Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
201505258/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2014 heeft het college aan de eigenaar/beheerder van een in het Schagerkanaal aangetroffen vaartuig, genaamd [naam vaartuig], door aanplakking op de Stolperbrug medegedeeld dat het vaartuig op 25 februari 2014 met toepassing van spoedeisende bestuursdwang is geborgen en vervoerd naar de provinciale dwanghaven te Heerhugowaard en daar is opgeslagen. Daarbij heeft het college vermeld dat de gemaakte kosten voor rekening van de eigenaar/beheerder komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/272 met annotatie van C.M.M. van Mil
JB 2016/174
JOM 2017/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505258/1/A3.

Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 mei 2015 in zaak nr. 15/407 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2014 heeft het college aan de eigenaar/beheerder van een in het Schagerkanaal aangetroffen vaartuig, genaamd [naam vaartuig], door aanplakking op de Stolperbrug medegedeeld dat het vaartuig op 25 februari 2014 met toepassing van spoedeisende bestuursdwang is geborgen en vervoerd naar de provinciale dwanghaven te Heerhugowaard en daar is opgeslagen. Daarbij heeft het college vermeld dat de gemaakte kosten voor rekening van de eigenaar/beheerder komen.

Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het college de kosten van de toegepaste bestuursdwang vastgesteld op € 3.331,56.

Bij besluit van 11 december 2014 heeft het college het door [appellant], eigenaar van bedoeld vaartuig, gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en de hoogte van de verschuldigde kosten verlaagd met € 479,89 tot een bedrag van € 2.851,67.

Bij uitspraak van 22 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar van [vaartuig]. Op of omstreeks 25 februari 2014 is dit vaartuig los drijvend aangetroffen in het Schagerkanaal. Aangezien het vaartuig volgens het college gevaar en hinder opleverde voor de overige scheepvaart, heeft het college het vaartuig zekergesteld en afgemeerd nabij de Stolperbrug. Het vaartuig is vervolgens geborgen en vervoerd naar Heerhugowaard, waar het in de dwanghaven is opgeslagen. Bij besluit van 6 maart 2014 heeft het college door middel van aanplakking van dit besluit op de Stolperbrug kennisgegeven van het feit dat het vaartuig met toepassing van bestuursdwang is verwijderd van de plek in het Schagerkanaal. Op 3 april 2014 heeft [appellant] contact gehad met het college, omdat hij zijn vaartuig terug wilde hebben. Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het college [appellant] bericht over de hoogte van de kosten van de toegepaste bestuursdwang. Op 22 mei 2014 heeft [appellant] bezwaar gemaakt bij het college. Partijen verschillen erover van mening of dit bezwaar ook ziet op het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang van 6 maart 2014 en of het oordeel van de rechtbank daarover juist is. Voorts betwist [appellant] het oordeel van de rechtbank over het besluit inzake de kosten van de toegepaste bestuursdwang.

De bestuursdwang

2. De rechtbank heeft overwogen dat, voor zover [appellant] stelt dat zijn bezwaar van 22 mei 2014 ook is gericht tegen de last onder bestuursdwang van 6 maart 2014, het college hierop nog niet heeft beslist. Indien [appellant] hieromtrent alsnog een besluit op bezwaar wenst te ontvangen, moet hij zich tot het college wenden, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank kan zij daarover geen oordeel geven.

3. [appellant] kan zich niet met dit oordeel van de rechtbank verenigen. Hij voert daartoe aan dat uit zijn bezwaarschrift blijkt dat zijn bezwaar ook is gericht tegen het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang van 6 maart 2014. Het college heeft dit volgens hem ook als zodanig onderkend. In dat verband verwijst hij naar het verslag alsmede naar het advies van de hoor- en adviescommissie van 21 augustus 2014 onderscheidenlijk 22 oktober 2014. Voorts wijst hij erop dat in het beroepschrift duidelijk is vermeld dat zijn bezwaar mede is gericht tegen het besluit van 6 maart 2014.

3.1. In het bezwaarschrift heeft [appellant] onder meer het volgende geschreven:

"Naar mijn weten moet eerst een voertuig beplakt worden, zodat ik ook had kunnen weten dat deze weg moest. De boot lag naar mijn weten vast en wij zouden deze weghalen. Als wij dat hadden geweten door middel van een aanplakbiljet hadden wij zelf ook een bergingsbedrijf kunnen bellen".

De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat [appellant] betoogt dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het feit dat het college spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast alsmede dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zelf zijn vaartuig te bergen. Uit het bezwaarschrift zelf kan derhalve worden afgeleid dat het bezwaar mede is gericht tegen het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang van 6 maart 2014. Ook de hoor- en adviescommissie is hier van uitgegaan. In haar advies is immers een aantal bezwaren van [appellant] aangemerkt als zijnde gericht tegen de last onder bestuursdwang zelf. De hoor- en adviescommissie heeft in haar advies hierover onder meer opgemerkt dat [appellant] deze bezwaren te laat heeft ingediend. Het college heeft in zijn besluit op bezwaar van 11 december 2014 het advies van de hoor- en adviescommissie integraal overgenomen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bezwaar mede is gericht tegen het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang van 6 maart 2014 en dat het college in zijn besluit van 11 december 2014 daarop heeft beslist. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep beoordelen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, voor zover deze nog bespreking behoeven.

5. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar van 11 december 2014 op het standpunt gesteld dat het bezwaar van [appellant] voor zover gericht tegen het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang van 6 maart 2014 te laat is ingediend en derhalve niet-ontvankelijk is.

5.1. [appellant] betoogt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt.

Hij voert daartoe aan dat hij eerst op 7 mei 2014, op het moment van het ontvangen van de kostenbeschikking, op de hoogte is geraakt van het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang van 6 maart 2014. Volgens hem is dat het tijdstip van bekendmaking van het besluit, zodat de termijn voor het indienen van bezwaar pas toen is aangevangen. Hij heeft vervolgens op 22 mei 2014, en derhalve tijdig, bezwaar gemaakt, aldus [appellant]. [appellant] voert voorts aan dat voor zover hij te laat zou zijn met het indienen van bezwaar dit verschoonbaar is, omdat hij onmogelijk eerder kennis heeft kunnen nemen van dit besluit nu het slechts op een brug was aangeplakt.

5.2. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Ingevolge het tweede lid geschiedt zij, indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, op een andere geschikte wijze. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:7 vangt de termijn voor het indienen van bezwaar of beroep aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

5.3. Blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming (Kamerstukken II 1994-1995, 23 700, nr. 5, p. 4) is met de in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb neergelegde bekendmakingsregeling - die een aanvulling vormt op de bekendmakingsregeling van het eerste lid van voormeld artikel - beoogd een regeling te geven voor het geval de gebruikelijke bekendmaking door toezending of uitreiking aan de belanghebbende niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat zijn identiteit of adres onbekend is.

5.4. Het college heeft uiteengezet dat in de situatie dat een los drijvend vaartuig wordt aangetroffen allereerst de identiteit van de eigenaar wordt getracht te achterhalen door het registratienummer op te zoeken in het scheepsregister en dat op [vaartuig] geen registratienummer is aangetroffen. Het college heeft verder uiteengezet dat in dit soort situaties ook navraag wordt gedaan bij de brugwachter, maar dat in dit geval geen brugwachter aanwezig was. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de identiteit van de eigenaar van [vaartuig] niet kon worden achterhaald. Het college was hierdoor niet in staat het besluit toe te zenden dan wel uit te reiken.

Het college heeft toegelicht dat daarom is gezocht naar een andere geschikte wijze om het besluit bekend te maken. Het heeft ervoor gekozen het besluit, voorzien van een grote zichtbare foto van [vaartuig], aan te plakken op het dichtstbijzijnde object, in dit geval de Stolperbrug. Het heeft daarbij toegelicht dat een eigenaar die merkt dat zijn vaartuig niet meer ligt op de plek waar hij dit heeft achtergelaten, naar verwachting eerst in de omgeving zal gaan zoeken. De Afdeling is van oordeel dat gelet op deze feiten en omstandigheden het besluit op een geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb is bekendgemaakt. Dit brengt met zich dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen, is aangevangen op 7 maart 2014 en geëindigd op 17 april 2014. [appellant] heeft het bezwaarschrift op 22 mei 2014, en derhalve buiten de termijn, ingediend. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daartoe is van belang dat niet in geschil is dat [appellant] op 3 april 2014 telefonisch contact heeft gehad met een inspecteur van de provincie. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de inspecteur in het telefonisch contact met [appellant] aan hem heeft medegedeeld dat zijn vaartuig los dreef en dat, gelet op het veiligheidsrisico voor andere vaartuigen, wegslepen noodzakelijk was. De inspecteur heeft voorts aan [appellant] medegedeeld dat het besluit tot toepassing van bestuursdwang op de Stolperbrug was aangeplakt en dat een factuur voor de gemaakte kosten nog zou volgen. Hieruit volgt dat [appellant] in ieder geval op 3 april 2014 moet worden geacht feitelijk bekend te zijn geweest met het besluit tot toepassing van bestuursdwang. De termijn voor het indienen van bezwaar was op dat moment nog niet geëindigd, zodat hij nog tijdig bezwaar had kunnen maken. [appellant] heeft niet gesteld dat het indienen van bezwaar ook vanaf dat moment niet mogelijk is geweest.

Het college heeft derhalve terecht geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Het betoog faalt.

Kosten van de bestuursdwang

6. [appellant] betwist de hoogte van de vastgestelde kosten van de toepassing van spoedeisende bestuursdwang. Zo is voor hem niet duidelijk waarom het wegslepen van het vaartuig twee dagen heeft geduurd.

Volgens hem was het goedkoper geweest wanneer het vaartuig direct was versleept naar de dwanghaven. De kosten zijn volgens hem nodeloos gemaakt.

6.1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

6.2. In het besluit van 7 mei 2014 heeft het college de hoogte van de kosten vastgesteld op € 3.331,56, bestaande uit € 1.981,56 aan bergingskosten en € 1.350,00 aan bewaarkosten. Wat betreft de bergingskosten heeft het college een factuur met specificatie van bergingsbedrijf Ooms overgelegd. Daarin is vermeld dat de bergingskosten € 1.981,56 bedragen. Naar aanleiding van een verschil tussen de factuur en de beschrijving van de nadere werkzaamheden heeft het college bij het besluit op bezwaar € 129,89 aan wegsleepkosten op dit bedrag in mindering gebracht. Dit resulteert in een bedrag van € 1.851,67 aan bergingskosten. Het college heeft uiteengezet dat het wegslepen van het vaartuig twee dagen duurde, omdat op de eerste dag wegens het invallen van de duisternis het wegslepen moest worden gestaakt. Het college heeft alleen de uren dat daadwerkelijk is gesleept in rekening gebracht hetgeen door de factuur met specificatie wordt bevestigd. Het college heeft voorts ter zitting toegelicht dat het een raamovereenkomst met een vaste aannemer heeft gesloten, omdat in spoedeisende gevallen direct ingrijpen noodzakelijk is en dat niet eerst offertes van verschillende aannemers kunnen worden afgewacht. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de in rekening gebrachte werkzaamheden voldoende gespecificeerd, houden zij voldoende verband met de toegepaste bestuursdwang en zijn de gemaakte kosten niet onredelijk hoog. Dit bedrag mocht derhalve door het college bij [appellant] in rekening worden gebracht. [appellant] heeft niet gemotiveerd waarom het in rekening gebrachte bedrag disproportioneel zou zijn. Wat betreft de bewaarkosten heeft het college in het besluit op bezwaar toegelicht dat hiervoor € 50,00 per dag in rekening is gebracht en dat het vaartuig 27 dagen is opgeslagen in de provinciale dwanghaven in Heerhugowaard. Het college heeft daarbij vermeld dat de kosten voor het toezicht van het terrein € 146,00 per dag bedragen, de kosten voor terreinhuur € 50,00 per dag en de kosten voor inzet van materieel € 60,00 per dag. De totale kosten komen daarmee uit op € 256,00. Deze kosten worden vervolgens verdeeld over het gemiddeld aantal vaartuigen dat op het terrein ligt opgeslagen, in dit geval zes. De kosten per vaartuig per dag zijn dan € 42,67 exclusief BTW en € 51,62 inclusief BTW. De daadwerkelijke kosten zijn daarmee hoger dan de kosten die in rekening zijn gebracht.

Bij het besluit op bezwaar van 11 december 2014 heeft het college

€ 350,00 aan bewaarloon minder in rekening gebracht, omdat de hoor- en adviescommissie het niet redelijk achtte de bewaarkosten van 27 februari tot 6 maart 2014 bij [appellant] in rekening te brengen, omdat het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang op eerstgenoemde datum nog niet was bekendgemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de aldus in rekening gebrachte werkzaamheden voldoende gespecificeerd, houden zij voldoende verband met de toegepaste bestuursdwang en zijn de in rekening gebrachte kosten niet onredelijk hoog. Dit bedrag mocht derhalve door het college bij [appellant] in rekening worden gebracht. [appellant] heeft niet gemotiveerd waarom het in rekening gebrachte bedrag disproportioneel zou zijn. Het voorgaande brengt met zich dat het college voor de spoedeisende bestuursdwang in redelijkheid € 2.851,67 bij [appellant] in rekening heeft kunnen brengen. Het betoog faalt.

Eindconclusie

7. [appellant] is met succes opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het college niet op zijn bezwaar tegen het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang van 6 maart 2014 heeft beslist. De Afdeling zal daarom bepalen dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal voorts het beroep van [appellant] tegen het besluit van 11 december 2014 ongegrond verklaren, omdat het bezwaar tegen het besluit tot toepassing van de bestuursdwang wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk was en het college de vastgestelde kosten van de bestuursdwang in redelijkheid bij [appellant] in rekening heeft kunnen brengen.

8. Het college heeft zich eerst in verweer bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat het bezwaar van [appellant] niet is gericht tegen het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang van 6 maart 2014 en dat het in zijn besluit van 11 december 2014 daarop niet heeft beslist. De rechtbank heeft ten onrechte dit standpunt gevolgd.

Het college dient daarom op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 mei 2015 in zaak nr. 15/407;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Zegveld

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

43-818.