Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:195

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201404714/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2014, kenmerk 14int05201, heeft het college besloten de bestemming "Agrarisch bouwblok" voor het perceel [locatie 1] te Haghorst te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404714/2/R3.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Haghorst, gemeente Hilvarenbeek,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2014, kenmerk 14int05201, heeft het college besloten de bestemming "Agrarisch bouwblok" voor het perceel [locatie 1] te Haghorst te wijzigen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, en het college, vertegenwoordigd door Th. Li, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. P.R. Botman, advocaat te Tilburg, en ing. I.A.G.J. Spapens, gehoord.

Bij tussenuitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201404714/1/R3 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 18 maart 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 7 juli 2015 heeft het college het besluit van 18 maart 2014 gewijzigd (hierna: wijzigingsbesluit).

[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen naar voren te brengen over de wijze waarop het college heeft beoogd de gebreken te herstellen. [appellant] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in overweging 5.4 van de tussenuitspraak overwogen dat het college de onderzoeken naar de aspecten luchtkwaliteit, geur-, geluid- en lichthinder niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen, omdat daarin niet is uitgegaan van de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van de bouwblokvergroting. Ook heeft het college zich geen rekenschap gegeven van de mogelijkheid dat als gevolg van de vergroting van het bouwblok sleufsilo’s nog dichter bij de perceelsgrens van [appellant] kunnen worden gebouwd. Het bestreden besluit is daarom niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid waardoor niet inzichtelijk is of dit besluit in strijd is met artikel 8, lid 8.1.6, onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Voorts heeft de Afdeling in overweging 6.5 overwogen dat, gelet op overweging 5.4, het college ten onrechte niet heeft verantwoord of de vergroting van het bouwblok vanuit een milieuoogpunt aanvaardbaar is, zodat het bestreden besluit in zoverre ook in strijd met artikel 9.3, tweede lid, onder c, van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012) is vastgesteld.

2. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na verzending daarvan met inachtneming van overweging 5.4 te onderzoeken of de vergroting van het bouwblok onevenredige schade tot gevolg heeft voor omringende natuur, abiotische en/of landschappelijke belangen en waarden en voor de belangen van derden als bedoeld in artikel 8, lid 8.6.1, onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Daarnaast is het college opgedragen met inachtneming van overweging 6.5 te verantwoorden of de beoogde ontwikkeling vanuit milieuoogpunt aanvaardbaar is, zoals bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012. Zo nodig dient het college, indien de onderzoeken daartoe aanleiding geven, het bestreden besluit te wijzigen.

3. Met het wijzigingsbesluit heeft het college nieuwe regels aan het besluit van 18 maart 2014 toegevoegd:

- binnen het bouwblok is alleen een grondgebonden veehouderij toegestaan;

- binnen het bouwblok mogen alleen melkkoeien en jongvee worden gehouden; en

- de oostgevel van de nieuwbouw op de rand, dan wel binnen 5 meter afstand van de rand van het bouwblok dient dicht te worden uitgevoerd en mag niet worden voorzien van belichting met uitstraling op aangrenzende percelen van derden.

Voorts heeft het college ter uitvoering van de opdracht nader onderzoek laten verrichten naar de aspecten luchtkwaliteit, geur-, geluid- en lichthinder. Ook heeft het college, onder verwijzing naar de afstand van 50 m die op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer in dit geval aangehouden moet worden, gemotiveerd dat sleufsilo’s niet dichter bij de perceelsgrens van [appellant] kunnen worden gebouwd.

4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dient het beroep van [appellant] te worden geacht mede te zijn gericht tegen het wijzigingsbesluit. Nu het college met het wijzigingsbesluit nieuwe regels aan het besluit van 18 maart 2014 heeft toegevoegd, zal de Afdeling dit besluit, zoals het na het wijzigingsbesluit luidt, in het licht van de aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

5. [appellant] voert onder meer aan dat het college ten onrechte nieuwe regels voor de vergroting van het bouwblok heeft vastgesteld, omdat het bestemmingsplan daarvoor geen grondslag biedt. Daarnaast voert hij aan dat in de nieuwe onderzoeken ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van de bouwblokvergroting. Zo vreest hij geluidhinder in zijn tuin, toename van de achtergrondbelasting van geur en lichthinder in zijn woning. Voorts voert [appellant] aan dat nieuwe sleufsilo’s aan de noordoostelijke zijde van het bouwblok kunnen worden gebouwd en door de bouwblokvergroting dichter bij zijn woning kunnen worden geplaatst. Verder betoogt hij dat een bouwblokvergroting in strijd is met artikel 8.3, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012.

6. Het college stelt zich, onder verwijzing naar het wijzigingsbesluit en de nadere onderzoeken, op het standpunt dat aan de wijzigingsvoorwaarden van artikel 8, lid 8.6.1, van de voorschriften van het bestemmingsplan is voldaan en dat de bouwblokvergroting vanuit milieuoogpunt aanvaardbaar is.

7. Het betoog van [appellant] dat het college ten onrechte nieuwe regels voor de vergroting van het bouwblok heeft vastgesteld, omdat het bestemmingsplan daarvoor geen grondslag biedt, volgt de Afdeling niet. Daarbij is van belang dat de regels van het wijzigingsbesluit in dit geval slechts een nadere invulling zijn van de wijzigingsvoorwaarde van artikel 8, lid 8.6.1, onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan, inhoudende dat de bouwblokvergroting geen onevenredige schade tot gevolg mag hebben voor omringende waarden en belangen van derden.

De resultaten van de nadere onderzoeken zijn onder meer neergelegd in de notitie van R&S Advies van 25 juni 2015. In deze onderzoeken is uitgegaan van een grondgebonden melkrundveehouderij op het perceel. Gelet op de nadere regels in het wijzigingsbesluit, is dit een juist uitgangspunt, zodat het betoog van [appellant] dat in de onderzoeken ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, niet kan worden gevolgd. In de notitie staat, onder verwijzing naar twee memo’s van het Milieuadviesbureau van 26 juni 2015, dat de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieuhinder vermelde maximale waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau in de tuin bij de woning van [appellant] aan de [locatie 2] niet worden overschreden. Ook staat in de notitie dat de achtergrondbelasting van geur op de woning van [appellant] 12,96 OUE/m³ bedraagt en dat in het buitengebied een achtergrondbelasting van 20 OUE/m³ aanvaardbaar wordt geacht. Daarnaast volgt uit de notitie dat het strooibeeld van licht tot 10 m vanaf de nieuwe stal op het perceel beperkt zal blijven, omdat de oostzijde van de stal dicht zal worden uitgevoerd en [appellant] geen lichthinder zal ondervinden in zijn woning die op een afstand van 50 m vanaf de bouwblok staat. De Afdeling overweegt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onderzoeken zodanige gebreken vertonen of leemten in kennis bevatten dat de conclusies daarvan om die redenen niet kunnen worden gevolgd. Evenmin heeft [appellant] door middel van rapporten aannemelijk gemaakt dat de getrokken conclusies onjuist zijn. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding te oordelen dat het college die onderzoeken niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Voorts ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om de stelling van het college dat nieuwe sleufsilo’s niet aan de noordoostelijke zijde van het bouwblok kunnen worden gebouwd, onjuist te achten. Daarbij is van belang dat in dat geval niet kan worden voldaan aan de ter zake geldende afstandsnorm van 50 m van het Activiteitenbesluit milieuhinder, ter zake van het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen.

Voor zover [appellant] betoogt dat een bouwblokvergroting in strijd is met artikel 8.3, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012, ingevolge welk artikel een bestemmingsplan, dat is gelegen in agrarisch gebied, bepaalt dat nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf niet is toegestaan, kan dit betoog niet worden gevolgd, omdat met de vergroting niet wordt voorzien in nieuwvestiging. Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het wijzigingsbesluit ongegrond.

Gelet op overwegingen 5.4 en 6.5 van de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 maart 2014 gegrond, zodat dat besluit dient te worden vernietigd. Gelet op het overwogene onder 7 over het wijzigingsbesluit en de nadere onderzoeken zijn de in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken aan het besluit van 18 maart 2014 hersteld en ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit, zoals dit luidt na het wijzigingsbesluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten.

9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek van 18 maart 2014, kenmerk 14int05201, gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek van 18 maart 2014, kenmerk 14int05201;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek van 7 juli 2015 ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.323,40 (zegge: dertienhonderddrieëntwintig euro en veertig cent), waarvan € 1.225,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Man

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

629.