Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1962

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
201506011/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:5032, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit, gepubliceerd in de Staatscourant van 27 maart 2014 (Stcrt. 2014, nr. 9012), heeft het college een parkeerverbod ingesteld op het Jaagpad, ter hoogte van de aansluiting met de Zuid Schalkwijkerweg, gemeente Haarlem (hierna: het verkeersbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506011/1/A1.

Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2015 in zaak nr. 14/3252 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit, gepubliceerd in de Staatscourant van 27 maart 2014 (Stcrt. 2014, nr. 9012), heeft het college een parkeerverbod ingesteld op het Jaagpad, ter hoogte van de aansluiting met de Zuid Schalkwijkerweg, gemeente Haarlem (hierna: het verkeersbesluit).

Bij besluit van 8 juli 2014 heeft het college de door [partij A] en een aantal anderen omwonenden daartegen afzonderlijk gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het verkeersbesluit ingetrokken.

Bij uitspraak van 16 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 juli 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partij A] en een aantal andere omwonenden hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Parmentier, advocaat te Haarlem, en vergezeld door G. Nol, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.B.B. Dohmen en M.B. de Graaf, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A], [partij B], bijgestaan door mr. I.J.H. Edelmann, en F.A. Schreuders, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het Jaagpad ligt grotendeels evenwijdig aan de rivier het Spaarne en dient mede als toegangsweg tot woonboten. Op het wegvak dat haaks aan het Spaarne ligt, ter hoogte van de woning van [appellant] aan de [locatie], pleegt een aantal bewoners van de woonboten hun auto’s te parkeren. Het college heeft bij het verkeersbesluit een parkeerverbod op het voormelde wegvak ingesteld om het groen van het buitengebied, waaraan door de raad van de gemeente Haarlem waarde zou worden gehecht, te waarborgen.

Bij het besluit van 8 juli 2014 heeft het college het verkeersbesluit ingetrokken, omdat het parkeerverbod onevenredig nadelig is voor de bewoners van de woonboten in verhouding tot de met het parkeerverbod te dienen doelen, omdat zij als gevolg van het parkeerverbod genoodzaakt zouden zijn hun auto’s op 470 m of verder van hun woonboten te parkeren. Volgens het college is de weg naar die parkeerplekken moeilijk begaanbaar omdat twee steile bruggetjes moeten worden gepasseerd. Verder was het volgens het college de kennelijke bedoeling van de raad om het wegvak bij de vaststelling van het bestemmingsplan in 2010 te bestemmen als parkeerplaats, maar is dit abusievelijk niet gebeurd. Destijds stond de landschappelijke waarde van het gebied dus niet aan de wens van de raad in de weg om het wegvak te bestemmen als parkeerplaats, aldus het college.

[appellant] kan zich niet met het besluit van 8 juli 2014 verenigen en vindt dat op het Jaagpad ter hoogte van zijn woning een parkeerverbod moet worden ingesteld.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, voor zover hier van belang, moet de plaatsing of verwijdering van de borden die zijn opgenomen in hoofdstuk E van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, geschieden krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Bespreking hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 8 juli 2014 ten onrechte in stand heeft gelaten. Volgens [appellant] was dat vanwege het door de rechtbank geconstateerde gebrek in dat besluit niet mogelijk. Voorts is het intrekken van het verkeersbesluit, gelet op de door hem ervaren overlast en hinder vanwege geparkeerde auto’s, in strijd met artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat overlast en hinder geen belangen zijn op grond waarvan een parkeerverbod kan worden ingesteld. [appellant] voert verder aan dat het niet onredelijk is dat sommige woonbootbewoners 700 m moeten lopen naar de alternatieve parkeerplekken. Ook is het intrekken van het verkeersbesluit in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, aldus [appellant]. In dit verband voert hij verder aan dat het intrekken van het verkeersbesluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat nu voor automobilisten niet duidelijk is dat het parkeren niet is toegestaan.

3.1. De rechtbank heeft het besluit van 8 juli 2014 wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigd, omdat [appellant] ten onrechte niet als belanghebbende in de gelegenheid was gesteld te worden gehoord voordat het op de bezwaren van omwonenden tegen het verkeersbesluit had beslist. De rechtbank heeft niettemin met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand gelaten, omdat [appellant] in beroep alsnog zijn standpunt naar voren heeft kunnen brengen en het college in redelijkheid tot intrekking van het verkeersbesluit heeft kunnen overgaan.

3.2. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem ervaren overlast en hinder door geparkeerde auto's geen belangen zijn die vallen onder artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 op grond waarvan het college een parkeerverbod kan instellen. De tekst van dit artikel noch de geschiedenis van de totstandkoming ervan (Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, blz. 64; Kamerstukken II 1979/80, 16 092, nr. 3; Kamerstukken II 1985/86, 16 092, nr. 5, blz. 16-17) geven aanknopingspunten voor een beperkte uitleg van dit artikel zoals de rechtbank heeft gedaan.

Dit leidt echter niet tot het door [appellant] daarmee beoogde doel. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college naar aanleiding van de door omwonenden gemaakte bezwaren het verkeersbesluit heeft kunnen herroepen. Daartoe heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de belangen van de bewoners van de woonboten om in de directe nabijheid van hun woonboten te kunnen parkeren heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van de landschappelijke waarde van het gebied waar de auto’s geparkeerd staan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, het pad dat bewoners zouden moeten gebruiken om van en naar alternatieve parkeerplekken te lopen vooral in de winter slecht begaanbaar is, dat het niet of nauwelijks is verlicht, dat twee steile bruggen moeten worden overgestoken en dat de alternatieve parkeerplekken bovendien op 470 m afstand of meer van de woonboten liggen. Onder deze omstandigheden heeft het college aan het door [appellant] gestelde belang van de landschappelijke waarde van het gebied, dat volgens hem op grond van het bestemmingsplan prevaleert boven parkeerplekken, geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. Voorts geeft het door [appellant] gestelde met het bestemmingsplan strijdige gebruik van gronden voor parkeren, wat daar ook van zij, geen grond voor het oordeel dat het college, bij afweging van alle betrokken belangen, het verkeersbesluit niet heeft kunnen intrekken. Tot slot bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het intrekken van het verkeersbesluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het college is op grond van artikel 7:11 van de Awb verplicht op grondslag van de gemaakte bezwaren een heroverweging te maken van het besluit van 27 maart 2014. Deze heroverweging kan leiden tot herroeping van dit besluit.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat [appellant] in beroep alsnog zijn standpunt naar voren heeft kunnen brengen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet in redelijkheid met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit van 8 juli 2014 in stand heeft kunnen laten.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

414-784.