Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201505321/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2012 heeft de korpschef beslist op het verzoek van [appellant sub 2] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505321/1/A3.

Datum uitspraak: 20 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de korpschef van politie, gevestigd te Amsterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te Purmerend,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2015 in zaak nr. 13/1462 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de korpschef.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2012 heeft de korpschef beslist op het verzoek van [appellant sub 2] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob).

Bij besluit van 1 februari 2013 heeft de korpschef het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 februari 2013 vernietigd voor zover het betreft het niet verstrekken van de gegevens die worden bedoeld met het ‘RICO-formulier’ of de ‘radarverzamelstaat’, het besluit van 22 november 2012 in zoverre herroepen, bepaald dat de korpschef aan [appellant sub 2] de proceskosten vergoedt van € 490,00 voor de behandeling in bezwaar en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de korpschef hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2016, waar de korpschef van politie, vertegenwoordigd door mr. S. Fransen-Rabbering, werkzaam bij de politie, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 25 oktober 2012 heeft [appellant sub 2] op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van alle informatie die betrekking heeft op de verkeersovertreding met zaaknummer […] en fotofilmnummer […], maar in elk geval de in het verzoek onder 13 punten genoemde documenten. Bij het besluit van 22 november 2012 heeft de korpschef het verzoek deels ingewilligd en voor zover van toepassing beoordeeld aan de hand van de Wet politiegegevens. De korpschef heeft bij dit besluit onder andere te kennen gegeven dat een radarverzamelstaat niet aanwezig is. Bij brief van 23 november 2012 heeft [appellant sub 2] bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit, nu ten onrechte geen certificaat van bekwaamheid is overgelegd, geen akte of proces-verbaal van beëdiging, geen radarverzamelstaat of RICO-formulier, geen logfile en geen informatie over het onderhoud van de gebruikte apparatuur. Hij verzoekt hierbij tevens om vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De minister heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de door [appellant sub 2] aangehaalde documenten niet in zijn bezit zijn en derhalve niet kunnen worden verstrekt.

2. De korpschef betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd heeft geoordeeld dat geen misbruik van recht is gemaakt. Hij voert hiertoe aan dat in deze zaak al in de aanvraagfase evident sprake was van kwade trouw en dat de procedure voor een ander doel werd ingezet dan waarvoor de bezwaar- en beroepsprocedure zijn bedoeld.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1585), laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een

Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

2.2. Uit het Wob-verzoek van [appellant sub 2] blijkt dat hij heeft verzocht om openbaarmaking van alle informatie die betrekking heeft op de verkeersovertreding met zaaknummer […] en fotofilmnummer […], maar in elk geval de in het verzoek onder 13 punten genoemde documenten. Hieronder vallen bijvoorbeeld een certificaat van bekwaamheid, aktes of processen-verbaal van beëdiging, een radarverzamelstaat of RICO-formulier, logfiles en informatie over het onderhoud van de gebruikte apparatuur. De Afdeling heeft [appellant sub 2] opgeroepen om in persoon ter zitting te verschijnen om door hem nader geïnformeerd te worden over de achtergrond van het ingediende Wob-verzoek. Hij heeft aan deze oproeping geen gehoor gegeven, hoewel hij hiertoe ingevolge artikel 8:27 van de Awb verplicht was. Aldus is de Afdeling verhinderd om hem vragen te stellen over de achtergronden van zijn Wob-verzoek. Ook zijn [gemachtigde] is niet ter zitting verschenen. Nu [appellant sub 2] geen plausibele verklaring heeft gegeven over de achtergronden van zijn Wob-verzoek, is het doel dat hij met dit verzoek heeft niet duidelijk. Deze onduidelijkheid dient, nu hij niet in persoon ter zitting is verschenen, voor rekening en risico van [appellant sub 2] te komen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het onaannemelijk is dat het Wob-verzoek is ingediend in verband met het door de Wob beoogde doel zoals omschreven onder 2.1.

De Afdeling betrekt daarbij dat [appellant sub 2] zich heeft laten vertegenwoordigen door [gemachtigde]. [gemachtigde] voert als rechtsbijstandverlener vele procedures betreffende verkeersboetes, informatieverzoeken met een beroep op de Wob en het niet tijdig nemen van besluiten. Daarin is wegens zijn handelwijze meermalen geoordeeld dat daarbij misbruik van recht is gemaakt, onder meer in de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4135, 6 mei 2015 ECLI:NL:RVS:2015:1453 en ECLI:NL:RVS:2015:1465, 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1824 en 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3587. Gezien de kennis en ervaring van [gemachtigde] moet er van worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek ertoe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan in geval van niet-tijdige besluitvorming aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Dit wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest de informatieverzoeken op de Wob te baseren.

Verder heeft [gemachtigde] in deze zaak namens [appellant sub 2] een machtiging van 23 oktober 2012 overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat [gemachtigde] op ‘no cure no pay’-basis procedeert. Een dergelijke wijze van rechtsbijstandverlening maakt de rechtsbijstandverlener rechtstreeks gebaat bij het verbeuren van dwangsommen door het bestuursorgaan aan zijn cliënten en bij een veroordeling van het bestuursorgaan tot betaling van een proceskostenvergoeding aan zijn cliënten.

2.3. Uit het voorgaande volgt dat de korpschef terecht betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Er is misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik door [gemachtigde] van de bevoegdheid om beroep namens [appellant sub 2] in te stellen, nu dat beroep niet los kan worden gezien van het doel waarvoor de Wob is gebruikt. De handelwijze van [gemachtigde] moet aan [appellant sub 2] worden toegerekend, aangezien [gemachtigde] de handelingen namens hem heeft verricht en hij hem daartoe heeft gemachtigd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep van de korpschef is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 1 februari 2013 alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Gelet hierop is het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2], gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2015 in zaak nr. 13/1462;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Veenboer

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016

730.