Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1945

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
201600484/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2015 heeft het college zijn beslissing om op 27 oktober 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 125,00 en bepaald dat dit bedrag voor rekening van [appellant] komt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7352
JAF 2016/630 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600484/1/A1.

Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2015 heeft het college zijn beslissing om op 27 oktober 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 125,00 en bepaald dat dit bedrag voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 11 december 2015 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2016, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak van het merk Komo die volgens het college op 27 oktober 2015 naast een ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van het perceel Lepelaarsingel 108 is aangetroffen. Omdat in de huisvuilzak een nota met de naam- en adresgegevens van [appellant] is aangetroffen, stelt het college zich op het standpunt dat de huisvuilzak van hem afkomstig is, dat hij deze in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling heeft aangeboden en dat de kosten van de spoedeisende bestuursdwang op hem als overtreder worden verhaald. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op een door een toezichthouder opgesteld rapport van 27 oktober 2015.

2. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening kan het college aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

3. [appellant] betoogt dat het college aan het bij besluit op bezwaar gehandhaafde besluit van 6 november 2015 niet het rapport van 27 oktober 2015 ten grondslag heeft mogen leggen, omdat daarin onjuistheden vermeld staan en daarom moet worden getwijfeld aan de juistheid van hetgeen verder in het rapport staat. Volgens [appellant] bevindt zich nabij zijn woning alleen ter hoogte van het perceel Lepelaarsingel 104 een ondergrondse afvalcontainer. [appellant] betwist verder dat, zoals in het rapport is vermeld, de afvalcontainer op 27 oktober 2015 niet vol was. In dit verband verwijst hij naar schriftelijke verklaringen van zijn [buurvrouw].

Ter adstructie van zijn stellingen heeft [appellant] nog naar voren gebracht dat hij is beëdigd als advocaat en dat daarom, evenals bij een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt rapport van een toezichthouder, in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van wat hij stelt en verklaart.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1361), mag een bestuursorgaan, in dit geval het college, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt rapport. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

3.2. Het rapport van 27 oktober 2015 van de toezichthouder is op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt.

In het rapport staat dat op 27 oktober 2015 een Komo-huisvuilzak is aangetroffen buiten een afvalcontainer of kliko en dat de afvalcontainer niet vol was. Voorts staat in het rapport als locatie Lepelaarsingel 108a te Rotterdam vermeld. Bij het rapport hoort een foto van een grijze huisvuilzak, die naast een ondergrondse afvalcontainer is geplaatst. Het college heeft met juistheid geconstateerd dat volgens het rapport een grijze huisvuilzak naast een ondergrondse afvalcontainer is aangetroffen.

[appellant] heeft terecht gesteld dat ter hoogte van het perceel Lepelaarsingel 108a geen ondergrondse afvalcontainer is gelegen. Dit leidt echter niet tot het door hem beoogde doel. Gebleken is dat nabij de woning van [appellant] aan de [locatie], op een afstand van ongeveer 15 m, een ondergrondse afvalcontainer aanwezig is ter hoogte van het perceel Lepelaarsingel 104. Nu in de directe omgeving geen andere ondergrondse afvalcontainer is gelegen, kan er geen misverstand over bestaan dat met de in het rapport genoemde ondergrondse afvalcontainer deze afvalcontainer wordt bedoeld.

In het rapport is verder vermeld dat de ondergrondse afvalcontainer niet vol was. In een schriftelijke verklaring van 9 november 2015 stelt [buurvrouw] dat [appellant] zich op 27 oktober 2015 tegenover haar erover heeft beklaagd dat de ondergrondse afvalcontainer vol was en dat de vulopening met veel moeite kon worden geopend en gesloten. Uit deze verklaring blijkt niet dat [buurvrouw] zelf heeft geconstateerd dat de ondergrondse container vol was. [appellant] heeft door te verwijzen naar deze verklaring, wat daar verder overigens ook van zij, dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de afvalcontainer vol was. In de schriftelijke verklaring van 20 november 2015 heeft [buurvrouw] niets verklaard over het al dan niet vol zijn van de ondergrondse afvalcontainer.

Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat hij is beëdigd als advocaat en dat daarom van de juistheid van hetgeen hij stelt moet worden uitgegaan, overweegt de Afdeling dat hij in dit geval niet optreedt als advocaat, maar in rechte is opgekomen ter behartiging van zijn eigen belangen, zodat reeds daarom aan het gestelde geen betekenis toekomt.

Gelet op het vorenoverwogene bestaat in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet mocht uitgaan van de juistheid van het op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte rapport van 27 oktober 2015.

Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellant] heeft betwist dat de naast de ondergrondse afvalcontainer aangetroffen huisvuilzak in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling is aangeboden, nu het mogelijk is dat deze huisvuilzak deugdelijk in de afvalcontainer is geworpen, overweegt de Afdeling dat ondergrondse afvalcontainers zodanig zijn geconstrueerd dat een eenmaal in de afvalcontainer geworpen huisvuilzak daar niet meer uit kan worden gehaald. Nu de huisvuilzak naast de ondergrondse afvalcontainer is aangetroffen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze in strijd met genoemd artikellid niet via de ondergrondse afvalcontainer, en derhalve niet op juiste wijze, ter inzameling is aangeboden.

5. [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij stelt dat hij zijn huisvuil nooit in huisvuilzakken ter inzameling aanbiedt, maar daarvoor boodschappentassen gebruikt. Ter onderbouwing van deze stelling wijst [appellant] erop dat [buurvrouw] in de verklaring van 20 november 2015 heeft gesteld dat zij op 27 oktober 2015 heeft gezien dat [appellant] een klein geel tasje in de afvalcontainer heeft gedeponeerd. Naar zijn stelling is het college bij het besluit op bezwaar ten onrechte voorbij gegaan aan deze ten tijde van de hoorzitting in bezwaar overgelegde verklaring.

5.1. In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie een aangetroffen afvalstof kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

5.2. In de Komo-huisvuilzak is een nota aangetroffen van een op 25 oktober 2015 gedane bestelling van verschillende gerechten bij een food- en grillhouse en de bezorging daarvan op het adres van [appellant]. Op de nota staan de naam- en adresgegevens van [appellant]. De aangetroffen Komo-huisvuilzak is daarom tot hem herleidbaar. Dit betekent dat het college mag aannemen dat [appellant] de overtreder is en daarom de kosten voor verwijdering van de huisvuilzak bij hem in rekening mag brengen, tenzij [appellant] aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de huisvuilzak op onjuiste wijze heeft aangeboden.

Bij besluit op bezwaar is het college inhoudelijk ingegaan op het betoog van [appellant] dat hij altijd van plastic boodschappentassen gebruik maakt voor het aanbieden van zijn huisvuil. De omstandigheid dat het college niet expliciet is ingegaan op de schriftelijke verklaring van [buurvrouw] van 20 november 2015, die beweerdelijk zou zijn overgelegd, maakt niet dat het besluit om die reden onvoldoende gemotiveerd is.

Aan de omstandigheid dat [buurvrouw] heeft verklaard dat zij heeft waargenomen dat [appellant] op 27 oktober 2015 een geel zakje met huisvuil via de ondergrondse afvalcontainer ter inzameling heeft aangeboden, komt geen beslissende betekenis toe, reeds nu het in bezwaar gehandhaafde besluit een onjuist aangeboden Komo-huisvuilzak betreft. Met de stelling dat [appellant] volgens [buurvrouw] alleen van plastic boodschappentassen gebruik maakt voor het aanbieden van zijn huisvuil, is niet aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die de Komo-huisvuilzak op onjuiste wijze heeft aangeboden. Deze verklaring ziet op hoe [appellant] volgens [buurvrouw] in de regel zijn huisvuil ter inzameling aanbiedt. Tegen deze achtergrond ziet de Afdeling geen aanleiding het door [appellant] gedane aanbod om [buurvrouw] op dit punt te laten horen, te honoreren. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel, hetgeen [appellant] ter zitting heeft bevestigd, dat zij meer of anders kan verklaren dan zij schriftelijk reeds heeft gedaan.

Gezien het vorenoverwogene heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die de Komo-huisvuilzak op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college [appellant] ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat het college willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast. In dat verband wijst [appellant] erop dat het college niet heeft opgetreden tegen andere rommel en een twee- en driezitsbank en een grote koffer die op 27 oktober 2015 naast de ondergrondse afvalcontainer stonden.

6.1. Het college heeft erop gewezen dat het bij geconstateerde overtredingen van onjuist aangeboden afvalstoffen handhavend optreedt. De kosten hiervan worden verhaald op diegene die als overtreder kan worden aangemerkt, als deze kan worden achterhaald. Er is geen aanleiding te twijfelen aan dit betoog. Evenmin bestaat aanleiding ervan uit te gaan dat wat betreft het door [appellant] genoemde afval een overtreder viel te achterhalen. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat het college willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door handhavend op te treden tegen de door [appellant] gepleegde overtreding.

Het betoog faalt.

7. [appellant] heeft in zijn beroepschrift gesteld dat andere buren kunnen worden gehoord voor het verkrijgen van een algemeen beeld van de situatie. De Afdeling ziet aanleiding dit te passeren. Het verkrijgen van een algemeen beeld van de omstandigheden kan niet bijdragen aan de beoordeling van deze zaak.

Voor zover [appellant] in zijn beroepschrift te kennen heeft gegeven dat hij de toezichthouder in een civiel getuigenverhoor wenst te horen over de bevindingen in het rapport, heeft hij ter zitting te kennen gegeven het proces-verbaal van een dergelijk verhoor te willen gebruiken in een civiele procedure. Nu dit bewijsaanbod niet is bedoeld voor deze zaak behoeft dit geen inhoudelijke bespreking.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

163-833.