Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1978

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
201508261/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Schietvereniging De Snip" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7590
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508261/1/R2.

Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Jaarsveld, gemeente Lopik,

2. [appellant sub 2], wonend te Jaarsveld, gemeente Lopik,

3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Lopik,

en

de raad van de gemeente Lopik,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Schietvereniging De Snip" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

Schietvereniging De Snip heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2016, waar [appellant sub 2], [appellant sub 3A], [appellante sub 3B] en [belanghebbende], allen bijgestaan door mr. W. Visser, en de raad, vertegenwoordigd door drs. J. Broeke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is Schietvereniging De Snip, vertegenwoordigd door Th.D. Oostendorp, A.W. Hoogenberk, J. Noordam en J. van den Bos, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een regeling voor het terrein van schietvereniging De Snip. Dit terrein ligt aan de Lekdijk in Lopik. Met het plan wordt beoogd op dat terrein kleiduifschieten mogelijk te maken op twee banen. Voorts is met het plan beoogd een geluidwerende voorziening mogelijk te maken. Omdat de geluidwerende voorziening en het door de schietvereniging gewenste bebouwingsoppervlak in het voorheen geldende plan niet waren toegestaan heeft de raad ervoor gekozen een nieuw plan vast te stellen voor het terrein van de schietvereniging.

3. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wonen in de omgeving van het terrein van de schietvereniging. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat daarin wederom schietactiviteiten worden toegestaan. Zij stellen daarvan overlast te ondervinden.

Formele beroepsgronden

4. [appellant sub 1] betoogt dat zijn zienswijze tegen het ontwerpplan ten onrechte niet individueel door de raad in behandeling is genomen. Volgens hem is zijn zienswijze ten onrechte geschaard onder de algemene zienswijze van de bewoners van Jaarsveld. Bovendien had zijn zienswijze ook digitaal ter inzage moeten worden gelegd, aldus [appellant sub 1].

4.1. [appellant sub 1] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, of dat op argumenten is ingegaan in het kader van zienswijzen van anderen, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten van [appellant sub 1] niet in de overwegingen zijn betrokken. Voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb bestaat dan ook geen aanleiding.

Voorts heeft [appellant sub 1] betoogd dat zijn zienswijze ten onrechte niet digitaal ter inzage is gelegd. Geen wettelijk voorschrift verplicht de raad echter de ingediende zienswijzen digitaal ter inzage te leggen. Dat de raad dat achterwege heeft gelaten kan dan ook geen reden zijn voor vernietiging van het bestreden besluit.

De betogen falen.

De beroepen inhoudelijk

5. Volgens [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] is niet zeker dat ter plaatse van hun woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd en is een schietvereniging in deze omgeving ruimtelijk niet aanvaardbaar. Hiertoe voeren zij aan dat de raad het geluidsaspect ten onrechte niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken en dat uit het beschikbare onderzoek blijkt dat de geluidnormen voor het schietgeluid worden overtreden. Zij vrezen ook dat de schietactiviteiten op veel verschillende momenten zullen plaatsvinden, waardoor de overlast nog zal toenemen. Zij wijzen er nog op dat veel omwonenden hinder van de schietactiviteiten ondervinden terwijl relatief weinig personen gebruik zullen maken van de schietbanen.

5.1. De raad stelt dat het voorheen geldende plan al recreatieve activiteiten in de vorm van een schietvereniging mogelijk maakte. Volgens de raad hoeft in deze procedure daarom eigenlijk alleen de ruimtelijke inpasbaarheid van de nieuwe geluidwal te worden onderbouwd. Het geluid van de schietactiviteiten is volgens de raad wel degelijk betrokken bij de vaststelling van het plan: de raad stelt dat met een wijziging in de wetgeving per 1 januari 2016 kan worden voldaan aan de geluidnormen. Dit standpunt vindt steun in het akoestisch rapport dat aan het plan ten grondslag is gelegd, aldus de raad.

5.2. Aan het plangebied is de bestemming "Recreatie - Schietvereniging" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Schietvereniging" aangewezen gronden bestemd voor:

a. ter plaatse met de subbestemming Sv "Schietvereniging", met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groen en water;

b. het uitvoeren en duurzaam in stand houden van het overeengekomen beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 en 3 van het bestemmingsplan.

5.3. Net als de voorzieningenrechter stelt de Afdeling vast dat de bestemmingsomschrijving van de voor ‘Recreatie - Schietvereniging’ aangewezen gronden in artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels geen schietactiviteiten vermeldt. Voorts is de Afdeling niet gebleken dat de onder a vermelde subbestemming Sv ‘Schietvereniging’ voorkomt op de verbeelding of elders in de planregels. Verder zijn in het plan, anders dan de specifieke gebruiksregels van artikel 3, lid 3.4, waarbij onder andere is bepaald op welke dagen geen schietactiviteiten mogen plaatsvinden, geen gebruiksregels opgenomen.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat de schietactiviteiten die de raad in het plangebied heeft willen toestaan, daar volgens het plan niet zijn toegestaan. Dat in de definitiebepaling van het plan wel een definitie van een schietvereniging is opgenomen en dat is bepaald dat op specifieke momenten geen schietactiviteiten mogen plaatsvinden, maakt dat niet anders: het definiëren van het begrip schietvereniging en het uitsluiten van schietactiviteiten op bepaalde momenten heeft geen betekenis als die schietactiviteiten niet expliciet zijn toegestaan binnen de voor de gronden van de schietvereniging geldende bestemming. Gelet op het voorgaande heeft de raad met het plan niet geregeld wat hij heeft beoogd te regelen. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, zodat het dient te worden vernietigd. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn gegrond.

6. Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling nog het navolgende. In het verweerschrift stelt de raad zich op het standpunt dat alleen de ruimtelijke inpasbaarheid van de geluidwal onderbouwing behoeft, omdat de schietactiviteiten op deze locatie in het verleden al waren toegestaan en de schietactiviteiten inmiddels onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn komen te vallen. De Afdeling wijst erop dat als de raad besluit over te gaan tot het vaststellen van een nieuw plan, hij daarbij ook in dit geval, waarin de schietactiviteiten al eerder waren toegestaan, een actuele afweging zal moeten maken met betrekking tot de vraag of het (wederom) toestaan van de schietactiviteiten op deze locatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het woon- en leefklimaat van omwonenden te worden betrokken en moet rekening worden gehouden met de milieuwetgeving die geldt op het moment van vaststellen van een eventueel nieuw plan. Als de schietactiviteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn komen te vallen, wat er ook zij van die stelling van de raad, maakt dat het voorgaande niet anders: die omstandigheid ontslaat de raad niet van de verplichting een ruimtelijke afweging te maken.

Ook merkt de Afdeling nog op dat de raad er bij het bestreden besluit van is uitgegaan dat een geluidwal wordt opgericht, maar dat het oprichten van die geluidwal in het bij het bestreden besluit vastgestelde plan niet verplicht is gesteld, nu de planregels slechts spreken over het in stand houden van de geluidwal en in de planregels of op de verbeelding niet is aangegeven waar die wal zou moeten worden gerealiseerd. Ook dit zal de raad bij de voorbereiding van een nieuw vast te stellen plan moeten betrekken, mocht de raad daartoe over willen gaan.

Conclusie

7. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

8. De raad dient op de na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 3] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lopik van 1 september 2015, waarbij het bestemmingsplan "Schietvereniging De Snip" is vastgesteld;

III. draagt de raad van de gemeente Lopik op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Lopik tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1013,70 (zegge: duizenddertien euro en zeventig cent), waarvan een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de één bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Lopik aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], met dien verstande dat betaling aan de één bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2];

c. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], met dien verstande dat betaling aan de één bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. G. Klapwijk, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Klapwijk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

726.