Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2039

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201508339/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:12261, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2016/837
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508339/1/V6.

Datum uitspraak: 20 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 oktober 2015 in zaak nr. 15/2689 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I. Boon, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens zijn rechtsvoorganger verstaan.

2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN, zoals deze luidde ten tijde van belang, (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien op het moment van indiening van dat verzoek of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen. Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan zijn de vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst van een openstaande strafzaak wegens een misdrijf. Ook indien de verzoeker in hoger beroep is gegaan is de strafzaak nog niet onherroepelijk afgedaan en is er nog steeds sprake van een serieuze verdenking.

Volgens de Handleiding wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenoemde rehabilitatieperiode) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Iedere vermogenstransactie van € 453,78 of meer leidt tot afwijzing van het verzoek.

3. Niet in geschil is dat dat ten tijde van het besluit een strafzaak wegens overtreding van artikel 300, eerste lid, en artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht tegen [appellant] openstond met als pleegdatum 13 oktober 2014.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet het vonnis van de strafrechter van 10 september 2015 waarbij hij voor voormelde strafbare feiten is veroordeeld tot een geldboete van € 800,00 inhoudelijk bij de beoordeling heeft betrokken. Volgens [appellant] staat de hoogte van de opgelegde geldboete na wijziging van de Handleiding per 1 juli 2015 niet in de weg aan verlening van het Nederlanderschap en heeft de rechtbank miskend dat het vonnis een bevestiging is van zijn in beroep naar voren gebrachte betoog dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van de Handleiding. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister het vonnis in de strafzaak had moeten afwachten alvorens het besluit te nemen.

5. Het oordeel van de rechtbank dat niet in geschil is dat [appellant] in voormelde strafzaak door de politierechter is veroordeeld tot betaling van een onvoorwaardelijke geldboete van € 800,00 is in hoger beroep niet bestreden.

5.1. Bij besluit van de minister van 1 april 2015 tot wijziging van de Handleiding (Stcrt. 2015, 9757) is het boetebedrag waaronder niet wordt aangenomen dat een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van de Handleiding verhoogd naar € 810,00.

5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister het besluit heeft gebaseerd op de openstaande strafzaak tegen [appellant] en niet op de door de politierechter opgelegde boete. De minister heeft zich in het besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat die strafzaak voor misdrijven die zijn bedreigd met gevangenisstraffen van ten hoogste drie en twee jaar of een geldboete van de vierde categorie aan inwilliging van het verzoek in de weg staat. Dat het vonnis van de politierechter geen grond meer zou vormen voor afwijzing van een naturalisatieverzoek van [appellant] wanneer daarop na de wijziging van de Handleiding wordt beslist, doet daaraan niet af. Nu, naar niet in geschil is, ten tijde van het besluit slechts duidelijk was dat [appellant] voor voormelde strafbare feiten door het Openbaar Ministerie zou worden gedagvaard, maar niet duidelijk was wanneer de strafzaak zou worden behandeld, bestond reeds daarom voor de minister geen grond om het vonnis van de politierechter af te wachten alvorens het besluit te nemen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016

412.