Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
201600214/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Het Lint 2015" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600214/1/R1.

Datum uitspraak: 20 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Purmerland, gemeente Landsmeer,

2. [appellant sub 2], wonend te Landsmeer,

3. [appellant sub 3], wonend te Den Ilp, gemeente Landsmeer,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend te Landsmeer,

5. [appellant sub 5], wonend te Landsmeer,

6. [appellant sub 6A], wonend te Landsmeer, en anderen,

7. [appellant sub 7], wonend te Den Ilp, gemeente Landsmeer,

en

de raad van de gemeente Landsmeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Het Lint 2015" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en anderen en [appellant sub 7] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 5] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2016, waar [appellant sub 1]; [appellant sub 2], bijgestaan door drs. S.P. van Donkelaar; [appellant sub 3], vertegenwoordigd door P. Kamman; [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], vertegenwoordigd door P. Kamman; [appellant sub 5], bijgestaan door mr. L. Dolfing, advocaat te Amsterdam; [appellant sub 6A] en anderen, in de persoon van [gemachtigde] en [appellant sub 6B]; [appellant sub 7], vertegenwoordigd door [appellant sub 6E], en de raad, vertegenwoordigd door J.G. Beentjes en mr. W.H. Bulk, beiden werkzaam bij de gemeente, en mr. M de Jager, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in een actualisatie van het planologische regime voor het bebouwingslint in de gemeente Landsmeer en is overwegend conserverend van aard. Het plangebied betreft de doorgaande weg tussen Amsterdam en Purmerend en de bebouwing aan weerszijden hiervan. De dorpen Purmerland, Den Ilp en de kern van Landsmeer maken deel uit van het plangebied.

Het toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 1]. Zijn beroep is gericht tegen de in artikel 19, lid 19.2, onder a, sub 7, van de planregels opgenomen maximale goothoogte van 3,5 m. [appellant sub 1] vreest dat hij in de toekomst geen woning meer kan bouwen met een goothoogte van 6 m, welke goothoogte op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Het Lint 2005" (hierna: het voorheen geldende bestemmingsplan) was toegestaan.

4. [appellant sub 1] betoogt dat de maximaal toegestane goothoogte voor zijn perceel ten onrechte is verlaagd van 6 m naar 3,5 m. Hij is van mening dat zijn belangen door deze planregeling ernstig worden geschaad, omdat hij in de toekomst op zijn perceel wellicht een woning wil realiseren met een goothoogte van 6 m. Volgens [appellant sub 1] is de raad er in de Nota van zienswijzen ten onrechte vanuit gegaan dat de bestaande woning reeds een goothoogte van 6 m heeft, zodat de verwijzing door de raad naar artikel 27 van de planregels onjuist is. Ten slotte wijst [appellant sub 1] erop dat er meerdere woningen in de gemeente Landsmeer wel een goothoogte van 6 m hebben.

4.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Wonen - 3" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.14, van de planregels moet onder het begrip "bestaand" worden verstaan het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is dan wel kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning (vóór 1 oktober 2010) / omgevingsvergunning voor het bouwen (ná 1 oktober 2010).

Ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder a, sub 7, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen op gronden met de bestemming "Wonen - 3" dat de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan 3,5 m onderscheidenlijk 9 m.

Ingevolge artikel 27, lid 27.1, mag de goot- en/of bouwhoogte ten hoogste de bestaande goot- en/of bouwhoogte bedragen wanneer een bestaand gebouw een grotere goot- en/of bouwhoogte heeft dan in de bouwregels in de van toepassing zijnde bestemming is toegestaan.

4.2. Blijkens de plankaart van het voorheen geldende bestemmingsplan was aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Wonen, categorie I" met de aanduiding "afwijkende maatvoering" toegekend.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, onder A, sub 2, onder b, van de planvoorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan mocht de goothoogte van een hoofdgebouw maximaal 3,5 m bedragen, met dien verstande dat een goothoogte van maximaal 6 m was toegestaan ter plaatse waar de gronden op de plankaart waren voorzien van de aanduiding "afwijkende maatvoering".

4.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Ter zitting is gebleken dat de bestaande goothoogtes van de woning op het perceel [locatie 1] op enkele plekken minder dan 3,5 m bedragen en op enkele plekken 4,9 m, zodat al deze hoogtes ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder a, sub 7, dan wel artikel 27, lid 27.1, van de planregels als zodanig zijn bestemd. De raad heeft ter zitting verklaard dat, indien [appellant sub 1] een nieuwe woning wil gaan bouwen op zijn perceel, deze woning overal een goothoogte mag hebben van maximaal 4,9 m. Ter zitting heeft de raad verder toegelicht dat hij het wenselijk vindt dat vrijstaande woningen slechts één bouwlaag met kap hebben, nu dit uit ruimtelijk oogpunt het meest passend is in landelijk gebied. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat door [appellant sub 1] ter zitting is bevestigd dat de meeste vrijstaande woningen ter plaatse een goothoogte hebben van maximaal 3,5 m. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om op het perceel [locatie 1] geen goothoogte van 6 m toe te staan. Voor zover [appellant sub 1] erop gewezen heeft dat in de gemeente Landsmeer woningen staan die wel een goothoogte van 6 m hebben, overweegt de Afdeling dat de raad onweersproken heeft gesteld dat dit bestaande woningen zijn zodat deze situaties niet overeenkomen met de situatie die [appellant sub 1] beoordeeld wenst te zien, namelijk de regeling van toekomstige bouwmogelijkheden.

Het betoog van [appellant sub 1] faalt.

Conclusie

5. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

5.1. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

6. [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 2]. Op het naastgelegen perceel Zuideinde 69 is het museum Grietje Tump gevestigd. Haar beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "museum" voor het perceel Zuideinde 69 en het plandeel met de bestemming "Wonen - 3" voor de gronden ten oosten van haar perceel, welke gronden in eigendom zijn van de stichting Museum Grietje Tump. [appellant sub 2] vreest dat op het perceel Zuideinde 69 ondergeschikte horeca is toegestaan, dat op de gronden ten oosten van haar perceel een extra woning kan worden gebouwd en dat ten behoeve van het naastgelegen museum geparkeerd mag worden.

Het perceel Zuideinde 69

7. [appellant sub 2] betoogt allereerst dat uit de Nota van zienswijzen lijkt te volgen dat de raad van mening is dat op het perceel Zuideinde 69 ondergeschikte horeca is toegestaan, terwijl volgens haar de planregels duidelijk maken dat uitsluitend een museum is toegestaan. Indien de raad toch beoogd zou hebben om ondergeschikte horeca toe te staan, dan wijst [appellant sub 2] erop dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de planologische aanvaardbaarheid van ondergeschikte horeca.

7.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel Zuideinde 69 de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Aan een deel van de gronden zijn eveneens de aanduidingen "bouwvlak" en "museum" toegekend.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Maatschappelijk" bestemd voor:

a. maatschappelijke voorzieningen;

h. ondergeschikte horecavoorzieningen;

met dien verstande dat:

n. uitsluitend een museum is toegestaan op de gronden ter plaatse van de aanduiding "museum".

7.2. Nu aan het perceel Zuideinde 69 de aanduiding "museum" is toegekend, stelt de Afdeling vast dat ingevolge artikel 11, lid 11.1, onder n, van de planregels ter plaatse van deze aanduiding uitsluitend een museum is toegestaan. Dit betekent dat ter plaatse geen ondergeschikte horeca is toegestaan, hetgeen de raad ter zitting ook heeft bevestigd. Gelet hierop bestaat eveneens geen aanleiding voor het oordeel dat expliciet in de planregels diende te worden vastgelegd dat op het perceel Zuideinde 69 geen (ondergeschikte) horeca is toegestaan.

Voor zover [appellant sub 2] vreest dat de eigenaar van het museum toch horeca-activiteiten zal exploiteren, wordt overwogen dat dit een handhavingskwestie betreft die in deze bestemmingsplanprocedure niet aan de orde is.

Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

De gronden ten oosten van het perceel [locatie 2]

8. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat met artikel 19 van de planregels onvoldoende zekerheid wordt geboden dat op de gronden met de bestemming "Wonen - 3" ten oosten van haar perceel [locatie 2] geen woning kan worden gebouwd.

8.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten oosten van het perceel [locatie 2] de bestemming "Wonen - 3" toegekend. Deze gronden vallen met het perceel Zuideinde 73 in één bestemmingsvlak.

Ingevolge artikel 1, lid 1.15, van de planregels moet onder het begrip "bestemmingsgrens" worden verstaan de grens van een bestemmingsvlak.

Ingevolge lid 1.16 moet onder het begrip "bestemmingsvlak" worden verstaan een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

Ingevolge lid 1.20 moet onder het begrip "bouwperceel" worden verstaan een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder a, sub 2, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat de voorgevel van een hoofdgebouw op een afstand van ten minste 5 m en ten hoogste 15 m vanaf de voorste bestemmingsgrens dient te worden gebouwd.

8.2. De voorste bestemmingsgrens van het bestemmingsvlak waarbinnen zowel het perceel Zuideinde 73 als de onbebouwde gronden ten oosten van het perceel [locatie 2] liggen, ligt tegen de weg Zuideinde aan. De onbebouwde gronden ten oosten van het perceel [locatie 2] liggen op een afstand van meer dan 25 m van de voorste bestemmingsgrens. De Afdeling stelt vast dat derhalve ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder a, sub 2, van de planregels op de desbetreffende gronden ten oosten van het perceel [locatie 2] geen extra woning mag worden gerealiseerd. Gelet hierop bestaat eveneens geen aanleiding voor het oordeel dat expliciet in de planregels diende te worden vastgelegd dat de bouw van een woning op de onbebouwde gronden ten oosten van het perceel [locatie 2] niet is toegestaan.

Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

9. Ten slotte betoogt [appellant sub 2] dat in de planregels behorende bij de bestemming "Wonen - 3" niet is opgenomen dat parkeren uitsluitend mag plaatsvinden ten behoeve van deze bestemming, zodat het niet is uitgesloten dat op de gronden ten oosten van haar perceel [locatie 2] geparkeerd kan worden ten behoeve van het naastgelegen museum. Volgens [appellant sub 2] is naar de gevolgen van dit parkeren voor haar woon- en leefklimaat geen onderzoek gedaan.

9.1. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, onder k , van de planregels zijn gronden met de bestemming "Wonen - 3" bestemd voor parkeervoorzieningen.

9.2. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit artikel 19, lid 19.1, van de planregels niet dat parkeervoorzieningen slechts ten dienste van de bestemming "Wonen - 3" mogen worden gerealiseerd. Derhalve zijn parkeervoorzieningen - anders dan de raad heeft beoogd - niet uitsluitend toegestaan ten behoeve van de binnen de bestemming "Wonen - 3" toegelaten functies, maar onder meer ook ten behoeve van het naastgelegen museum. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 2] slaagt.

Conclusie

10. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - 3" voor de gronden gelegen ten oosten van het perceel [locatie 2], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

10.1. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 3]

11. [appellant sub 3] is eigenaar van het perceel [locatie 3]. Zijn beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor dit perceel. [appellant sub 3] betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het door hem ingediende verzoek en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing om op het perceel [locatie 3] bedrijfswoningen te realiseren in de bestaande bebouwing. Hij voert verder aan dat de raad ten onrechte niet tijdig om een aanvulling van de ruimtelijke onderbouwing heeft gevraagd.

11.1. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 3] in april 2015 een gesprek met één van de wethouders van de gemeente Landsmeer heeft gehad waarin hij zijn plannen kenbaar heeft gemaakt. [appellant sub 3] heeft in september zijn zienswijze met bijbehorende ruimtelijke onderbouwing ingediend. De Afdeling is van oordeel dat de plannen van [appellant sub 3] voldoende concreet zijn en dat hij deze tijdig kenbaar heeft gemaakt.

De raad heeft evenwel aangevoerd dat hij ten tijde van de vaststelling van het plan niet over voldoende gegevens beschikte om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief te kunnen beoordelen en dat hij dit aan [appellant sub 3] in de Nota van zienswijzen heeft medegedeeld. Voorts lag de verantwoordelijkheid voor de vergaring van deze gegevens volgens de raad bij [appellant sub 3], aangezien dit initiatief louter op zijn verzoek in de planprocedure zou worden meegenomen.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3507, is het standpunt van de raad omtrent de verantwoordelijkheid van de vergaring van de vereiste gegevens op zich zelf juist, zij het dat de raad in een dergelijke situatie tijdig dient aan te geven welke gegevens nog nodig zijn voor de beoordeling van het initiatief waarover het gemeentebestuur zelf niet beschikt of redelijkerwijs niet kan beschikken. Ter zitting is gebleken dat de Nota van zienswijzen met daarin het standpunt van de raad pas na het bestreden besluit door [appellant sub 3] kon worden geraadpleegd. Uit de stukken is verder niet gebleken dat het gemeentebestuur na het vernemen van de ruimtelijke onderbouwing op een andere manier aan [appellant sub 3] heeft meegedeeld dat de overgelegde stukken incompleet of onduidelijk zijn, dat nog aanvullende stukken nodig zijn of dat op bepaalde aspecten nog nader onderzoek is vereist en wanneer die stukken moesten zijn aangeleverd. Gelet hierop is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Ten overvloede merkt de Afdeling nog op dat, nu het plan van [appellant sub 3] slechts een inpandige wijziging van de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik betreft, kan worden betwijfeld of alle door de raad in de Nota van zienswijzen gevraagde (aanvullende) onderzoeken noodzakelijk zijn.

Het betoog van [appellant sub 3] slaagt.

Conclusie

12. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 3], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb

Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

12.1. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B]

13. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] zijn eigenaar van het perceel [locatie 4]. Hun beroep is onder meer gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Bedrijf" en "Groen" voor hun eigen perceel en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Noordeinde 19-21. Zij zijn van mening dat voor het perceel Noordeinde 19-21 in het plan ten onrechte ruimere mogelijkheden zijn opgenomen dan voor hun eigen perceel. Ook worden illegale bouwwerken ten onrechte als zodanig bestemd zonder dat hierover overleg is gevoerd.

Het perceel [locatie 4]

14. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] voeren aan dat aan het meest oostelijke deel van het perceel [locatie 4] ten onrechte niet de bestemming "Bedrijf", maar de bestemming "Groen" is toegekend. Volgens hen hebben de desbetreffende gronden geen functie meer als groenvoorziening. Verder voeren zij aan dat wat betreft parkeren op gronden met de bestemming "Groen" de doeleindenomschrijving en de specifieke gebruiksregels elkaar tegenspreken. Ten slotte betogen [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] dat, indien de desbetreffende gronden de bestemming "Groen" behouden, op deze gronden in ieder geval parkeren en opslag moet worden toegestaan.

14.1. Blijkens de verbeelding is aan het oostelijke deel van het perceel [locatie 4] de bestemming "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Groen" onder meer bestemd voor groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge lid 9.4 wordt onder met deze bestemming strijdig gebruik begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de buitenopslag van goederen.

14.2. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat dat in de bestemming "Groen" de structuurbepalende groenelementen zijn opgenomen.

14.3. De Afdeling stelt vast dat, nu ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels op gronden met de bestemming "Groen" parkeervoorzieningen zijn toegestaan en deze parkeervoorzieningen - anders dan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] veronderstellen - niet in lid 9.4 staan genoemd, parkeervoorzieningen op gronden met de bestemming "Groen" zijn toegestaan. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] in zoverre feitelijke grondslag.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] verder niet aannemelijk gemaakt dat de raad aan het oostelijke deel van het perceel [locatie 4] niet in redelijkheid de bestemming "Groen" heeft kunnen toekennen. Nu ter zitting is gebleken dat op voornoemde gronden gras, bomen, bosschages, groenvoorzieningen en struiken aanwezig zijn, overweegt de Afdeling dat de huidige inrichting van het oostelijk deel van het perceel [locatie 4] in overeenstemming is met de bestemming "Groen". Voor zover [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] erop gewezen hebben dat op het perceel Noordeinde 19-21 de bedrijfsbestemming aan het gehele perceel en derhalve ook aan de aanwezige groenelementen is toegekend, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat bij dat perceel de bestemmingsgrens is overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan zodat dit een bestaande planologische situatie betreft die niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Voorts heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen om op gronden met de bestemming "Groen" geen opslag toe te staan, nu hierdoor de aanwezige groenelementen worden aangetast. Hierbij is van belang dat de raad heeft toegelicht dat opslag ter plaatse onwenselijk is, omdat de bestemming "Groen" juist de bufferzone vormt tussen de bedrijfspercelen en het achterliggende natuurgebied Ilperveld en de bescherming van de landschapswaarden van het achterliggende natuurgebied Ilperveld waarborgt.

Het betoog van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] faalt.

Overige beroepsgronden ten aanzien van de percelen Noordeinde 15, [locatie 4] en 19-21

15. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het herhalen van de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

16. Het beroep van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] is ongegrond.

16.1. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 5]

17. [appellant sub 5] woont op het perceel [locatie 5]. Zijn beroep is gericht tegen de planregeling voor zijn perceel. [appellant sub 5] is van mening dat de bouwmogelijkheden op zijn perceel door de gewijzigde bouwregels ernstig worden beperkt.

De bestemming "Water - 1"

18. [appellant sub 5] betoogt allereerst dat aan de naast zijn perceel [locatie 5] gelegen sloot ten onrechte de bestemming "Water - 1" is toegekend in plaats van de bestemming "Water - 2". Volgens hem kan deze sloot niet worden aangemerkt als openbaar bevaarbaar water of water met doorzichten. [appellant sub 5] voert hierbij aan dat het beleid erop gericht is om de aanwezige doorzichten te behouden, maar dat ter hoogte van zijn perceel het doorzicht naar het achtergelegen natuurgebied Ilperveld reeds wordt beperkt door de aanwezige bebouwing aan weerszijde van de sloot en de beperkte breedte van de sloot. Hij wijst er tevens op dat door de raad ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen watergangen aan de westzijde van de lintbebouwing, aan welk water de bestemming "Water - 2" is toegekend, en aan de oostzijde van de lintbebouwing, aan welk water de bestemming "Water - 1" is toegekend.

18.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 5] de bestemming "Wonen - 3" toegekend. Aan de naastgelegen sloot is de bestemming "Water - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Water - 1" bestemd voor onder meer wateren met doorzichten, oppervlakte water, openbaar bevaarbaar water en waterlopen ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer en waterberging.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, zijn gronden met de bestemming "Water - 2" bestemd voor onder meer oppervlakte water en waterlopen, ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer en waterberging.

18.2. In de plantoelichting staat in paragraaf 2.2.1 dat er van oorsprong in het gehele lint sprake was van doorzichten naar het achterliggende landschap. In de loop der jaren hebben grote delen van het lint een sterk besloten karakter gekregen, omdat deze aan weerszijden bebouwd zijn met losse bebouwing. In het noordelijk deel is er meer sprake van openheid, eerst alleen in oostelijke richting en later naar beide zijden richting de graslanden. Het gehele lint tussen Amsterdam en Purmerend bezien, zijn er gradaties in open- en beslotenheid van de verschillende gebieden te onderscheiden. Oorspronkelijke doorzichten zijn inmiddels op verschillende plekken verdwenen door enerzijds (te veel of brede) bebouwing, maar op onderdelen ook door de te hoog opgaande beplanting, aldus de plantoelichting. Het beleid is er op gericht om de nog aanwezige doorzichten zoveel mogelijk te behouden.

In de plantoelichting staat verder in paragraaf 2.2.2. dat de omgeving van het centrum, langs het Noordeinde, in functionele zin wordt gekarakteriseerd door een grote mate van afwisseling van woningen en bedrijven van allerlei aard en omvang. Aan de oostzijde tot aan het Noord-Hollandsch Kanaal ligt het uitgestrekte natuurgebied het Ilperveld. Het doorzicht naar het achterliggende landschap is aan de oostzijde nog min of meer aanwezig, aan de westzijde is het doorzicht echter minimaal.

18.3. Het perceel [locatie 5] ligt ten noorden van de verdichting van het dorpsgebied van Landsmeer en het landschap achter dit perceel maakt deel uit van het Natura-2000 gebied "Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske" en de Ecologische hoofdstructuur, welke gebieden op een afstand van ongeveer 100 m liggen vanaf de weg Noordeinde waaraan de woning van [appellant sub 5] is gelegen. De raad heeft toegelicht dat ten behoeve van het behoud en herstel van doorzichten de bestemming "Water - 1" is toegekend aan de waterstructuur, die vanaf de weg naar de natuurgebieden Oostzanerveld in het westen, Ilperveld in het oosten en het landschap ten noorden van deze beschermde gebieden loopt. Ook waar het plangebied grenst aan de noordzijde van het natuurgebied Het Twiske is de waterstructuur bestemd als "Water - 1". Daar waar de verdichting van het dorpsgebied van Landsmeer begint, is voor de waterstructuur overgegaan op de bestemming "Water - 2". De Afdeling acht deze keuze niet onredelijk. Het betoog van [appellant sub 5] dat ter plaatse geen sprake is van doorzichten naar het achtergelegen natuurgebied faalt, nu moet worden vastgesteld dat de raad heeft toegelicht dat het water naast de woning van [appellant sub 5] in directe verbinding staat met dit gebied en dat de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied samenhangt met zowel het behoud van bestaande doorzichten als het herstellen van vervaagde doorzichten.

Het betoog van [appellant sub 5] dat aan de waterstructuren ten westen van het Noordeinde de bestemming "Water - 2" is toegekend terwijl ten westen van het plangebied ook een natuurgebied ligt en in zoverre gelijke gevallen niet gelijk worden behandeld, slaagt evenmin. De waterstructuren ten westen van het Noordeinde lopen immers niet tot aan de weg, zodat er vanaf het Noordeinde geen doorzicht over het water naar het achterliggende natuurgebied aanwezig is.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad aan het naast het perceel [locatie 5] gelegen water in redelijkheid de bestemming "Water - 1" heeft kunnen toekennen.

Het betoog van [appellant sub 5] faalt.

Bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 5]

19. [appellant sub 5] betoogt verder dat de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 5] ernstig worden beperkt ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Hierbij voert hij aan dat, nu op zijn perceel niet meer tot op de waterlijn en de erfgrens mag worden gebouwd, het bebouwingsgebied kleiner wordt, zodat minder m² aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan.

19.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.6, van de planregels moet onder het begrip "achtererfgebied" worden verstaan het erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

Ingevolge lid 1.11, moet onder het begrip "bebouwingsgebied" worden verstaan het achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijke hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder a, sub 2, dient de voorgevel van een hoofdgebouw op een stand van ten minste 5 m en ten hoogste

15 m vanaf de voorste bestemmingsgrens te worden gebouwd, dan wel [..].

Ingevolge lid 19.2, onder b, sub 1, mogen bijbehorende bouwwerken, waaronder botenhuizen, worden gebouwd op een afstand van

1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is, en op een afstand van 5 m vanaf de bestemming "Water - 1" en 2 m vanaf de overige bestemmingen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is.

Ingevolge lid 19.2, onder b, sub 6, bedraagt de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken, waaronder botenhuizen, in het bebouwingsgebied niet meer dan:

- in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied;

- in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²;

- in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m².

19.2. Blijkens de plankaart behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan was aan het perceel [locatie 5] de bestemming "Wonen, categorie I" toegekend. Aan een deel van dit perceel was eveneens de aanduiding "bouwvlak" toegekend, welke aanduiding grensde aan het naastgelegen sloot. Aan een deel van de gronden ten oosten van deze aanduiding was de aanduiding "erf" toegekend, welke aanduiding op ongeveer 3 m van de naastgelegen sloot lag. Aan het overige deel van het perceel was de aanduiding "tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, onder A, sub 1, van de planvoorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan:

a. bestond een bouwperceel uit het op de plankaart aangewezen bouwvlak, tuin en erf;

b. waren binnen het op de plankaart aangewezen bouwvlak hoofdgebouwen, bijgebouwen/aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan;

c. waren op de voor "erf" aangewezen gronden uitsluitend bijgebouwen/aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan;

d. was op de voor "tuin" aangewezen gronden geen bebouwing toegestaan met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

e. mocht, ongeacht hetgeen hierna was bepaald, het bouwperceel niet voor meer dan 50% worden bebouwd.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, onder A, sub 2, waren hoofdgebouwen uitsluitend binnen het op de plankaart aangewezen bouwvlak toegestaan.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, onder A, sub 3:

a. moesten bijgebouwen/aan- en uitbouwen binnen het bouwvlak tenminste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;

b. waren bijgebouwen/aan- en uitbouwen buiten het bouwvlak uitsluitend toegestaan op de voor erf aangewezen gronden;

j. mocht de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde hoofdgebouw behorende bijgebouwen/aan- en uitbouwen niet meer dan 75 m² bedragen, mits het bouwperceel voor niet meer dan 50 m² werd bebouwd.

19.3. Blijkens de plankaart behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan bedroeg het bouwperceel op het perceel [locatie 5] ongeveer 370 m². Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, onder A, sub 1, onder e, van de planvoorschriften mocht derhalve slechts 185 m² van dit bouwperceel worden bebouwd. Op het perceel [locatie 5] staat een hoofgebouw met een oppervlakte van 80 m² en een aanbouw van 10 m². Nu ingevolge artikel 2.1, tweede lid, onder A, sub 3, onder j, van de planvoorschriften de gezamenlijke oppervlakte van bij een hoofdgebouw behorende bijgebouwen/aan- en uitbouwen in totaal 75 m² mocht bedragen, stelt de Afdeling vast dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan op het perceel [locatie 5] nog 65 m² aan bij een hoofdgebouw behorende bijgebouwen/aan- en uitbouwen kon worden gerealiseerd.

De Afdeling stelt voorts vast dat blijkens de verbeelding en ingevolge artikel 1, lid 1.6 en lid 1.11, van de planregels het bebouwingsgebied van het perceel [locatie 5] ongeveer 155 m² bedraagt. Derhalve mag ingevolge lid 19.2, onder b, sub 6, de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken op het perceel [locatie 5] niet meer dan 61 m² bedragen. Nu op dit perceel reeds een aanbouw van 10 m² aanwezig is, is nog 51 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Voor zover de raad heeft gesteld dat ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder a, sub 2, van de planregels de woning tot op 5 m van de voorste bestemmingsgrens kan worden verplaatst, zodat zelfs sprake is van een groter bebouwingsgebied, overweegt de Afdeling dat dit een weinig reële optie betreft nu in dat geval de woning eerst vrijwel geheel zou moeten worden gesloopt voordat deze dichter bij de voorste bestemmingsgrens kan worden herbouwd.

Het voorgaande betekent dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan de toegestane oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken op het perceel [locatie 5] met 14 m² is verkleind. Nu het perceel [locatie 5] in het noorden en oosten grenst aan gronden met de bestemming "Wonen - 2" en in het zuiden grenst aan gronden met de bestemming "Water - 1", kunnen ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder b, sub 1, van de planregels nog slechts op ongeveer 30 m² van voornoemd perceel bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Gelet hierop is, anders dan de raad heeft gesteld, sprake van een niet geringe afname aan bebouwingsmogelijkheden op het perceel van [appellant sub 5]. Derhalve is de Afdeling van oordeel dat de raad had moeten onderzoeken of voor het perceel [locatie 5] een maatbestemming opgenomen had kunnen worden. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog van [appellant sub 5] slaagt.

20. Ten slotte betoogt [appellant sub 5] dat voor de bijbehorende bouwwerken op zijn perceel ten onrechte slechts een bouwhoogte van 3 m is toegestaan, terwijl de bouwhoogte van deze bouwwerken in het voorheen geldende bestemmingsplan 5,5 m bedroeg.

20.1. Ingevolge artikel 19, lid 19.2, onder b, sub 3, van de planregels mag de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer bedragen dan:

- 5 m;

- 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en;

- de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

20.2. Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, onder A, sub 3, onder g, van de planvoorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan mocht de nokhoogte van bijgebouwen/aan- en uitbouwen niet meer dan

5,5 m bedragen.

20.3. Niet in geschil is dat de bovenkant van de scheidingsconstructie van het hoofdgebouw op het perceel [locatie 5] met de tweede bouwlaag op 2,7 m ligt, zodat de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken op dit perceel niet meer mag bedragen dan 3 m.

20.4. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken is afgestemd op de maatvoering van het hoofdgebouw, zodat meer samenhang ontstaat tussen dit hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken. De Afdeling acht deze keuze niet onredelijk. Voorts heeft [appellant sub 5] voor de vaststelling van het plan bij het gemeentebestuur niet een concreet plan ingediend met betrekking tot het bouwen van bijbehorende bouwwerken op het perceel [locatie 5] met een bouwhoogte van 5,5 m. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om op het perceel [locatie 5] geen bouwhoogte van 5,5 m toe te staan.

Het betoog van [appellant sub 5] faalt.

Conclusie

21. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - 3" voor het perceel [locatie 5], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

21.1. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 6A] en anderen

22. Het beroep van [appellant sub 6A] en anderen is ingediend door [appellant sub 6B] en [appellante sub 6C], welke personen op het perceel [locatie 6] wonen, door [appellant sub 6D], welke persoon eigenaar is van een deel van het perceel [locatie 6], en door [appellant sub 6E] en [appellante sub 6F], welke personen eigenaar zijn van het perceel [locatie 7]. Hun beroep is gericht tegen het niet als zodanig bestemmen van het botenhuis op het perceel [locatie 6] en het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden" aan een deel van hun percelen.

Intrekking

23. Ter zitting hebben [appellant sub 6A] en anderen de beroepsgrond die betrekking heeft op de planbegrenzing, ingetrokken.

Het botenhuis

24. [appellant sub 6A] en anderen betogen allereerst dat het botenhuis aan de waterkant van het perceel [locatie 6] niet als zodanig is bestemd, terwijl dit gebouw al meer dan 60 jaar ter plaatse aanwezig is. Volgens hen wordt het doorzicht naar het achterliggende gebied niet belemmerd door het botenhuis. Voorts voeren [appellant sub 6A] en anderen aan dat het botenhuis op het perceel [locatie 8] wel als zodanig is bestemd, zodat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

24.1. Niet in geschil is dat het botenhuis al geruime tijd, in ieder geval sinds 1954, ter plaatse aanwezig is en als zodanig wordt gebruikt. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat het botenhuis en het gebruik daarvan onder het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan viel. De raad heeft verder ter zitting verklaard dat op grond van het gemeentelijke handhavingsbeleid niet handhavend zal worden opgetreden tegen het botenhuis, omdat het botenhuis reeds voor de in voornoemde beleid opgenomen peildatum van 17 april 1998 aanwezig was. Nu gelet daarop niet aannemelijk is dat het botenhuis en het bestaande gebruik daarvan binnen de planperiode zullen verdwijnen, heeft de raad niet in redelijkheid kunnen kiezen voor het opnieuw onder het overgangsrecht brengen hiervan. De raad heeft ten onrechte niet onderzocht of voor het botenhuis een passende bestemming en regeling kan worden vastgesteld.

Gelet op het voorgaande is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Hetgeen [appellant sub 6A] en anderen met betrekking tot het botenhuis voor het overige hebben aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking meer.

Het betoog van [appellant sub 6A] en anderen slaagt.

Zienswijze

25. [appellant sub 6A] en anderen betogen ten slotte dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op hun zienswijze, voor zover het betreft het toekennen van de bestemming "Wonen - 3" aan het deel van de percelen [locatie 7] en [locatie 6] waaraan thans de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend.

25.1. In de Nota van zienswijzen is de raad niet ingegaan op de zienswijze van [appellant sub 6A] en anderen, voor zover het betreft het toekennen van de bestemming "Wonen - 3" aan het deel van de percelen [locatie 7] en [locatie 6] waaraan thans de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

De Afdeling ziet evenwel aanleiding om het gebrek van het niet ingaan op de zienswijze van [appellant sub 6A] en anderen te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Daartoe wordt overwogen dat aannemelijk is dat belanghebbenden niet zijn benadeeld. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad in het verweerschrift alsnog inhoudelijk op de aan een deel van de percelen [locatie 7] en [locatie 6] toegekende bestemming "Agrarisch met waarden" is ingegaan en [appellant sub 6A] en anderen de mogelijkheid hebben gehad hierop te reageren.

26. [appellant sub 6A] en anderen betogen dat de bestemming "Wonen - 3" aan de gehele percelen [locatie 7] en [locatie 6] had moeten worden toegekend.

26.1. Blijkens de verbeelding is aan een deel van de percelen [locatie 7] en [locatie 6] de bestemming "Wonen - 3" toegekend en aan een ander deel de bestemming "Agrarisch met waarden".

26.2. De Afdeling stelt vast dat de bestemmingsgrenzen zijn overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan. De raad heeft toegelicht dat de bestemming "Agrarisch met waarden" de bufferzone vormt tussen de woonpercelen en het achterliggende natuurgebied Ilperveld en de bescherming van de landschapswaarden van het achterliggende natuurgebied Ilperveld waarborgt. Het huidige landschap van het achterliggende natuurgebied Ilperveld is te typeren als een weids en open veenweidegebied dat wordt doorsneden door vele sloten en slootjes. Volgens de raad is het onwenselijk dat woonbebouwing dicht tegen het natuurgebied Ilperveld aan wordt gerealiseerd. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Gelet op het voorgaande heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om aan het achterste deel van de percelen [locatie 7] en [locatie 6] geen woonbestemming toe te kennen.

Het betoog van [appellant sub 6A] en anderen faalt.

Conclusie

27. In hetgeen [appellant sub 6A] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Water - 1" ter plaatse van het botenhuis op het perceel [locatie 6], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 6A] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

27.1. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van [appellant sub 6A] en anderen niet gebleken.

Het beroep van [appellant sub 7]

28. [appellant sub 7] is eigenaar van het perceel [locatie 9]. Zijn beroep is gericht tegen het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden" aan het oostelijke deel van zijn perceel. Volgens hem had de bestemming "Wonen - 3" met ongeveer 50 m naar het oosten opgeschoven dienen te worden, omdat zijn tuin nu voor een tweede keer onder het overgangsrecht wordt gebracht, terwijl bij andere percelen in de omgeving de bij de woning behorende tuin wel de bestemming "Wonen - 3" heeft.

29. [appellant sub 7] betoogt allereerst dat het desbetreffende deel van zijn perceel [locatie 9] waaraan de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend al meer dan 30 jaar in gebruik is als tuin en erf, zodat aan deze gronden de bestemming "Wonen - 3" toegekend had moeten worden. Door in het plan aan dit deel wederom de bestemming "Agrarisch met waarden" toe te kennen, is het gebruik als tuin voor een tweede maal onder het overgangsrecht gebracht.

Verder voert [appellant sub 7] aan dat de begrenzing van de bestemming "Wonen - 3" op zijn perceel willekeurig lijkt, te meer nu de bestemming "Wonen - 3" op het naastgelegen perceel Den Ilp 168 en op andere percelen aan Den Ilp en het Noordeinde verder doorloopt over de percelen. Ten slotte voert [appellant sub 7] aan dat uit onderzoek blijkt dat het toekennen van de bestemming "Wonen - 3" aan een groter deel van zijn perceel niet leidt tot negatieve effecten op het naastgelegen Natura 2000-gebied.

29.1. Blijkens de verbeelding is aan het oostelijke deel van het perceel [locatie 9] de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" bestemd voor:

a. de uitoefening van het grondgebonden agrarisch bedrijf op agrarische gronden;

b. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurwaarden, zoals nader beschreven in bijlage 4 bij deze regels;

c. de instandhouding van het vogelrichtlijngebied Ilperveld, Varkensland en Twiske en habitatrichtlijngebied Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensveld zoals nader beschreven in bijlage 4 bij deze regels.

29.2. In bijlage 4 behorende bij de planregels staan de landschappelijke en natuurwaarden beschreven. Het beleid is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de open en waterrijke karakteristiek van het veenweidelandschap en de instandhouding van het vogelrichtlijngebied Ilperveld, Varkensland en Twiske en het habitatrichtlijngebied Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland. Tot de landschappelijke en natuurwaarden worden gerekend de openheid van het landschap, de oost-west gerichte verkavelingsstructuur, een waterrijk landschap met sloten en een relatief hoge grondwaterstand en de aanwezigheid van weidevogels en bloemrijk gewasland. De kwaliteit van de vogel- en habitatrichtlijngebieden mag door het gebruik van gronden en opstallen niet verslechteren en er mogen geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor deze gebieden zijn aangewezen (voor zover de factoren een significant effect zouden kunnen hebben).

29.3. De Afdeling stelt vast dat het gebruik van het oostelijk deel van het perceel [locatie 9] als tuin niet als zodanig is bestemd. Aan dit perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend en het gebruik als tuin past ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels niet binnen de bestemming "Agrarisch met waarden". De Afdeling stelt verder vast dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan aan de desbetreffende gronden de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden" was toegekend en dat binnen deze bestemming het gebruik als tuin ook niet was toegestaan.

[appellant sub 7] heeft een luchtfoto uit 2009 overgelegd waaruit zou volgen dat het desbetreffende deel van zijn perceel in gebruik was als tuin. Nu deze foto ruim na de vaststelling van het voorheen geldende bestemmingsplan is gemaakt en [appellant sub 7] geen andere objectieve gegevens heeft overgelegd, heeft [appellant sub 7] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik als tuin reeds was aangevangen vóór de inwerkingtreding van het voorheen geldende bestemmingsplan. Voor zover [appellant sub 7] heeft gewezen op de in 1979 verleende bouwvergunning voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie 9], overweegt de Afdeling dat deze vergunning geen betrekking heeft op het gebruik van de desbetreffende gronden. Nu illegaal gebruik in beginsel geen aanspraak geeft op het als zodanig bestemmen van dat gebruik, behoefde de raad in redelijkheid het illegale gebruik van de desbetreffende gronden als tuin niet als zodanig te bestemmen.

Het betoog van [appellant sub 7] faalt.

29.4. De Afdeling stelt verder vast dat de bestemmingsgrenzen zijn overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan. De raad heeft toegelicht dat de bestemming "Agrarisch met waarden" de bufferzone vormt tussen de woonpercelen en het achterliggende natuurgebied Ilperveld en de bescherming van de landschapswaarden van het achterliggende natuurgebied Ilperveld waarborgt. Het huidige landschap van het achterliggende natuurgebied Ilperveld is te typeren als een weids en open veenweidegebied dat wordt doorsneden door vele sloten en slootjes. Volgens de raad is het onwenselijk dat woonbebouwing dicht tegen het natuurgebied Ilperveld aan wordt gerealiseerd. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Dat uit het door [appellant sub 7] overgelegde rapport van Dresme & Van der Valk van 26 februari 2016 "Effectenbeoordeling Natuurbeschermingswet wijziging bestemmingsvlakken op het perceel [locatie 9] te Landsmeer" (hierna: het rapport) volgt dat, indien op het perceel [locatie 9] de begrenzing van de bestemming "Wonen - 3" met 50 m naar het oosten zou worden opgeschoven, geen aanvullende negatieve effecten worden verwacht op het naastgelegen Natura 2000-gebied, maakt het voorgaande niet anders. Hierbij is van belang dat, ook al zou de conclusie uit het rapport juist zijn, dit niet betekent dat de raad uit planologisch oogpunt geen eigen afweging mag maken voor gronden in het plangebied.

Voor zover [appellant sub 7] erop gewezen heeft dat bij andere percelen in de omgeving de woonbestemming aan een groter deel van deze percelen en derhalve ook aan de aanwezige tuinen is toegekend, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat bij die percelen de bestemmingsgrenzen zijn overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan zodat dit bestaande planologische situaties betreffen die niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Gelet op het voorgaande heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om de bestemming "Wonen - 3" niet aan een groter deel van het perceel [locatie 9] toe te kennen.

Het betoog van [appellant sub 7] faalt.

Conclusie

30. Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond.

30.1. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 7] bestaat geen aanleiding.

Opdracht

31. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 6A] en anderen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Landsmeer van 10 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Het Lint 2015", voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen - 3" voor de gronden gelegen ten oosten van het perceel [locatie 2];

b. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 3];

c. het plandeel met de bestemming "Wonen - 3" voor het perceel [locatie 5];

d. de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Water - 1" ter plaatse van het botenhuis op het perceel [locatie 6];

III. draagt de raad van de gemeente Landsmeer op om binnen

20 weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de hiervoor onder II. genoemde planonderdelen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 7] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Landsmeer tot vergoeding van:

a. bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1020,10 (zegge: duizendtwintig euro en tien cent), waarvan € 992,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Landsmeer aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 2];

b. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 3].

c. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 5];

d. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 6A] en anderen, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Driessen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016

634.