Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1982

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
201507035/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:6222, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2014 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het huisvesten van zeven personen in een gebouw op het perceel [locatie] te Hem.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507035/1/A1.

Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hem, gemeente Drechterland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 juli 2015 in

zaak nr. 14/4699 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Drechterland.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2014 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het huisvesten van zeven personen in een gebouw op het perceel [locatie] te Hem (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft het college naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 29 juli 2014 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 24 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. van Kwawegen en W. van Houten, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] drijft op het perceel het [bedrijf], dat zich bezighoudt met tulpen. Hij heeft op 26 januari 2014 bij het college een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor het huisvesten van zeven buitenlandse werknemers in de bedrijfswoning op het perceel. Niet in geschil is dat dit gebruik in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van het bestemmingsplan "Drechterland Zuid" (hierna: het bestemmingsplan), omdat op het perceel niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - seizoenshuisvesting" rust. In bezwaar heeft het college zijn besluit om de omgevingsvergunning te weigeren in stand gelaten, omdat het bedrijf volgens het college niet grondgebonden is. Het college wenst in dat geval niet mee te werken aan vergunningverlening voor de huisvesting van buitenlandse werknemers. De rechtbank heeft overwogen dat het college in redelijkheid op grond van deze motivering de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren.

2. [appellant] heeft voor het eerst in hoger beroep aangevoerd dat het huisvesten van zeven buitenlandse werknemers in de bedrijfswoning op het perceel niet in strijd is met het bestemmingsplan nu dat gebruik onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt. Voorts heeft hij in hoger beroep voor het eerst een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan in verband met de 42 bloemenbedrijven in de gemeente Drechterland die werken met een reizende bollenkraam.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze betogen niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze betogen buiten beschouwing te blijven.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren, nu zijn bedrijf wel een grondgebonden agrarisch bedrijf is. Hij wijst erop dat het gebruik van het bedrijfsgebouw ondergeschikt is aan de overige activiteiten op het perceel. Verder stelt [appellant] dat hij op het perceel zowel een tulpenkwekerij als een zogenoemde tulpenbroeierij uitoefent. Hij wijst erop dat in de opstartfase van zijn bedrijf weliswaar tulpenbollen van elders zijn aangeschaft, maar dat dit niet maakt dat het gebruik van de agrarische gronden niet noodzakelijk is voor het functioneren van zijn bedrijf.

3.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Agrarisch" met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3".

Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het agrarisch grondgebruik, met uitzondering van houtteelt en bosbouw;

b. bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;

(…)

en mede bestemd voor:

f. niet-grondgebonden agrarische bedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 1.54 is grondgebonden agrarische bedrijfsvoering een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van de agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een vollegronds tuinbouwbedrijf, een fruit- of sierteeltbedrijf, een productiegerichte paardenhouderij, en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven.

3.2. Uit artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en f, van de planregels volgt dat op het perceel, waaraan in het bestemmingsplan geen aanduiding is gegeven, een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering is toegestaan. Dit is tussen partijen niet in geschil.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarin is overwogen dat het college zich als zodanig in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen niet mee te willen werken aan de huisvesting van zeven personen op het perceel, indien het gebruik van het perceel niet is aan te merken als ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

De vraag die ter beoordeling voorligt, is of ten tijde van het besluit op bezwaar van 3 oktober 2014 het perceel in gebruik is ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Het gebruik dat [appellant] ten behoeve van zijn bedrijf maakt van andere percelen is derhalve niet van betekenis. Evenmin is van betekenis of het gebruik van de gronden van het perceel na genoemde datum is gewijzigd.

In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft [appellant] aan het college het ondernemingsplan "[appellant]" van 11 november 2013 van LTO Noord advies overgelegd, waarin het bedrijfsproces is uiteengezet. Hierin staat dat [appellant] tulpenbollen bij kwekers koopt. Zo heeft hij volgens het ondernemingsplan in 2013 180.000 tulpenbollen gekocht. De tulpenbollen worden in koelcellen bij de Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale te Hoogkarspel opgeslagen en vervolgens in het bedrijfsgebouw op het perceel geplaatst in schalen. Het bedrijfsgebouw is voorzien van een lichtdoorlatend dak. In het bedrijfsgebouw vindt het grootste deel van het jaar de zogenoemde afbroei van tulpen plaats. Als het in het bedrijfsgebouw voor tulpen te warm is, worden de schalen met tulpen buiten geplaatst. Dat kan jaarlijks variëren van enkele weken tot twee maanden.

[appellant] heeft zijn stelling dat de agrarische gronden noodzakelijk zijn voor het functioneren van zijn bedrijf, omdat hij op het perceel ook tulpen in de volle grond kweekt, niet met stukken onderbouwd, zodat zijn stelling niet aannemelijk is gemaakt.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de bedrijfsvoering van [appellant] zich hoofdzakelijk richt op het potten, broeien en verhandelen van tulpen. Nu slechts een gering deel van het jaar schalen met tulpen buiten worden geplaatst, heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat de bedrijfsvoering hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt. De rechtbank heeft dan ook, wat ook zij van de stelling van [appellant] dat de agrarische gronden noodzakelijk zijn voor het functioneren van het bedrijf, reeds hierom terecht geconcludeerd dat het agrarische bedrijf Van [appellant] niet is aan te merken als een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Pans w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

163-761.