor de Nbw-vergunning is verleend, is gemaximeerd op een ammoniakemissie van 1836,9 kg NH3/jr die niet mag worden overschreden. Daarom heeft het college naar het oordeel van de Afdeling terecht geconcludeerd dat de vergunde veehouderij niet meer ammoniakneerslag zal veroorzaken op de relevante Natura 2000-gebieden dan in de situatie waarvoor op de referentiedata 24 maart 2000 en 7 december 2004 al toestemming bestond op grond van de milieuvergunning uit 1996. Er bestaat daarbij geen aanleiding voor het oordeel dat bij het bepalen van de gevolgen van de ammoniakemissie het college Natuurmonumenten anders heeft behandeld dan anderen. Het besluit is dus niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel genomen. Het betoog van [appellanten] faalt.

Conclusie en slotoverwegingen

9. De Afdeling concludeert over de beroepsgronden het volgende. Hoewel het college in eerste instantie twee onjuiste besluiten heeft genomen en het college ter zitting hierover heeft aangegeven dat dit niet de schoonheidsprijs verdient, geven de aangevoerde beroepsgronden geen aanleiding om te oordelen dat de Nbw-vergunning van 30 maart 2016 onterecht is verleend. Het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 30 maart 2016 is ongegrond.

10. Om deze reden hebben [appellanten] geen belang meer bij beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 28 september 2015, omdat dit besluit bij het besluit van 30 maart 2016 is ingetrokken en er overigens ook geen omstandigheden zijn die hun belangen raken. Het beroep tegen dat besluit is niet-ontvankelijk.

11. Uit het besluit van het college van 30 maart 2016 blijkt dat het besluit van 28 september 2015 is ingetrokken, omdat daarin ten onrechte van de veronderstelling was uitgegaan dat de aangevraagde veehouderij een voortzetting was van het bestaande gebruik. Dit hadden [appellanten] ook aangevoerd. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding het college te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellanten] te vergoeden.

12. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 28 september 2015 niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 30 maart 2016 ongegrond;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Hagen w.g. Scheele

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016

723.