Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2033

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201507185/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:6982, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft het college aan de gemeente Eijsden-Margraten een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van veertien lichtmasten ten behoeve van sportveldverlichting op het perceel President Kennedystraat 40 te Margraten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507185/1/A1.

Datum uitspraak: 20 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Margraten, gemeente Eijsden-Margraten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 augustus 2015 in zaak nr. 15/1262 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft het college aan de gemeente Eijsden-Margraten een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van veertien lichtmasten ten behoeve van sportveldverlichting op het perceel President Kennedystraat 40 te Margraten (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 10 juli 2014 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 17 augustus 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.J.E.H.M. Reijnders, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] woont op het perceel [locatie] te Margraten. Vanuit zijn woning bezien, ligt aan de overzijde van de Bernhardlaan het sportcomplex van RKVVM. De bij besluit van 10 juli 2014 verleende omgevingsvergunning voorziet in het plaatsen van veertien lichtmasten ten behoeve van sportveldverlichting op het sportcomplex. Acht lichtmasten met een hoogte van 15 m zullen worden geplaatst rond veld 1 dat grenst aan de Bernhardlaan. De overige zes lichtmasten hebben een hoogte van 12 m en zullen worden geplaatst rondom het meer noordelijk gelegen veld 3. [appellant] vreest dat de plaatsing van de lichtmasten zijn woon- en leefklimaat zal aantasten. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat er geen gronden zijn waarop het college de aangevraagde omgevingsvergunning kon weigeren, zodat het college gehouden was de omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank is om die reden niet toegekomen aan een beoordeling van het in opdracht van de gemeente door Copier Zuid B.V. uitgevoerde "Lichtplan en lichthinderonderzoek" van 25 juni 2015 (hierna: het lichtplan) dat deel uitmaakt van het besluit van 10 juli 2014. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van een onderzoek naar het effect van de lichtsterkte in voortuinen en een nabijgelegen groenstrook. [appellant] is het hiermee niet eens.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, richt zich niet tegen de overweging van de rechtbank dat de aanvraag om omgevingsvergunning voldoet aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Multifunctionele accommodatie Margraten" (hierna: het bestemmingsplan), het Bouwbesluit 2012, de Bouwverordening Eijsden-Margraten 2012 en de redelijke eisen van welstand, zodat zich geen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voordoet. Omdat een gevraagde omgevingsvergunning slechts kan worden geweigerd als zich één of meer van deze weigeringsgronden voordoen en nu daarvan niet is gebleken, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college voor het bouwplan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo moest verlenen en was er voor een nadere afweging van de betrokken belangen geen plaats. Aan een bespreking van de stelling van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er in het lichtplan ten onrechte van uit wordt gegaan dat het perceel is gelegen in een Woongebied (gebied E3) als bedoeld in de "Algemene richtlijn betreffende lichthinder, deel 1, Algemeen en grenswaarden voor sportverlichting" uit 1999, opgesteld door de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (hierna: NSVV), wordt daarom niet toegekomen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zij niet kan treden in de beoordeling van het lichtplan.

3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 10 juli 2014, dat bij besluit van 9 maart 2015 in stand is gelaten, ten onrechte voorziet in het vervangen van de lichtmasten, omdat de bestaande lichtmasten in het verleden zonder een daartoe verleende omgevingsvergunning zijn geplaatst. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen moest het college de gevraagde omgevingsvergunning verlenen. Wat er zij van het gebruik van het woord 'vervangen' in het besluit van 10 juli 2014, bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet had mogen verlenen.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen, omdat ten tijde van de aanvraag en het nemen van het besluit van 10 juli 2014, dat bij besluit van 9 maart 2015 in stand is gelaten, voldoende aannemelijk was dat de plaatsing van de lichtmasten een nadelige invloed zou hebben op beschermde flora en fauna, zodat tevens ontheffing als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de Flora- en Faunawet was vereist. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij geen enkele concrete aanduiding heeft gegeven van de plant- of diersoorten die nadelig zouden worden beïnvloed. Hij voert aan dat in de toelichting op het bestemmingsplan is opgenomen dat houtsingels een potentiële habitat voor beschermde soorten zijn en dat aan de Prins Bernhardlaan een houtsingel is gelegen die grenst aan Veld 1. Daarnaast is in de plantoelichting opgenomen dat nagenoeg alle vleermuissoorten gevoelig zijn voor lichtverstoring en wordt geadviseerd om nabij de houtsingel geen dan wel spaarzaam verlichting aan te brengen. Lage armaturen met wit licht die naar beneden uitstralen vormen geen belemmering voor vleermuizen en zouden volgens de plantoelichting wel gebruikt kunnen worden. De verleende omgevingsvergunning voorziet echter in de plaatsing van lichtmasten met een hoogte van 12 m tot 15 m en een hoge lichtsterkte, aldus [appellant].

4.1. Ingevolge artikel 75b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Flora- en Faunawet is afdeling 2a van die wet van toepassing op handelingen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en die tevens zijn aan te merken als handelingen waarvoor één of meer van de in het artikel gestelde verboden gelden en ten aanzien waarvan de minister op grond van artikel 75, derde lid, bevoegd is ontheffing te verlenen.

Ingevolge artikel 75d van de Flora- en Faunawet wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handeling als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, niet verleend dan nadat de minister heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo.

4.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich in het besluit van 9 maart 2015 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de plaatsing van de lichtmasten geen handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, van de Flora- en Faunawet omvatte, zodat geen verklaring van geen bedenkingen was vereist alvorens de omgevingsvergunning kon worden verleend. De door [appellant] aangehaalde gedeelten uit de plantoelichting geven geen aanleiding voor een ander oordeel. In de plantoelichting is slechts opgenomen dat houtsingels een potentiële habitat bieden voor beschermde soorten. Met de enkele verwijzing naar deze plantoelichting is de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermingswaardige natuurwaarden in de houtsingel echter niet aannemelijk gemaakt. Voorts is volgens de plantoelichting in september 2009 een veldonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd, waarbij geen vleermuizen zijn waargenomen die een specifieke binding hebben met of verblijfplaats in het onderzochte gebied. [appellant] heeft niet gesteld dat dit thans anders is. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank in dit verband ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat de effecten van de lichtmasten in het kader van het bestemmingsplan zijn afgewogen. Dat de bij de totstandkoming van het bestemmingsplan gemaakte afweging is gebaseerd op de lichtsterkte van toenmalige lichtmasten en dat de thans vergunde lichtmasten, naar [appellant] stelt, een veel hogere lichtsterkte hebben, maakt dat niet anders. Daarbij is van belang dat het college ter zitting heeft verklaard dat deze hogere lichtsterkte vanwege de hogere kwaliteit van de lampen beter kan worden afgesteld dan in de bestaande situatie, zodat niet meer lichthinder door strooilicht zal ontstaan. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hogere lichtsterkte desondanks zal leiden tot zodanige effecten op de natuurwaarden dat thans een verklaring van geen bedenkingen op grond van de Flora- en Faunawet is vereist.

Het betoog faalt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

w.g. Hagen w.g. Duifhuizen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016

724.