Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2023

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201508794/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Stationsbuurt" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508794/1/R4.

Datum uitspraak: 20 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Den Haag,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Stationsbuurt" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2016, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door drs. M. Houtman en mr. R. Sakkee, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Achtergrond

1. Het plan beoogt de bestaande ruimtelijke situatie in de Stationsbuurt te Den Haag vast te leggen. Tot het plangebied behoort onder andere het Groenewegje. [appellant] en anderen wonen aan deze weg. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan omdat zij vrezen dat door het plan meer en zwaardere horeca zich zal vestigen aan het Groenewegje, wat volgens hen onder andere zal leiden tot een verslechtering van hun woon- en leefklimaat, een waardedaling van hun woningen en een aantasting van het beschermd stadsgezicht.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Formele bezwaren

3. [appellant] en anderen betogen dat de raad een onrechtmatige procedure tot vaststelling van het plan heeft gevoerd.

Zij voeren aan dat het plangebied van het ontwerp van het plan na de terinzagelegging is gesplitst en de planregels zijn gewijzigd, zonder dat hiervoor een nadere motivering is gegeven. Volgens hen had de raad de aangepaste verbeelding en de gewijzigde planregels opnieuw ter inzage moeten leggen, zodat bij hen hierover meer duidelijkheid bestond.

Verder voeren zij aan dat zij in de uitnodiging van 11 september 2015 voor de hoorzitting van 24 september 2015 niet persoonlijk zijn geïnformeerd over de redenen van de splitsing van het plangebied en de behandeling van hun zienswijze, maar dat in die uitnodiging enkel werd volstaan met een verwijzing naar de gemeentelijke website.

3.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] en anderen aldus dat het vastgestelde plan dusdanig is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp dat het plan opnieuw als ontwerp ter inzage had moeten worden gelegd. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van het plan wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen.

Het plangebied in het ontwerp van het plan betrof niet alleen de gronden van de Stationsbuurt maar ook de gronden van het Oude Centrum. Vast staat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. De bestemmingen binnen het plangebied zijn niet ingrijpend gewijzigd. De voornaamste wijziging betreft de verkleining van het plangebied tot het gebied van de Stationsbuurt. De keuze van de raad om het plangebied te beperken tot de gronden van de Stationsbuurt, brengt niet het risico met zich dat derden de mogelijkheid van het naar voren brengen van een zienswijze omtrent aan gronden toe te kennen bestemmingen is ontnomen. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat de gewijzigde vaststelling van het plan naar aard en omvang zo groot is dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld en hiervoor een nieuwe procedure had moeten worden gevolgd. De raad was dan ook niet gehouden de aangepaste verbeelding en de gewijzigde planregels opnieuw ter inzage te leggen.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat de uitnodiging voor de hoorzitting bij de raadscommissie Ruimte geen informatie bevatte over de behandeling van hun zienswijze en dat zij in deze uitnodiging niet persoonlijk zijn geïnformeerd over de redenen van de splitsing van het plangebied, overweegt de Afdeling dat in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen over de behandeling van hun zienswijze in de raadsvergadering dan wel over het voornemen om het plangebied te splitsen. Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat en bij recht toegestane horeca in de categorieën "licht" en "middelzwaar"

4. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Gemengd - 6" voor de percelen 116 tot en met 139 aan het Groenewegje heeft vastgesteld, voor zover ter plaatse van deze percelen horeca wordt toegestaan. Volgens [appellant] en anderen stond het vorige bestemmingsplan "Het Oude Centrum 2003" (hierna: het vorige bestemmingsplan) alleen horeca toe door toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op de betrokken gronden, terwijl het voorliggende plan horeca in de categorieën "licht" en "middelzwaar" bij recht toestaat. Zij vrezen dat door het toestaan van horeca bij recht hun woon- en leefklimaat onaanvaardbaar zal worden aangetast.

4.1. De raad stelt dat hij in juli 2001 beleid heeft vastgesteld voor de ontwikkeling van een internationale eetstraat, de zogenoemde Avenue Culinaire. Daarbij is een deel van het Groenewegje, gelegen tussen de Stationsweg en de Spinozastraat, aangewezen als onderdeel van de Avenue Culinaire. Volgens de raad is in overeenstemming met dit beleid aan het betrokken deel van het Groenewegje horeca in de categorieën "licht" en "middelzwaar" mogelijk gemaakt.

De raad stelt verder dat de bij recht mogelijk gemaakte horeca niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen. In dat kader heeft de raad toegelicht dat het betrokken gebied is aan te merken als een gebied met functiemenging op grond van de Handreiking "Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-handreiking). Voor een dergelijk gebied gelden geen richtafstanden, maar categorieën. De mogelijk gemaakte horeca laat zich volgens de raad het best vergelijken met de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij functiemenging genoemde functies ‘restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen en dergelijke’ (SBI-code 553). De daarbij horende activiteiten vallen volgens de raad in categorie A en leveren geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat voor [appellant] en anderen op.

4.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, onder c, van de planregels, zijn de voor "Gemengd - 6" aangewezen gronden onder meer bestemd voor horeca "licht" en "middelzwaar";

Ingevolge artikel 1, lid 1.57, wordt onder een horeca-inrichting onder de categorie licht verstaan: horeca-inrichtingen, waaraan volgens de bij deze regels behorende ‘Staat van Horeca-categorieën’ de categorie licht wordt toebedeeld. Over het algemeen betreft het horeca-inrichtingen, waarvan de exploitatie aansluit bij winkelvoorzieningen en voornamelijk gericht is op het winkelend publiek en omliggende kantoren. De openingstijden liggen van maandag tot en met zondag tussen 07:00 uur en 23:00 uur. Het aanbieden van vermaak maakt geen onderdeel uit van de exploitatie. Het gaat om horeca-inrichtingen, waarbij de exploitatie onder andere is gericht op:

- het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide maaltijden en etenswaren. Alcoholische dranken worden slechts ondersteunend aan de maaltijd geschonken, of;

- het verstrekken van niet-alcoholische dranken;

Horecavormen die onder deze categorie vallen zijn bijvoorbeeld een lunchroom/broodjeszaak, cafetaria/snackbar, koffieconcept/koffiehuis en ijssalons.

Onder een horeca-inrichting onder de categorie middelzwaar wordt verstaan een horeca-inrichting, waaraan blijkens de bij deze regels behorende ‘Staat van Horeca-categorieën’ de categorie middelzwaar wordt toebedeeld. De openingstijden liggen van maandag tot en met woensdag en zondag tussen 07.00 uur en 02.00 uur en donderdag tot en met zaterdag tussen 07.00 uur en 02.30 uur. Het betreft horeca-inrichtingen, waarbij de exploitatie onder andere is gericht op

- het nuttigen van ter plaatse bereide etenswaren. Alcoholische dranken worden slechts ondersteunend aan de maaltijd geschonken;

- het verstrekken van niet-alcoholische dranken, of

- het verstrekken van alcoholische dranken voor zover de openingstijden zijn beperkt tot 23.00 uur, of

- het aanbieden van vermaak voor zover de openingstijden zijn beperkt tot 23.00 uur.

Een horecavorm die binnen deze categorie valt is bijvoorbeeld een restaurant.

4.3. Op grond van het vorige bestemmingsplan was aan de betrokken percelen de bestemming "Gemengde Doeleinden en Wonen I" toegekend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften van dat bestemmingsplan waren de voor deze bestemming aangewezen gronden bestemd voor woningbouw in de vorm van eensgezins- en meergezinswoningen en bijbehorende voorzieningen, alsmede, voor wat betreft de begane grond, voor zakelijke dienstverlening, handelsdoeleinden niet zijnde detailhandel, ambachtelijke bedrijven en sociaal/culturele- en welzijnsvoorzieningen.

Horecainrichtingen waren toegestaan nadat daarvoor conform het bepaalde in lid 8 het plan was gewijzigd.

Verder waren bedrijfsactiviteiten toegestaan voor zover behorende tot de hindercategorieën 1 en 2, als bedoeld in de Staat van inrichtingen, alsmede naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge lid 8, onder B, in samenhang met de plankaart, waren burgemeester en wethouders bevoegd tot wijziging van de bestemming "Gemengde Doeleinden I en Wonen" om daarin de aanduiding H2 op te nemen teneinde de vestiging van horecainrichting categorie II mogelijk te maken, een en ander voor zover het betrof de gebouwen binnen de op de plankaart opgenomen "horecazone 7", gelegen aan onder andere het Groenewegje (gedeeltelijk), met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. de te vestigen horecainrichting dient in overeenstemming te zijn met het horecabeleid, zoals beschreven in de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 4 en het daarin genoemde concept van "Avenue Culinaire";

[…].

4.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat de bij recht mogelijk gemaakte horeca leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van hun woon- en leefklimaat ten opzichte van het vorige bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In dit geval heeft de raad besloten horeca in de categorieën "licht" en "middelzwaar" op het betrokken deel van het Groenewegje bij recht toe te staan, omdat dit in overeenstemming is met zijn beleid voor de ontwikkeling van de Avenue Culinaire. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

De raad heeft voor de beoordeling of ter plaatse van de omliggende woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd aansluiting gezocht bij SBI-code 553 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij functiemenging op grond van de VNG-handreiking.

De Afdeling overweegt dat in de VNG-handreiking voor gemengde gebieden, waarin milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, het begrip "gebied met functiemenging" gebruikt wordt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. Volgens de VNG-handreiking wordt in gebieden met functiemenging niet gewerkt met richtafstanden. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies wordt in dergelijke gebieden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijk relevante milieucategorieën A, B en C. Voor categorie A geldt dat deze bedrijfsactiviteiten zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. Bedrijfsactiviteiten die onder categorie B vallen, hebben een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Bedrijfsactiviteiten die onder categorie C vallen, zijn toelaatbaar indien zij zijn gesitueerd langs een hoofdweg.

De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het betrokken gebied is aan te merken als een gebied met functiemenging, nu in de directe nabijheid van de woningen van [appellant] en anderen verschillende horecagelegenheden en enkele winkels zijn gevestigd. De Afdeling acht voorts de in dat kader door de raad gemaakte vergelijking tussen de functies "restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen en dergelijke" met SBI-Code 553 en de mogelijk gemaakte horeca in de categorieën "licht" en "middelzwaar" niet onredelijk, omdat beide laatstgenoemde categorieën zich richten op deze vormen van horeca. Nu deze vormen van horeca in de VNG-handreiking onder milieucategorie A in de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij functiemenging vallen en het bij deze milieucategorie gaat om activiteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn dat zij aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bij recht toestaan van horeca in de categorieën "licht" en "middelzwaar" niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen.

De raad heeft derhalve, in overeenstemming met zijn beleid voor de ontwikkeling van de Avenue Culinaire, voor de percelen 116 tot en met 139 aan het Groenewegje in redelijkheid het plandeel met de bestemming "Gemengd - 6" kunnen vaststellen, voor zover ter plaatse van deze percelen horeca in de categorieën "licht" en "middelzwaar" bij recht wordt toegestaan. Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat en afwijkingsbevoegdheid voor het mogelijk maken van horeca in de categorie "zwaar"

5. [appellant] en anderen voeren aan dat het plan ten onrechte een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid bevat voor horeca in de categorie "zwaar" (hierna: de afwijkingsbevoegdheid). Zij vrezen dat dit leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat.

5.1. De raad stelt dat een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor horeca in de categorie "zwaar" voor het Groenewegje is opgenomen voor die horeca-inrichtingen waarbij het accent ligt op het verstrekken van maaltijden maar waarbij na 23.00 uur tevens nog sprake kan zijn van het verstrekken van alcoholische dranken of het aanbieden van vermaak. Het is volgens de raad niet wenselijk dergelijke horeca-inrichtingen uit te sluiten, omdat deze horeca-inrichtingen passen binnen het beleid van de Avenue Culinaire.

Verder stelt de raad dat deze afwijkingsbevoegdheid niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Hij wijst erop dat het vorige bestemmingsplan de mogelijkheid bood om een binnenplanse vrijstelling te verlenen ten behoeve van de vestiging en exploitatie van een recreatie-inrichting. Een aantal functies die onder het begrip recreatie-inrichting vielen zijn qua mogelijke invloed op de omgeving vergelijkbaar met een horeca-inrichting in de categorie "zwaar", aldus de raad. De raad stelt verder dat een bar en een café horeca zijn in de categorie "zwaar" en dat deze vormen van horeca volgens de VNG-handreiking ook in categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij functiemenging vallen, hetgeen betekent dat deze horeca aanpandig aan woningen kan worden gevestigd zonder dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen.

5.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het bevoegd gezag, met inachtneming van de bij het plan te geven regels, bij een omgevingsvergunning kan afwijken van de bij het plan aan te geven regels. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een afwijkingsregeling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt.

Voorts houdt het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid in een bestemmingsplan in dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. De raad dient derhalve bij de vaststelling van de afwijkingsbevoegdheid te onderzoeken of toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in beginsel mogelijk is, waarbij onder meer sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden.

5.3. Ingevolge artikel 7, lid 7.6, van de planregels kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in lid 7.1, onder c, ten behoeve van een horeca-inrichting als bedoeld in categorie "zwaar";

Ingevolge artikel 1, lid 1.57, wordt onder een horeca-inrichting onder de categorie zwaar verstaan horeca-inrichtingen, waaraan blijkens de bij deze regels behorende ‘Staat van Horeca-categorieën’ de categorie zwaar wordt toebedeeld. Het betreft horeca-inrichtingen, waarbij de exploitatie onder andere is gericht op het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken of het aanbieden van vermaak. Horecavormen die binnen deze categorie vallen, zijn bijvoorbeeld een café en een discotheek.

5.4. Met de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk om aan het Groenewegje horeca-inrichtingen op te richten als bedoeld in de categorie "zwaar". De raad heeft ter zitting toegelicht dat, bij de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid, het bevoegd gezag de aanvraag voor een omgevingsvergunning zal toetsen aan het beleid voor de Avenue Culinaire. De Afdeling overweegt dat geen verwijzing naar dit beleid in het plan is vastgelegd. Hierdoor is niet uitgesloten dat eventuele andere vormen van horeca in de categorie "zwaar" worden gevestigd aan het Groenewegje dan de horeca die past binnen het beleid voor de Avenue Culinaire. Ten onrechte is door de raad dan ook geen ruimtelijke afweging verricht waarin deze mogelijke gevolgen van het gebruik van de afwijkingsbevoegdheid voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen zijn bezien.

De stelling van de raad dat het vorige plan functies toestond die leidden tot een vergelijkbare of een grotere aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen dan horeca in de categorie "zwaar", maakt dit niet anders, omdat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet kan volstaan met een verwijzing naar vergelijkbare mogelijkheden die het vorige bestemmingsplan bood, maar opnieuw dient te beoordelen in hoeverre deze planologische mogelijkheden nog in overeenstemming kunnen worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Ook de stelling van de raad dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen, omdat de activiteiten van bars en cafés in de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij functiemenging vallen onder categorie A, maakt dit niet anders, omdat horeca in de categorie "zwaar" zich niet beperkt tot bars en cafés, maar hieronder bijvoorbeeld ook een discotheek of een muziekcafé vallen. De activiteiten van een discotheek of een muziekcafé vallen blijkens de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging onder categorie B. De raad heeft gelet op het voorgaande niet deugdelijk onderzocht of het besluit in zoverre uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.

Gelet daarop heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vaststelling van de afwijkingsbevoegdheid niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

Horecastatus Brasserie aan de Gracht

6. [appellant] en anderen voeren aan dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Gemengd - 6" en de functieaanduiding "horeca tot en met categorie 3" (hierna: de functieaanduiding) voor de percelen Groenewegje 131 en 133, waar de bestaande horeca-inrichting Brasserie aan de Gracht gevestigd is, heeft vastgesteld, voor zover dit plandeel horeca in de categorie "zwaar" mogelijk maakt. Volgens hen is door de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom op deze percelen is voorzien in horeca in de zwaarste categorie, terwijl op grond van het vorige bestemmingsplan op deze percelen horeca tot en met categorie II was toegestaan. Zij vrezen dat het toestaan van horeca in de zwaarste categorie op deze locatie zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat.

6.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.5, van de planregels gelden ter plaatse van de gronden met de bestemming "Gemengd - 6" de volgende specifieke gebruiksregels:

a. dienstverlening en horeca zijn uitsluitend op de beganegrondlaag toegestaan;

b. ter plaatse van de functie-aanduiding "horeca zwaar" (h≤3) is horeca in de categorie "zwaar" toegestaan;

c. horeca-inrichtingen in de categorie "zwaar" aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, blijven toegestaan;

d. (…);

[…].

6.2. De raad heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat Brasserie aan de Gracht een bestaande legale horeca-vestiging is die past binnen het gemeentelijke beleid voor de Avenue Culinaire, omdat het accent ligt op het verstrekken van maaltijden. Omdat deze horeca-inrichting tot 01:00 uur geopend is en daarnaast alcoholische dranken worden verstrekt die niet ondergeschikt zijn aan de maaltijd, valt deze brasserie in de horecacategorie "zwaar". Om die reden is volgens de raad aan de gronden waar deze brasserie is gevestigd de genoemde functieaanduiding toegekend.

De Afdeling acht het op zichzelf aanvaardbaar dat de raad een bestaande legale situatie als zodanig wil bestemmen. Evenwel is het door de toekenning van deze functieaanduiding mogelijk dat op deze locatie andere horeca in de categorie "zwaar" kan worden opgericht. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 5.4, overweegt de Afdeling dat door de raad niet is onderzocht of op de betrokken locatie horeca in de categorie "zwaar" uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.

Gelet hierop heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen door de toekenning van het plandeel met de bestemming "Gemengd - 6" en de functieaanduiding "horeca tot en met categorie 3" aan de percelen Groenewegje 131 en 133 niet onaanvaardbaar zal worden aangetast. Het besluit is in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

Beschermd stadsgezicht en gemeentelijke monumentale panden

7. [appellant] en anderen betogen dat het toestaan van horeca aan het Groenewegje zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het beschermd stadsgezicht en van de aldaar gesitueerde gemeentelijke monumentale panden.

7.1. Aan de gronden van de percelen Groenewegje 116 tot en met 139 is naast de bestemming "Gemengd - 6" de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden, naast de daar voorkomende bestemming als bedoeld in de artikel 3 tot en met 18, mede bestemd voor behoud en bescherming van cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht Centrum Den Haag, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit Rijksbeschermd stadsgezicht ’s-Gravenhage bijlagen 4, 5 en 6 van het plan.

Ingevolge lid 19.2, gelden voor het bouwen binnen de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" de volgende regels:

a. het bouwen moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in lid 19.1, die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan aanwezig waren, en nadat hierover advies is ingewonnen van de Commissie als bedoeld in artikel 1, lid 9, van de Monumentenverordening Den Haag;

b. het bepaalde onder a. heeft voorrang op de bouw- en afwijkingsregels, indien sprake is van strijdigheid daarmee;

c. daar waar op de plankaart een goothoogte is aangegeven, dient een kap in stand gehouden te worden;

d. bij ver- of herbouw van de in bijlage 7 en 8 van de regels opgenomen karakteristieke panden of ensembles, dient de gevelindeling zoals die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, gehandhaafd te worden.

7.2. Uit artikel 19, lid 19.1 en lid 19.2, van de planregels kan worden afgeleid dat voor gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" bouwen krachtens de bestemming "Gemengd - 6" alleen mag plaatsvinden voor zover de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht Centrum Den Haag, beschreven in het aanwijzingsbesluit Rijksbeschermd stadsgezicht ’s-Gravenhage, in acht worden genomen. Verder blijkt uit de kaart karakteristieke panden, die als bijlage 7 bij de planregels is opgenomen, dat de op de betrokken percelen aanwezige panden zijn aangewezen als karakteristiek pand of zijn aangewezen als Rijks- dan wel gemeentelijk monument. Op grond van artikel 19, lid 19.2, van de planregels dient bij karakteristieke panden de gevelindeling zoals die bestond op het tijdstip van het ontwerp van dit plan gehandhaafd te worden. Verder geldt voor de panden die zijn aangewezen als Rijks- of gemeentelijk monument de Monumentenwet 1988 onderscheidenlijk de gemeentelijke Monumentenverordening Den Haag, waarin beschermende regelingen tot het behoud van monumenten zijn neergelegd.

Gelet op het voorgaande bevat het plan naar het oordeel van de Afdeling voldoende voorschriften om te waarborgen dat het beschermd stadsgezicht en de gemeentelijke monumentale panden niet worden aangetast. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene horeca niet zal leiden tot een aantasting van het beschermd stadsgezicht en de gemeentelijke monumentale panden op de betrokken percelen.

Het betoog faalt.

Parkeerplaatsen

8. [appellant] en anderen vrezen dat door de komst van terrassen bij horecavestigingen aan het Groenewegje parkeerplaatsen verloren zullen gaan waardoor voor hen onaanvaardbare parkeerhinder ontstaat.

8.1. Aan het Groenewegje is de bestemming "Verkeer - Verblijfsstraat" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Verblijfsstraat" aangewezen gronden bestemd voor:

a. voet- en fietspaden;

b. wegen;

c. parkeervoorzieningen;

d. toegangsportalen, ontluchtingsmiddelen en daarmee vergelijkbare bouwwerken;

een en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, groen, water en overige voorzieningen.

Ingevolge artikel 23, lid 23.2, aanhef en onder c, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de regels van het plan ten behoeve van de vestiging van een terras binnen de bestemming "Verkeer - Verblijfsstraat" ten behoeve van de naastgelegen horecafunctie onder de voorwaarde dat de parkeerdruk in het gebied waar de parkeerplaats(en) wordt/worden opgeheven, volgens het ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan vigerende Nota Parkeernormen Den Haag opgenomen kaartfragment met Stadsdeel, wijk en buurtgrenzen (hierna: de Nota Parkeernormen), niet meer bedraagt dan 90%.

8.2. Uit de in artikel 23, lid 23.2, van de planregels neergelegde afwijkingsbevoegdheid volgt dat het college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor de aanleg van een terras op het Groenewegje kan verlenen wanneer de parkeerdruk volgens het ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan geldende Nota Parkeernormen niet meer bedraagt dan 90%. Gelet op de in deze bepaling neergelegde beperking heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare parkeerhinder voor de bewoners van het Groenewegje als gevolg van de komst van nieuwe terrassen. Het betoog faalt.

Waardevermindering woningen appellanten

9. [appellant] en anderen betogen dat zij ten gevolge van het plan financiële schade lijden door waardevermindering van de woningen.

9.1. De Afdeling overweegt dat geen grond bestaat voor de verwachting dat de waardevermindering van de woningen van [appellant] en anderen zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het bestemmingsplan aan de orde zijn. Het betoog faalt.

Herhaling zienswijze

10. Voor zover [appellant] en anderen in het beroepschrift verzoeken de inhoud van hun zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in het raadvoorstel behorende bij het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

11. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 7, lid 7.6, van de planregels en het plandeel met de bestemming "Gemengd - 6" en de functieaanduiding "horeca tot en met categorie 3" voor de percelen Groenewegje 131 en 133, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

11.1. Ter voorlichting van partijen wijst de Afdeling op het volgende. De vernietiging van het plandeel met de bestemming "Gemengd - 6" en de functieaanduiding "horeca tot en met categorie 3" betekent niet dat de huidige activiteiten van Brasserie aan de Gracht niet meer zijn toegestaan. De vernietiging van dit plandeel betekent immers dat voor de percelen Groenewegje 131 en 133 het vorige bestemmingsplan zal gelden. Op grond van artikel 7, lid 8, onder B, van dit bestemmingsplan, in samenhang met de plankaart, is op deze percelen een horecainrichting in categorie II van de Staat van Horeca-inrichtingen toegestaan, waarmee, naar tussen partijen niet in geschil is, de huidige activiteiten van Brasserie aan de Gracht in overeenstemming zijn.

Proceskosten

12. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

De opgegeven verletkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu deze niet met stukken nader zijn onderbouwd. De Afdeling zal bij het vaststellen van de verletkosten daarom uitgaan van een forfaitair maximaal uurtarief van € 7,00 en van een forfaitair aantal uren van 6, zodat de verletkosten worden gesteld op € 42,00.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Den Haag van 1 oktober 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stationsbuurt" , voor zover het betreft:

a. Het plandeel met de bestemming "Gemengd - 6" en de functieaanduiding "horeca tot en met categorie 3" voor de percelen Groenewegje 131 en 133;

b. artikel 7, lid 7.6, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Den Haag op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Den Haag tot vergoeding van de bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,00 (zegge: tweeënveertig euro); met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Den Haag aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt; met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

w.g. Hagen w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016

539-817.