Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201504556/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:2424, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2013 op € 2.566,00 vastgesteld en € 529,00 aan te veel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504556/1/A2.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Bladel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2015 in zaak nr. 14/4582 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2013 op € 2.566,00 vastgesteld en € 529,00 aan te veel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 22 december 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Uit de specificatie van het besluit van 20 november 2014 volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de berekening van de huurtoeslag van [appellante] over 2013 is uitgegaan van een rekenhuur in dat jaar van € 553,15 per maand. [appellante] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat bij deze berekening geen rekening is gehouden met de - door haar op 2 mei 2013 doorgegeven - wijziging van de huurprijs met ingang van 1 juli 2013. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in het besluit van 22 december 2014 erkend dat bij het besluit van 20 november 2014 is uitgegaan van een foutieve rekenhuur. Hij is daarom volledig tegemoet gekomen aan het door [appellante] gemaakte bezwaar. Hoewel de rekenhuur is aangepast overeenkomstig de door [appellante] doorgegeven wijziging, heeft dit niet geleid tot een hogere huurtoeslag, zo blijkt uit het besluit op bezwaar.

2. [appellante] heeft tegen het besluit van 22 december 2014 beroep ingesteld. Volgens haar stelt de Belastingdienst/Toeslagen in dat besluit weliswaar dat volledig aan haar bezwaar tegemoet is gekomen, maar blijkt dit niet uit de bij dat besluit gevoegde specificatie, zodat de dienst feitelijk niet aan haar bezwaar tegemoet is gekomen.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft in reactie daarop toegelicht dat in het systeem naar aanleiding van een wijziging geen nieuw besluit wordt aangemaakt indien de wijziging geen invloed heeft op de hoogte van de toeslag. Nu de huurprijs van € 553,15 reeds boven het maximale bedrag lag waarover huurtoeslag wordt toegekend, leidt de huurverhoging met ingang van 1 juli 2013 niet tot een hoger bedrag aan huurtoeslag over dat jaar en kan die wijziging dus niet duidelijk worden gemaakt in een nieuw besluit of het besluit op bezwaar en de bijbehorende specificatie. Dit neemt niet weg dat met de wijziging van de huurprijs wel degelijk rekening is gehouden, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen geen overtuigend bewijs heeft geleverd dat het systeem bij de berekening van de huurtoeslag is uitgegaan van de juiste gegevens, waaronder de juiste huurprijs. Nu de Belastingdienst/Toeslagen heeft gesteld dat hij volledig tegemoet is gekomen aan het door haar gemaakte bezwaar, maar dit niet blijkt uit de aan de besluiten ten grondslag gelegde berekeningen, is het besluit op bezwaar onvoldoende gemotiveerd en heeft de dienst in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Daar komt bij dat de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen formele ijkpunten zijn die elders worden aangewend, zodat het niet aanpassen van de berekeningen nadelige gevolgen voor haar heeft. De dienst is - door hier geen rekening mee te houden - tekort geschoten in de belangenafweging, aldus [appellante].

3.1. Het betoog faalt. Dat in de specificatie van de rekenhuur alleen de hoogte van de huurprijs met ingang van 1 januari 2013 wordt vermeld, maakt het besluit op bezwaar van 22 december 2014 niet onjuist, nu uit dat besluit blijkt dat de wijziging van de huurprijs met ingang van 1 juli 2013 in de berekening is betrokken, maar niet tot een wijziging van de hoogte van de huurtoeslag leidt. Gelet hierop is het besluit op bezwaar, anders dan [appellante] betoogt, voldoende gemotiveerd en heeft de Belastingdienst/Toeslagen niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Dat het niet aanpassen van de berekening nadelige gevolgen voor haar heeft, heeft [appellante] voorts niet aannemelijk gemaakt. Voor zover de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen door andere instanties worden gebruikt, geldt dat uit het besluit op bezwaar van 22 december 2014 blijkt dat de dienst bij de berekening van de huurtoeslag eerder was uitgegaan van een foutieve huurprijs, maar thans is uitgegaan van de juiste, door [appellante] opgegeven huurprijs.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zij recht heeft op een dwangsom. In dat kader voert zij aan dat zij reeds op 2 mei 2013 de wijziging van de huurprijs aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft doorgegeven. Deze wijziging, die als een aanvraag moet worden aangemerkt, is niet zichtbaar geworden in een voorschotbesluit. Door middel van het door haar gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 november 2014 is de dienst aan dit verzuim herinnerd, zodat dat bezwaar als een ingebrekestelling dient te worden aangemerkt. Nu de Belastingdienst/Toeslagen eerst bij het besluit op bezwaar van 22 december 2014 heeft erkend dat hij eerder is uitgegaan van een onjuiste huurprijs, is daarmee aangetoond dat de aanvraag van 2 mei 2013 eerst bij dat besluit zal worden gehonoreerd. Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen niet tijdig op haar aanvraag beslist en heeft zij recht op een dwangsom, aldus [appellante].

4.1. In artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Uit het derde lid van dat artikel volgt dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Uit deze bepalingen volgt dat een ingebrekestelling alleen tot de verbeurte van een dwangsom kan leiden in het geval een bestuursorgaan nog geen beschikking op een aanvraag heeft gegeven. In het onderhavige geval heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 20 november 2014 op de aanvraag beslist. Dit betekent dat het bezwaar van [appellante], nu dat is gericht tegen dit besluit, reeds daarom niet kan worden opgevat als ingebrekestelling die tot de verbeurte van een dwangsom door de Belastingdienst/Toeslagen kan leiden.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Borman w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

752.