Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
201507891/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:4251, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2014 heeft het college [appellant sub 2] een tegemoetkoming in planschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7617 met annotatie van M.G.O. de Lange
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507891/1/A2.

Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze,

2. [appellant sub 2], wonend te Nieuwediep, gemeente Aa en Hunze,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 september 2015 in zaak nr. 15/1389 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2014 heeft het college [appellant sub 2] een tegemoetkoming in planschade toegekend.

Bij besluit van 10 maart 2015 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 maart 2015 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke reactie op het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ingediend.

Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 2 september 2014 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en [appellant sub 2] een aanvullende tegemoetkoming in planschade toegekend.

[appellant sub 2] heeft gronden van beroep tegen dit besluit ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 201507890/1/A2 ter zitting behandeld op 2 mei 2016, waar het college, vertegenwoordigd door T. Bruining en ing. G.A. Ebels, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellant sub 2] is eigenaresse van de vrijstaande woning aan het [locatie] te Nieuwediep (hierna: de woning). Bij brief van 10 januari 2014 heeft zij bij het college een aanvraag ingediend om een tegemoetkoming in planschade, bestaande uit vermindering van de waarde van de woning, die zij onder meer stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Kanaaldorpen van 13 juli 2011 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). In het nieuwe bestemmingsplan heeft een ten zuidoosten van de woning gelegen agrarisch gebied (hierna: het plangebied) een bestemming voor Verkeer - Parkeerterrein gekregen.

2. Het college heeft voor de op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In een advies van 6 augustus 2014 heeft de SAOZ een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en het daaraan voorafgaande planologische regime. Uit deze vergelijking heeft de SAOZ de conclusie getrokken dat de planologische verandering voor [appellant sub 2] heeft geleid tot aantasting van het uitzicht en het omgevingskarakter en tot toename van hinder in de vorm van lawaai, stof en stank van vrachtwagens. Volgens de SAOZ is [appellant sub 2] in een nadeliger planologische positie komen te verkeren en is de waarde van de woning ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan op 23 september 2011 met € 4.000,00 (van € 240.000,00 naar € 236.000,00) gedaald. Voorts is in het advies uiteengezet dat de schade niet uitstijgt boven de in artikel 6.2, tweede lid, van de wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) vastgestelde drempel van twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk vóór het opkomen ervan, zodat de schade voor rekening van [appellant sub 2] dient te worden gelaten.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 2 september 2014 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd onder verwijzing naar een advies van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) van 23 januari 2015.

3. De rechtbank heeft het besluit van 10 mei 2015 vernietigd op de grond dat het een deugdelijke motivering ontbeert. Daartoe heeft zij overwogen dat het college de nadelen van het nieuwe bestemmingsplan heeft onderschat, omdat het, in de tweede planvergelijking, niet heeft onderkend dat het krachtens de bij het nieuwe bestemmingsplan behorende regels (hierna: de planregels) mogelijk is in het plangebied een parkeerdek met een open staalconstructie te realiseren. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het college in het nieuwe besluit op het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar tevens dient in te gaan op de door [appellant sub 2] gestelde mogelijkheid om in het plangebied een parkeerdek als dichte ophoging met bijvoorbeeld betonwanden te realiseren.

4. Het college heeft aan het besluit van 19 oktober 2015 een advies van de SAOZ van 5 oktober 2015 ten grondslag gelegd. Daarin is onder meer het volgende vermeld.

De op enige afstand van het perceel van [appellant sub 2] gelegen gronden van het plangebied zijn bedoeld als parkeergelegenheid of truckstop bij een restaurant voor met name vrachtwagens. Ter plaatse mogen lichtmasten met een hoogte van maximaal 5 m en overige bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, tot een hoogte van maximaal 5 m worden neergezet. Overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank betekent dit dat een parkeerdek in de vorm van een open staalconstructie met een hoogte van 5 m zou kunnen worden opgericht. Hoewel het uitzicht in de oude situatie bij bebossing kon worden beperkt, wordt het uitzicht door lichtmasten en andere bouwwerken, zoals een parkeerdek met een hoogte van 5 m, nadelig beïnvloed en verandert het omgevingskarakter. Het gebruik voor parkeren is weliswaar intensiever, maar [appellant sub 2] wordt, gelet op de afstand van de woning tot het plangebied en de woonbestemming van de tussen de woning en het plangebied gelegen gronden, slechts in beperkte mate geconfronteerd met lawaai, stof en stank van auto’s. Ook de lichthinder toe door lantaarnpalen op het terrein en de verlichting van auto’s neemt nauwelijks toe. Verder staat de privacy niet in meerdere mate onder druk.

De bijgestelde vergelijking tussen de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en het daaraan voorafgaande planologische regime leidt tot de conclusie dat de waarde van de woning ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan op 23 september 2011 van € 240.000,00 naar € 235.000,00 gedaald. In verband met artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro dient een gedeelte van de schade, gelijk aan twee procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het opkomen ervan, voor rekening van [appellant sub 2] te worden gelaten.

Voor de beoordeling en de omvang van de schade maakt het geen verschil of de maximale invulling van het nieuwe bestemmingsplan wordt gevormd door een parkeerdek in de vorm van een open staalconstructie, of door een verhoogd maaiveld met betonnen keerwanden van vergelijkbare hoogte, aldus de SAOZ.

5. Het besluit van 19 oktober 2015 is, gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, eveneens onderwerp van dit geding.

Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, naar zij in beroep had aangevoerd, het college zich in het besluit van 10 maart 2015, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de commissie van 23 januari 2015, niet op het standpunt heeft gesteld dat een parkeerdek met een open staalconstructie een gebouw in de zin van de planregels is, zodat het college dat standpunt niet alsnog kan innemen zonder in strijd met een goede procesorde te handelen.

6.1. In het advies van de commissie is uiteengezet dat het, gelet op de planregels, niet is toegestaan een parkeerdek met een open staalconstructie in het plangebied op te richten, zodat deze mogelijkheid terecht niet in de planvergelijking is betrokken. De commissie heeft daartoe slechts als argument gegeven dat een parkeerdek met een open staalconstructie geen bouwwerk is dat ondergeschikt is aan de bestemming voor parkeerterreinen, als bedoeld in artikel 16.1 van de planregels. Dit betekent echter niet dat de rechtbank niet had mogen toetsen, zoals zij heeft gedaan, of het realiseren van een parkeerdek met een open staalconstructie niet op grond van een ander argument kan worden uitgesloten, zoals het college in bezwaar en in beroep had aangevoerd.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep van het college

7. In het verweerschrift stelt [appellant sub 2] zich op het standpunt dat het hoger beroep van het college in verband met het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is. Daartoe voert zij aan dat het college niet te kennen heeft gegeven wat er met de aangevallen uitspraak dient te gebeuren. Voorts voert zij aan dat het hoger beroep geen invloed op de planschade heeft, omdat het college, bij besluit van 19 oktober 2015, het nader advies van de SAOZ van 5 oktober 2015 heeft overgenomen en de SAOZ in dat advies heeft gesteld dat het voor de planvergelijking geen verschil maakt of de maximale invulling door een parkeerdek in de vorm van een open staalconstructie wordt gevormd of door een verhoogd maaiveld met betonnen keerwanden van vergelijkbare hoogte.

7.1. Hoewel het college in het hogerberoepschrift niet uitdrukkelijk heeft verzocht om vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, is het, gezien de inhoud van het hogerberoepschrift, zonneklaar dat het college dit heeft beoogd. Voorts is het besluit van 19 oktober 2015 genomen ter uitvoering van die uitspraak en onder het voorbehoud dat de tegen die uitspraak aangevoerde hogerberoepsgrond faalt. Uit dat besluit blijkt niet dat het college die hogerberoepsgrond niet langer handhaaft. In het betoog van [appellant sub 2] is derhalve geen grond te vinden voor het oordeel dat het college geen belang bij het hoger beroep heeft.

Het betoog faalt.

8. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het onder het nieuwe planologische regime mogelijk is in het plangebied een parkeerdek met een open staalconstructie te realiseren. Daartoe voert het college aan dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de in artikel 1 van de planregels gegeven definitie van een dak.

8.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 23, van de planregels wordt in deze voorschriften onder bouwwerk verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge die aanhef en onder 34 wordt onder gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge die aanhef en onder 52 wordt onder overkapping verstaan: elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand.

Ingevolge artikel 16.1 zijn de voor Verkeer - Parkeerterrein aangewezen gronden bestemd voor:

a. parkeerterreinen;

met daaraan ondergeschikt:

b. wegen;

c. groenvoorzieningen;

d. tuinen en erven;

met de daarbij behorende:

e. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.

8.2. Indien een open staalconstructie, met aan de bovenzijde van die constructie een roostervloer voor een parkeerdek, geen gebouw in de zin van artikel 1, aanhef en onder 34, van de planregels is, laat dat onverlet dat die roostervloer ten opzichte van de onderste parkeerlaag een overkapping in de zin van artikel 1, onder 52, is. Dit betekent derhalve dat het realiseren van die open staalconstructie, gelet op artikel 16.1, in het plangebied niet is toegestaan.

8.3. Hoewel het betoog, gelet op het vorenstaande, terecht is voorgedragen, brengt dat op zichzelf nog niet met zich dat het hoger beroep gegrond is en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. [appellant sub 2] heeft zich in beroep immers tevens op het standpunt gesteld dat het college in de planvergelijking niet heeft onderkend dat het onder het nieuwe planologische regime mogelijk is een parkeerterrein als ophoging van het maaiveld tussen betonwanden in het plangebied te realiseren. De Afdeling zal hierna beoordelen of dat standpunt juist is.

8.4. Niet in geschil is dat een dichte ophoging met bijvoorbeeld betonwanden een bouwwerk is. Uit artikel 16.1 van de planregels valt af te leiden dat uitsluitend een bij het parkeerterrein behorend bouwwerk is toegestaan. Omdat een ophoging met betonwanden geen bij het parkeerterrein behorend bouwwerk, maar een deel van het parkeerterrein is, is dit niet toegestaan en terecht buiten de planvergelijking gehouden.

Dit betekent dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het in beroep aangevoerde geen grond is te vinden voor het oordeel dat het college de nadelige ruimtelijke gevolgen van het nieuwe bestemmingsplan heeft onderschat.

Het betoog slaagt.

Slotsom

9. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 10 maart 2015 ingestelde beroep ongegrond verklaren, omdat uit de beoordeling van het hoger beroep van het college volgt dat de door [appellant sub 2] in beroep aangevoerde gronden niet tot vernietiging van dat besluit leiden.

10. Omdat het besluit van 19 oktober 2015 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is door de vernietiging van deze uitspraak de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen, zodat het reeds daarom dient te worden vernietigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 september 2015 in zaak nr. 15/1389;

IV. verklaart het door [appellant sub 2] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze van 19 oktober 2015.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

452.