Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2003

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
201601464/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2016 is de vreemdeling de toegang geweigerd. Bij besluit van 18 januari 2016 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601464/1/V3.

Datum uitspraak: 8 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 februari 2016 in zaken nrs. 16/908 en 16/909 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2016 is de vreemdeling de toegang geweigerd. Bij besluit van 18 januari 2016 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 18 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding toegewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op dit geding is Verordening (EG) nr. 562/2006 (Pb 2006 L 105; hierna: de Schengengrenscode), zoals deze luidde ten tijde van belang, van toepassing.

Achtergrond

2. Op 3 januari 2016 heeft de vreemdeling bij de grensdoorlaatpost Schiphol een nationaal paspoort van Nigeria overhandigd, een Zwitserse verblijfsvergunning (geldig tot 1 juli 2016) en een vliegticket van Amsterdam naar Genève. Op diezelfde datum heeft de Falsificaten Schiphol Desk van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de FSD) geconstateerd dat de personaliapagina van het paspoort is vervalst. De vreemdeling is de toegang geweigerd omdat hij niet beschikt over een geldig reisdocument, in het bezit is van een vals/nagemaakt/vervalst reisdocument en als een gevaar voor de openbare orde wordt beschouwd. De vreemdeling is aangehouden als verdachte ter zake van vermoedelijke overtreding van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht en zijn vrijheid is hem op strafrechtelijke gronden ontnomen. Op 5 januari 2016 heeft de verbalisant in het proces-verbaal vaststelling identiteit' verklaard dat de persoon op de foto op de verblijfsvergunning gelijkend is aan de vreemdeling en dat de FSD de verblijfsvergunning op echtheid heeft gecontroleerd en als authentiek heeft beoordeeld. Op 18 januari 2016 is de strafrechtelijke detentie van de vreemdeling opgeheven.

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode, voor zover thans van belang, geldt voor onderdanen van derde landen voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen de toegangsvoorwaarde dat zij in het bezit zijn van een geldig reisdocument of van een document dat de houder recht geeft op grensoverschrijding.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, wordt, in afwijking van het eerste lid, onderdanen van derde landen die niet aan alle in het eerste lid genoemde voorwaarden voldoen, maar wel houder zijn van een verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van langere duur, toegang verleend tot het grondgebied van de andere lidstaten met het oog op doorreis zodat zij het grondgebied kunnen bereiken van de lidstaat die de verblijfsvergunning of het visum voor verblijf van langere duur heeft afgegeven, tenzij hun namen zijn vermeld op de nationale signaleringslijst van de lidstaat waarvan zij de buitengrenzen willen overschrijden, en de signalering vergezeld gaat van instructies om de binnenkomst of doorreis te weigeren.

Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, sub i en ii, worden onderdanen van derde landen bij binnenkomst en uitreis aan een grondige controle onderworpen. De grondige controles bij binnenkomst behelzen de verificatie van de in artikel 5, eerste lid, vermelde voorwaarden voor toegang, alsmede, eventueel, van de verblijfs- en werkvergunningen. In dat verband wordt nauwgezet onderzocht of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een document dat geldig is voor grensoverschrijding en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en dat, in voorkomend geval, vergezeld gaat van het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning en of het reisdocument eventuele tekenen van namaak of vervalsing vertoont.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt, indien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, eerste lid, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot de in artikel 5, vierde lid, genoemde categorieën personen behoort, hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd.

Ingevolge artikel 7 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) blijft de toegang geweigerd, indien de vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, op grond van de Schengengrenscode, enig wettelijk voorschrift dan wel een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie zijn vrijheid is ontnomen.

Aangevallen uitspraak en grief

4. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling niet voldeed aan artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode. Nu de vreemdeling echter in het bezit was van een als authentiek beoordeelde Zwitserse verblijfsvergunning, trachtte naar Zwitserland te reizen en niet met het oog op weigering op de nationale signaleringslijst van Nederland staat, had hem, met inachtneming van het imperatief geformuleerde artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode, de toegang op 3 januari 2016 niet mogen worden geweigerd. Nu het besluit tot toegangsweigering onrechtmatig is, geldt hetzelfde voor het daarop gebaseerde besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, aldus de rechtbank.

De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank, door aldus te overwegen, onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van een paspoort met een vervalste personaliapagina. Derhalve werd ernstig getwijfeld aan de door de vreemdeling opgegeven identiteit en de waarde van de verblijfsvergunning. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank ten onrechte het besluit tot toegangsweigering vernietigd en de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig geacht.

Beoordeling

4.1. De grondige controles bij binnenkomst behelzen, gelet op artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode, onder meer de verificatie van verblijfsvergunningen. Om deze verificatie te kunnen laten uitvoeren en de resultaten daarvan af te wachten, moet aan de ambtenaar belast met de grensbewaking enige tijd worden gegund. Vervolgens kan worden vastgesteld of de betrokken vreemdeling behoort tot de in artikel 5, vierde lid, onder a, van de Schengengrenscode genoemde categorie van personen.

4.2. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling, die gezien zijn vliegticket beoogde door te reizen naar Zwitserland, op 3 januari 2016 terecht de toegang is geweigerd nu op die datum is geconstateerd dat hij gebruik heeft gemaakt van een paspoort waarvan de personaliapagina is vervalst. In zoverre slaagt de grief. Eerst op 5 januari 2016 is vastgesteld dat de vreemdeling gelijkend is aan de persoon op de foto op de verblijfsvergunning en is deze vergunning als authentiek beoordeeld. De toegangsweigering duurde, gelet op artikel 7 van de Vw 2000, op dat moment voort omdat de vreemdeling strafrechtelijk was gedetineerd. Na afloop van de strafrechtelijke detentie op 18 januari 2016 kon hem, gelet op de artikelen 13, eerste lid, en 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode, niet langer de toegang worden geweigerd. Op 18 januari 2016 kon aan de vreemdeling derhalve geen vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd. In zoverre faalt de grief.

Conclusie

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 3 januari 2016 ongegrond verklaren en het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 18 januari 2016 gegrond. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 18 januari 2016 tot 29 januari 2016, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 februari 2016 in zaken nrs. 16/908 en 16/909;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep tegen de toegangsweigering ongegrond;

IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel gegrond;

V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 880,00 (zegge: achthonderdtachtig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Bechinka

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2016

371-775.