Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201602365/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2014 heeft het college het verzoek van de Vogelbescherming afgewezen om handhavend op te treden tegen de jachtaktehouders die gebruik maken van de ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) die op 3 oktober 2014 is verleend en tegen Stichting Faunabeheereenheid Overijssel (hierna: de Faunabeheereenheid) die jachtaktehouders machtigt tot gebruik van de ontheffing van de Ffw, wegens overtreding van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2016/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602365/2/R2.

Datum uitspraak: 1 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, gevestigd te Zeist (hierna: de Vogelbescherming),

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2014 heeft het college het verzoek van de Vogelbescherming afgewezen om handhavend op te treden tegen de jachtaktehouders die gebruik maken van de ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) die op 3 oktober 2014 is verleend en tegen Stichting Faunabeheereenheid Overijssel (hierna: de Faunabeheereenheid) die jachtaktehouders machtigt tot gebruik van de ontheffing van de Ffw, wegens overtreding van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998).

Bij besluit van 16 februari 2016, kenmerk 2016/0021940, heeft het college het door de Vogelbescherming hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en het besluit van 23 december 2014 deels in stand gelaten en deels gewijzigd.

Tegen dit besluit heeft de Vogelbescherming beroep ingesteld.

De Vogelbescherming heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juni 2016, waar de Vogelbescherming, vertegenwoordigd door mr. A. Doesburg en ing. A.K. Kuiper, en het college vertegenwoordigd door mr. M. Voorthuijzen, H.L. van Gerrevink en A.G. van der Wal, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Met het bestreden besluit heeft het college het verzoek van de Vogelbescherming om wegens overtreding van artikel 19d van de Nbw 1998 handhavend op te treden tegen het afschieten van ganzen op grond van de bij besluit van 3 oktober 2014 verleende Ffw-ontheffing, gedeeltelijk afgewezen.

3. Het verzoek van de Vogelbescherming strekt ertoe het college op te dragen een besluit tot handhaving op grond van de Nbw 1998 te nemen tegen het afschieten van grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen, zoals toegestaan met de Ffw-ontheffing, in en rond de Natura 2000-gebieden Sallandse Heuvelrug, Veluwerandmeren, De Wieden, Ketelmeer en Vossemeer en Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Volgens de Vogelbescherming komen door dit gebruik de instandhoudingsdoelstellingen van de grauwe gans, kolgans en brandgans en van andere soorten waarvoor de genoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen in gevaar. Daarbij wijst zij erop dat dit gebruik reeds lange tijd in strijd met de Nbw 1998 en Europeesrechtelijke verplichtingen plaatsvindt. De Vogelbescherming voert verder aan dat het besluit van het college niet in stand kan blijven aangezien het college met het gedeeltelijk afwijzen van haar verzoek om handhaving handelt in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3707. Volgens de Vogelbescherming volgt uit die uitspraak dat het gebruik van de Ffw-ontheffing voor de beoordeling van de verplichting op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 als één activiteit had moeten worden aangemerkt. Gelet hierop levert het gebruik van de Ffw-ontheffing in zijn geheel strijd op met artikel 19d van de Nbw 1998, aldus de Vogelbescherming.

3.1. Het college heeft zich in zijn besluit van 16 februari 2016 op het standpunt gesteld dat het afschieten van ganzen zoals dat plaatsvindt op grond van de Ffw-ontheffing, in strijd met artikel 19d van de Nbw 1998 is voor zover het betreft afschot in en rond de Natura 2000-gebieden Weerribben, Engbertsdijkvenen, Rijntakken en Zwarte Meer, vanwege het mogelijk significant verstorende effect van het afschieten op soorten waarvoor deze gebieden zijn aangewezen. Voor zover afschot plaatsvindt in en rond de door de Vogelbescherming genoemde Natura 2000-gebieden, stelt het college zich op basis van een aantal onderzoeken op het standpunt dat de gedragingen in zoverre niet vergunningplichtig zijn, zodat in zoverre geen sprake is van een overtreding van de Nbw 1998.

3.2. De Vogelbescherming heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het college het afschieten van ganzen op grond van de Ffw-ontheffing ten onrechte niet als één overtreding heeft aangemerkt. Bij de beantwoording van de vraag of de effecten van het afschieten van ganzen op verschillende locaties in Overijssel per Natura 2000-gebied of in samenhang beoordeeld moeten worden is relevant of de activiteit ook effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van grauwe ganzen, kolganzen en brandganzen zelf of louter op de instandhoudingsdoelstellingen van andere vogelsoorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de effecten van de activiteit voor de genoemde ganzensoorten, anders dan voor de andere vogelsoorten, vanwege de effecten op de omvang van de populatie in samenhang beoordeeld moeten worden. Of sprake is van één overtreding is dan ook afhankelijk van de vraag in hoeverre significante verstoring van de genoemde ganzensoorten kan worden uitgesloten. De beantwoording van deze vraag vergt nader onderzoek waarvoor deze procedure zich niet leent.

3.3. Het verzoek van de Vogelbescherming strekt ertoe dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treft waarbij het college wordt opgedragen een besluit tot handhaving te nemen wegens overtreding van de Nbw 1998. Een dergelijke voorziening acht de voorzieningenrechter, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, te ver strekkend. Daarbij wordt betrokken dat gelet op de aard van de toetsing in de hoofdzaak, ook de uitspraak van de Afdeling in de hoofdzaak doorgaans niet zal strekken tot het geven van een opdracht aan het college om handhavend op te treden.

In hetgeen de Vogelbescherming naar voren heeft gebracht kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat zich in dit geval uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld voordoen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat op voorhand niet is gebleken dat door het gebruik maken van de ontheffing totdat in de hoofdzaak is beslist, de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten waarvoor de door de Vogelbescherming genoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen in gevaar komen. De enkele stelling van de Vogelbescherming dat als gevolg van het schieten mogelijk broedplaatsen zouden kunnen worden verstoord, biedt naar voorlopig oordeel daarvoor evenmin voldoende concrete aanknopingspunten. Ook in het betoog van de Vogelbescherming dat het gebruik al lange tijd in strijd met de Nbw 1998 en Europeesrechtelijke verplichtingen plaatsvindt en in het betoog dat het schieten van ganzen in Overijssel als één activiteit moet worden aangemerkt, vindt de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten waarvoor de door de Vogelbescherming genoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, door het gebruik maken van de ontheffing totdat in de hoofdzaak is beslist, in gevaar komen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat deze betogen van de Vogelbescherming enkel zien op de vraag of en in welke omvang het afschieten van ganzen vergunningplichtig is. Nu gelet op het vorenstaande niet van uitzonderlijke omstandigheden is gebleken, acht de voorzieningenrechter het verzoek van de Vogelbescherming te verstrekkend.

4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening af te wijzen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Donner-Haan

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2016

674.