Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201502272/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:1008, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2013 heeft Octrooicentrum Nederland een door Nestec ingediend verzoek tot herstel in de vorige toestand van het op haar naam gestelde Europees octrooi nr. 2316310, dat per 1 december 2012 is vervallen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502272/1/A3.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht Nestec S.A., gevestigd te Vevey (Zwitserland),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 februari 2015 in zaak nr. 14/2343 in het geding tussen:

Nestec

en

Octrooicentrum Nederland.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2013 heeft Octrooicentrum Nederland een door Nestec ingediend verzoek tot herstel in de vorige toestand van het op haar naam gestelde Europees octrooi nr. 2316310, dat per 1 december 2012 is vervallen, afgewezen.

Bij besluit van 6 februari 2014 heeft Octrooicentrum Nederland het door Nestec daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 februari 2015 heeft de rechtbank het door Nestec daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Nestec hoger beroep ingesteld.

Octrooicentrum Nederland heeft een verweerschrift ingediend.

Nestec heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2015, waar Nestec, vertegenwoordigd door mr. W.E. Pors, bijgestaan door mr. P. van Gemert, beiden advocaat te Den Haag, en Octrooicentrum Nederland, vertegenwoordigd door mr. C. Witteman, bijgestaan door ir. J.W. Meewisse, beiden werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 62 van de Rijksoctrooiwet 1995 (hierna: de Row 1995) vervalt een octrooi van rechtswege, wanneer de in artikel 61 genoemde bedragen niet binnen zes kalendermaanden na de daar genoemde vervaldag zijn betaald.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, wordt, indien de aanvrager of de houder van een Europees octrooi, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest een termijn ten opzichte van het Octrooicentrum Nederland in acht te nemen, op zijn verzoek door het Octrooicentrum Nederland de vorige toestand hersteld, indien het niet in acht nemen van de termijn ingevolge de Row 1995 rechtstreeks heeft geleid tot het verlies van enig recht of rechtsmiddel.

2. Nestec was rechthebbende van het Europees octrooi nr. 2316310. Zij heeft het bedrijf CPA Global Limited ingeschakeld voor de betaling van de verschuldigde jaartaksen aan Octrooicentrum Nederland. Op 2 mei 2012 was in de digitale systemen van CPA het octrooi opgenomen onder vermelding van de verleningsdatum 16 mei 2012. In deze systemen stond voorts vermeld dat op uiterlijk 31 mei 2012 de verschuldigde jaartaks diende te worden betaald.

Op 10 mei 2012 heeft CPA de betaling van deze jaartaks aangeboden bij Octrooicentrum Nederland door het indienen van een verzoek tot afboeking van de depotrekening die CPA bij Octrooicentrum Nederland heeft. Dit aanbod is vervolgens door Octrooicentrum Nederland in behandeling genomen.

Omdat de verlening van het octrooi nog niet in de systemen van Octrooicentrum Nederland was geregistreerd en nog niet in werking was getreden, heeft Octrooicentrum Nederland op 16 mei 2012 een bericht "verslag verwerking betaalopdracht" met "Report date: 10/05/2012" aan CPA verzonden met de mededeling "no annual fee is pending in database" en heeft het de verschuldigde jaartaks teruggestort.

[medewerkster], werkzaam bij CPA als verwerker, heeft het bericht op 24 mei 2012 behandeld. Omdat zij aannam dat het octrooi nog niet was verleend heeft zij de verleningsdatum van het octrooi uit de database verwijderd. Zij heeft geen opdracht gegeven de jaartaks opnieuw te betalen. Heather Brown, werkzaam bij CPA als supervisor, heeft de werkzaamheden van voornoemde Maine gecontroleerd aan de hand van een kopie van het bericht en het bij CPA berustende elektronische dossier. Brown heeft de controle vervolgens afgevinkt op een lijst waarop de weigeringen van aan Octrooicentrum Nederland betaalde jaartaksen staan. Daarbij heeft zij niet opgemerkt dat de verleningsdatum 16 mei 2012 van het octrooi was verwijderd. Zij heeft niet alsnog instructie gegeven de jaartaks voor het octrooi opnieuw te betalen.

Octrooicentrum Nederland heeft vervolgens in het octrooiregister aangetekend dat het aan Nestec verleende octrooi ingevolge artikel 62 van de Row 1995 van rechtswege was vervallen, omdat de jaarlijkse instandhoudingstaks van het octrooi niet tijdig was betaald.

3. Octrooicentrum Nederland heeft aan de besluiten van 7 augustus 2013 en 6 augustus 2014 ten grondslag gelegd dat Nestec niet heeft voldaan aan de in artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 neergelegde zorgvuldigheidseis met als motivering dat Maine ten onrechte op basis van het bericht van 16 mei 2012, waaruit de restitutie van de betaling door Octrooicentrum Nederland bleek, de octrooigegevens, waaronder de verleningsdatum, uit het systeem heeft verwijderd. Brown heeft deze fout van Maine, bij de door haar verrichte controle niet opgemerkt. Volgens Octrooicentrum Nederland is de fout van Maine niet verontschuldigbaar gelet op het feit dat Maine op 24 mei 2012, naar aanleiding van het bericht van 16 mei 2012, heeft geconcludeerd dat het octrooi nog niet was verleend, hoewel zowel in het eigen systeem als dat van het Europees Octrooibureau was vermeld dat het octrooi op 16 mei 2012 was verleend. Dat Maine de octrooigegevens, waaronder de verleningsdatum, heeft verwijderd zonder dat is gebleken dat een en ander was onderzocht, acht Octrooicentrum Nederland niet getuigen van zorgvuldig handelen. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is niet gebleken, aldus Octrooicentrum Nederland.

4. Door partijen is de vraag opgeworpen of de bestuursrechter bevoegd is om te beoordelen of Octrooicentrum Nederland terecht in zijn registers heeft opgenomen dat het octrooi van rechtswege is vervallen.

4.1. Het aantekenen in het octrooiregister dat een octrooi van rechtswege is vervallen, is een feitelijke handeling. Indien Octrooicentrum Nederland, zoals Nestec stelt, ten onrechte heeft aangenomen dat aan de voorwaarde voor het verval van het octrooi is voldaan, dient Octrooicentrum Nederland dat te corrigeren. Het corrigeren van een kennelijke onjuistheid in het octrooiregister is een feitelijke handeling waartegen geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 19 november 2014 in zaak nr. 201308914/1/A3 heeft overwogen, is uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd kennis te nemen van een rechtsvordering tot correctie van het octrooiregister. Hieruit volgt dat de bestuursrechter evenmin bevoegd is te beoordelen, of Octrooicentrum Nederland terecht in zijn registers heeft opgenomen dat het octrooi van rechtswege is vervallen. De burgerlijke rechter is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, uitsluitend bevoegd hierover te oordelen.

5. Nestec betoogt dat de rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd heeft overwogen dat de handelingen van CPA aan haar moeten worden toegerekend. Zij voert hiertoe aan dat de Row 1995 en de wetsgeschiedenis geen steun bieden voor toerekening van het handelen van CPA aan Nestec. Daarnaast bestaat er volgens Nestec geen algemeen rechtsbeginsel waarbij gedragingen van hulppersonen worden toegerekend aan opdrachtgevers. Voorts doet zich geen ongelijke behandeling voor indien toerekening achterwege wordt gelaten, aldus Nestec.

5.1. Nestec heeft aan CPA opdracht verleend om namens haar de betaling van de verschuldigde jaartaksen aan Octrooicentrum Nederland te voldoen. Artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 is, evenals daarvoor artikel 17A van de Rijksoctrooiwet (oud), gelijkluidend aan artikel 122 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (hierna: Europees octrooiverdrag). In de memorie van toelichting bij de Rijkswet tot goedkeuring van het Europees octrooiverdrag (Kamerstukken II 1975-1976, 13 899 (R1013), nr. 3, blz. 45), is over artikel 122 vermeld:

"Als handelingen van de aanvrager of octrooihouder zijn ook die van de vertegenwoordiger aan te merken, zodat het verlies van rechten ten gevolge van het optreden van de vertegenwoordiger alleen hersteld kan worden ingeval deze vertegenwoordiger de vereiste zorgvuldigheid heeft in acht genomen".

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Row 1995 en, daarvoor, de Rijksoctrooiwet, volgt dat beoogd is zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bepalingen van het Europees octrooiverdrag. Zo is artikel 17A van de Rijksoctrooiwet ontleend aan het Europees octrooiverdrag (Kamerstukken II 1974/75, 13 209 (R967), nr. 3, blz. 37) en is artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 in de Row 1995 opgenomen, nadat tijdens de parlementaire behandeling uitdrukkelijk is gewezen op artikel 122 van het Europees octrooiverdrag (Kamerstukken II 1992-1993, 22 604 (R 1435), nr. 8, blz. 6). Dit brengt met zich dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het niet tijdig betalen van de jaartaks door CPA moet worden toegerekend aan Nestec. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat een ander oordeel er toe leidt dat bij een verzoek om herstel in de vorige toestand de octrooihouder die de betaling van de jaartaks niet heeft uitbesteed in een nadeliger positie zou komen te verkeren dan de octrooihouder die dat wel heeft gedaan.

Het betoog faalt.

6. Nestec betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat Octrooicentrum Nederland een fout heeft gemaakt en dat van haar, althans CPA, niet verlangd mocht worden dat zij deze fout van Octrooicentrum Nederland opving. Deze fout betreft het op 16 mei 2012 ten onrechte retourneren van de aangeboden jaartaks onder de vermelding "no annual fee is pending in database". De datum 16 mei 2012 was namelijk de datum van publicatie van de vermelding van de verlening van het octrooi. Op 16 mei 2012 had nogmaals gecontroleerd moeten worden of de feitelijke situatie nog overeenstemde met de op 10 mei 2012 vastgestelde situatie. In dat verband voert Nestec aan dat Maine mocht vertrouwen op het bericht van Octrooicentrum Nederland van 16 mei 2012, dat op die datum geen jaartaks "pending" was en hieruit mocht concluderen dat de datumvermelding in het systeem onjuist moet zijn geweest. Gelet hierop heeft Octrooicentrum Nederland haar ten onrechte het verwijt gemaakt dat medewerker Maine onvoldoende controle heeft uitgevoerd, aldus Nestec.

6.1. Artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 is dwingendrechtelijk geformuleerd. Herstel in de oude toestand moet plaatsvinden indien de aanvrager of de houder van een Europees octrooi, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest een termijn in acht te nemen. Artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 biedt geen ruimte voor een belangenafweging. Wil een beroep op artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 slagen dan is het aan de octrooihouder om aan te tonen dat hij alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid heeft betracht.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 28 augustus 2013 in zaak nr. 201207255/1/A3), moet artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 aldus worden uitgelegd dat, om die bepaling te kunnen toepassen, behalve een adequaat controlesysteem en competent personeel, van verontschuldigbare omstandigheden sprake moet zijn en geen verwijt kan worden gemaakt aan degene die de misslag heeft begaan.

6.3. In het verweerschrift en ter zitting van de Afdeling heeft Octrooicentrum Nederland uiteengezet hoe in het administratief systeem aangeboden betalingen worden verwerkt. Octrooicentrum Nederland kijkt naar de dag waarop de betaling is ontvangen. Op basis van de feitelijke situatie op die dag wordt een bericht opgesteld, voorzien van een "Report date". De "Report date: 10/05/2012" houdt in dat gekeken is naar de feitelijke situatie op 10 mei 2012. Dat bericht is vervolgens aan de partij gezonden die de betaling heeft aangeboden. In dit geval is de betaling door CPA aangeboden op 10 mei 2012. Deze betaling is op 16 mei 2012 gecontroleerd. Zoals onder 2 is vermeld, was de verlening van het octrooi op 10 mei 2012 nog niet in de systemen van Octrooicentrum Nederland geregistreerd, omdat het octrooi pas op 16 mei 2012 in werking zou treden. Daarom heeft Octrooicentrum Nederland op 16 mei 2012 het bericht "verslag verwerking betaalopdracht" met "Report date: 10/05/2012" aan CPA verzonden met de mededeling "no annual fee is pending in database" en heeft het de verschuldigde jaartaks teruggestort.

Anders dan Nestec stelt, kan het op 16 mei 2012 retourneren van de aangeboden jaartaks niet worden aangemerkt als een fout van Octrooicentrum Nederland. Op 16 mei 2012 is gekeken naar de feitelijke situatie op 10 mei 2012. Het octrooi was toen nog niet verleend, zodat Octrooicentrum Nederland, uitgaande van die datum, de aangeboden jaartaks heeft mogen terugstorten. Voorts was Octrooicentrum Nederland niet gehouden om de aangeboden betaling onder zich te houden totdat het octrooi daadwerkelijk was verleend. Door Octrooicentrum Nederland is onweersproken toegelicht dat zij maandelijks ongeveer € 7.000.000,- aan betalingen krijgt aangeboden die allemaal moeten worden verwerkt en waarbij betalingen die niet direct gekoppeld zijn aan een verleend octrooinummer handmatig dienen te worden uitgezocht.

De foutieve verwijdering uit het systeem van een verleningsdatum van het octrooi door medewerker Maine op grond van de constatering dat een te vroeg aangeboden jaartaks wordt teruggestort omdat het octrooi nog niet is gepubliceerd en in werking getreden, is een voorzienbare fout, die ook gemaakt kan worden door goed ingewerkte en normaliter zorgvuldig werkende medewerkers. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is niet gebleken dat bij CPA een specifiek daarop gerichte administratieve controle heeft plaatsgevonden. Maine heeft nagelaten te onderzoeken of de verleningsdatum juist was, bijvoorbeeld door contact hierover op te nemen met Octrooicentrum Nederland. Voorts is niet aangetoond dat de controle door Brown op de werkzaamheden van Maine mede zag op de mogelijkheid, dat ten onrechte de verleningsdatum van het octrooi uit het systeem was verwijderd. Van CPA mocht worden verwacht dat het administratief systeem zo was ingericht, dat het niet mogelijk was om zonder autorisatie van een hogergeplaatste medewerker dit essentiële gegeven te verwijderen. Daardoor ontbrak een adequaat controlesysteem.

Gelet hierop heeft Nestec niet aannemelijk gemaakt dat het administratieve systeem van CPA voorzag in een deugdelijke controle op voorzienbare fouten die ook gemaakt kunnen worden door goed ingewerkte, ervaren en normaliter zorgvuldig werkende medewerkers.

Hoewel voorstelbaar is, dat door het bericht "verslag verwerking betaalopdracht" met "Report date: 10/05/2012" van 16 mei 2012 twijfel bij medewerker Maine kon ontstaan, staat het verwijderen van alle octrooigegevens, waaronder de verleningsdatum door haar, in een te ver verwijderd verband daarmee om deze twijfel als een verontschuldigbare omstandigheid aan te merken die het niet betalen van de jaartaks verschoonbaar maakt.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat Octrooicentrum Nederland zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid is betracht. Derhalve heeft Octrooicentrum Nederland het verzoek van Nestec terecht afgewezen. Het betoog faalt.

7. Nestec betoogt voorts dat Octrooicentrum Nederland door haar verzoek af te wijzen in strijd met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. In andere gevallen waarin door bedrijven minder zorgvuldig dan door haar in dit geval is gehandeld, is het verzoek tot herstel wel toegewezen. Bovendien worden fouten door octrooihouders die niet gebruik maken van een deskundige derde eerder verontschuldigbaar geacht. Nestec verwijst in dat verband naar drie besluiten van Octrooicentrum Nederland van 11 maart 2015, 30 juli 2014 en 25 juli 2014.

7.1. In het besluit van 11 maart 2015 ging het om een zaak waarin door een medewerker van het door de octrooihouder ingeschakelde betalingskantoor een fout was gemaakt. Deze fout bestond hieruit, dat op een lijst het Europees octrooi als vervallen was vermeld, terwijl in een voetnoot stond dat de onderliggende nationale octrooien wel van kracht moesten blijven. Octrooicentrum Nederland achtte het verontschuldigbaar dat de medewerker die voetnoot over het hoofd had gezien. Daarbij waren persoonlijke omstandigheden van de betrokken medewerker van invloed. Voorts werd in die zaak door Octrooicentrum Nederland in aanmerking genomen dat het administratief systeem goed werkte. Zoals onder 6.3. is overwogen, ontbrak bij Nestec, althans haar octrooigemachtigde, een adequaat controlesysteem. Ook deden zich bij Nestec geen bijzondere persoonlijke omstandigheden van de betrokken medewerkers voor. Verder is het verwijderen van het octrooi uit het systeem een ernstiger fout dan het over het hoofd zien van een voetnoot. De onderhavige zaak is derhalve niet gelijk te stellen met dat geval.

In het besluit van 30 juli 2014 heeft Octrooicentrum Nederland het niet tijdig betalen van de jaartaks eveneens verontschuldigbaar geacht. Daartoe achtte Octrooicentrum Nederland van belang dat het octrooi was overgenomen van een andere octrooihouder. Bij verlening van een octrooi ontvangt de octrooihouder een begeleidend schrijven waarin op de betalingsplicht wordt gewezen. Nu het octrooi niet aan verzoeker was verleend, die het octrooi immers had overgenomen, heeft deze die brief niet ontvangen. Voorts kon Octrooicentrum Nederland niet meer achterhalen of, en naar welk adres, betalingsherinneringen waren gezonden, zodat niet viel uit te sluiten dat ook deze betalingsherinneringen naar de voormalig octrooihouder zijn gezonden. Voorts heeft Octrooicentrum Nederland van belang geacht dat de voormalig octrooihouder een particulier zonder octrooigemachtigde was en deze bij de overdracht van het octrooi niet was ingelicht over de te betalen taks. Ook in die zaak is niet geoordeeld dat een adequaat controlesysteem ontbrak. Gelet hierop kan de onderhavige zaak niet met dat geval gelijk worden gesteld.

In het besluit van 25 juli 2014 heeft Octrooicentrum Nederland het niet tijdig betalen van de jaartaks verontschuldigbaar geacht. Daartoe achtte Octrooicentrum Nederland van belang dat niet meer kon worden achterhaald of de betalingsherinneringen wel naar het juiste adres waren verzonden, omdat de hoofdaanvrager van het octrooi inmiddels was verhuisd en de verhuurder de post niet had doorgezonden. Daarnaast deden zich persoonlijke omstandigheden voor, bestaande uit een verhuizing van het kantoor, ernstige ziekte bij de compagnon en diefstal van producten, hetgeen tezamen voor lichamelijke en geestelijke problemen had gezorgd. Daarnaast speelde een rol dat bij de overdracht van het octrooi niet was gewezen op de jaarlijkse betalingsplicht. Nu ook hier persoonlijke omstandigheden ten grondslag zijn gelegd aan de toewijzing van het verzoek tot herstel in de oude toestand, en niet is geoordeeld dat een adequaat controlesysteem ontbrak, is de onderhavige zaak daarmee niet gelijk te stellen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat Nestec niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om rechtens gelijke gevallen, zodat zich geen strijd met het gelijkheidsbeginsel voordoet en evenmin het verbod van willekeur is geschonden.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Langeveld-Mak

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

317-818.