Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201602732/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Noordoosthoek Hoornse Meer" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602732/2/R4.

Datum uitspraak: 30 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Groningen, en anderen,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Noordoosthoek Hoornse Meer" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoeker] en anderen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 juni 2016, waar zijn verschenen [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door drs. H.M.M. Meinders, A.C. Walsen, beiden werkzaam bij de gemeente, en H. Praamstra. Tevens is ter zitting gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door J. Legters.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plangebied bestaat uit het terrein van een hotel en de noordoostelijke hoek van het Hoornse Meer in Groningen. Het plan voorziet in de vergroting van het meer in de richting van het hotel. Op dit gedeelte van het meer voorziet het plan in de bouw van aanlegsteigers en een restaurant.

Om de vaststelling van het plan mogelijk te maken heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) bij besluit van 17 juni 2015 ontheffing verleend van artikel 4.27, eerste lid, van de Omgevingsverordening Groningen 2009 (hierna: de Omgevingsverordening).

3. Ter zitting heeft [belanghebbende], de partij die namens de exploitant van het hotel het plan zal uitvoeren, te kennen gegeven op korte termijn te willen beginnen met de werkzaamheden en daartoe de benodigde omgevingsvergunning(en) aan te vragen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het vereiste spoedeisend belang bij het verzoek aanwezig.

4. [verzoeker] en anderen wonen in de wijk die grenst aan het terrein van het hotel en het Hoornse Meer. De raad heeft op de zitting gesteld te betwijfelen of [verzoeker] en anderen belanghebbenden zijn bij het plan. Volgens de raad hebben zij geen zicht op het deel van het plangebied waar ontwikkelingen mogelijk zijn. Dit komt volgens de raad door tussenliggende bosschages en tuinen van andere bewoners.

4.1. Het beroep van [verzoeker] en anderen is mede ingesteld namens [verzoeker A]. De afstand van het perceel van [verzoeker A] aan de J.M. den Uylstraat tot de gronden met de bestemming "Water" en de aanduiding "aanlegsteiger" is ongeveer 75 m. De afstand van het perceel tot de gronden met de aanduiding "horeca van categorie 2" is ongeveer 110 m. De afstand tot de gronden met de bestemming "Dienstverlening" en aanduiding "terras" is ongeveer 80 m.

Gelet op deze afstanden acht de voorzieningenrechter niet bij voorbaat uitgesloten dat [verzoeker A] gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van de ontwikkelingen die op betrokken gronden mogelijk zijn gemaakt. Het kan bijvoorbeeld gaan om geluid afkomstig van de voorzieningen. Ook kan niet bij voorbaat worden uitgesloten dat bezoekers van de voorzieningen op korte afstand van de tuin van [verzoeker A] over het terrein van het hotel lopen. Dit laatste geldt in ieder geval ook voor de andere appellanten onder [verzoeker] en anderen die aan de J.M. den Uylstraat wonen. Zij zouden ook met geluid van de voorzieningen kunnen worden geconfronteerd, al zal dat minder zijn naar mate zij verderaf wonen. Dat [verzoeker A] en de andere verzoekers die aan de J.M. den Uylstraat wonen wellicht geen of maar beperkt zicht hebben op de betrokken gronden in het plangebied acht de voorzieningenrechter onder deze omstandigheden niet doorslaggevend voor de vraag of zij belanghebbenden zijn bij de door hen bestreden plandelen.

Gelet op het voorgaande gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat in ieder geval [verzoeker A] en de andere verzoekers die wonen aan de J.M. den Uylstraat in de hoofdzaak als belanghebbenden worden aangemerkt. Daarom bestaat geen aanleiding het verzoek af te wijzen op grond van de verwachting dat het beroep in de hoofdzaak ten aanzien van alle verzoekers niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

5. [verzoeker] en anderen betogen dat het college ten onrechte ontheffing heeft verleend van de Omgevingsverordening. Hiertoe voeren zij aan dat in de ontheffing niet duidelijk is vermeld op grond van welke criteria het plan aanvaardbaar zou zijn. Daarnaast stellen zij dat het college tekort is geschoten in het nakomen van de afspraken over het Nationaal Landschap Drentsche Aa. Ook de raad heeft volgens [verzoeker] en anderen geen rekening gehouden met het feit dat het plangebied gedeeltelijk behoort tot dit Nationaal Landschap.

5.1. Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, Omgevingsverordening wordt in een besluit van gedeputeerde staten tot het nemen van een beschikking op een aanvraag tot ontheffing vermeld van welke regels van deze verordening ontheffing wordt verleend.

Ingevolge artikel 4.4, tweede lid, kan ontheffing van de regels in titel 4.3 van dit hoofdstuk - waaronder artikel 4.27 - uitsluitend worden verleend voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.

Ingevolge artikel 4.27, eerste lid, kort weergegeven, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuw ruimtebeslag ten behoeve van, noch in nieuwvestiging van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies, zoals horeca.

Ingevolge artikel 4.35, eerste lid, worden in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het Nationaal Landschap Drentsche Aa regels gesteld ter bescherming van de kleinschaligheid van het landschap, de vrij meanderende beek de Drentse Aa, alsmede de samenhang van essen, bossen, heides en moderne ontginningen.

5.2. In de ontheffing staat dat het plan in strijd met artikel 4.27, eerste lid, van de Omgevingsverordening voorziet in horeca in het buitengebied. De bijzondere omstandigheden op grond waarvan artikel 4.4 het mogelijk maakt ontheffing van onder meer artikel 4.27, eerste lid, te verlenen, dienen te zijn gelegen in de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling. In de ontheffing staat verder dat een nieuwe horecavoorziening bijdraagt aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de noordoosthoek van het Hoornse Meer. De horecavoorziening maakt namelijk onderdeel uit van een samenhangende ruimtelijke ontwikkeling die als doel heeft de relatie van het hotel met het meer te versterken en het verblijfsklimaat, de recreatieve gebruiksmogelijkheden en de ecologische structuur te verbeteren, zoals staat in de beleidsvisie Meerschap Paterswolde en het koepelplan Paterswoldsemeer. Voorts staat in de ontheffing dat naar de mening van het college sprake is van een aanvaardbare ruimtelijke ontwikkeling, omdat de overschrijding van de grens van het bestaand stedelijk gebied en het buitengebied en de omvang van het nieuwe ruimtebeslag beperkt zijn en de locatie is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het hotel en aansluit op de aan te leggen steigers. Naar de opvatting van het college zou vasthouden aan het verbod in artikel 4.27, eerste lid, in dit geval een onevenredige belemmering van de verwezenlijking van het gemeentelijk beleid tot gevolg hebben die niet in verhouding tot de met dit verbod te dienen provinciale belangen.

5.3. Gelet op de hiervoor aangehaalde passages in de ontheffing kan de voorzieningenrechter [verzoeker] en anderen niet volgen in de stelling dat in de ontheffing niet duidelijk is vermeld op grond van welke criteria het plan aanvaardbaar zou zijn. Er is immers vermeld op welke grond artikel 4.4, tweede lid, van de Omgevingsverordening het verlenen van een ontheffing mogelijk maakt en er is toegelicht waarom volgens het college aan deze norm is voldaan. [verzoeker] en anderen hebben de motivering van het college wat dit betreft niet bestreden. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de ontheffing in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

5.4. Voor zover [verzoeker] en anderen stellen dat het college tekort is geschoten in het nakomen van de afspraken over het Nationaal Landschap Drentsche Aa, begrijpt de voorzieningenrechter het betoog aldus dat het college in artikel 4.35 van de Omgevingsverordening aanleiding had moeten zien de gevraagde ontheffing te weigeren. In dit verband is van belang de schriftelijke reactie die het college in het kader van het vooroverleg over het plan aan de gemeente heeft gestuurd (bijlage 2 van de plantoelichting). Hierin staat dat het plangebied valt binnen de begrenzing van het Nationaal Landschap Drentsche Aa, maar dat het plan geen afbreuk doet aan de kwaliteiten daarvan en het zicht daarop vanaf de snelweg. [verzoeker] en anderen hebben niet onderbouwd waarom dit standpunt van het college onjuist zou zijn.

Voor zover [verzoeker] en anderen stellen dat de raad geen rekening heeft gehouden met het Nationaal Landschap wijst de voorzieningenrechter op paragraaf 2.2 van de plantoelichting. Hierin wordt ingegaan op artikel 4.35 van de Omgevingsverordening en geconcludeerd dat het plan geen afbreuk doet aan het Nationaal Landschap. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

5.5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte ontheffing heeft verleend van het verbod in artikel 4.27, eerste lid, van de Omgevingsverordening. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 4.35 van de Omgevingsverordening.

6. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan wat betreft het restaurant niet voorziet in een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

6.1. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

(…).

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt onder stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

6.2. Het restaurant is voorzien op de gronden met de bestemming "Water" en de aanduiding "horeca van categorie 2". Hier mag ongeveer 440 m2 aan gebouwen van maximaal 5 m hoog worden gebouwd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze ontwikkeling naar aard en omvang te klein om te kunnen worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Hierbij is van belang dat het restaurant in feite een uitbreiding is van het bestaande hotel in het plangebied, dat een oppervlakte van ongeveer 2.600 m2 en hoogte van 32 m heeft. Dit betekent dat het planologische beslag op de ruimte relatief gezien slechts in beperkte mate toeneemt.

7. [verzoeker] en anderen betogen dat de doelstellingen van het plan onvoldoende zijn onderbouwd. Zij vinden onduidelijk waarom het plan de belangen van het hotel en de gemeente zou dienen. Verder wijzen zij erop dat volgens de raad de bereikbaarheid van het gebied zal verbeteren voor fietsers, voetgangers en rolstoelgebruikers. Volgens [verzoeker] en anderen is de bereikbaarheid in de huidige situatie al goed. Verder vinden [verzoeker] en anderen onduidelijk waarom de aanlegsteigers mogelijk zijn gemaakt op de plek waar de aanduiding "aanlegsteigers" geldt. [verzoeker] en anderen twijfelen daarom aan het nut en de noodzaak van het plan.

7.1. In de plantoelichting staat dat het hotel zijn aantrekkelijkheid wil verbeteren door zijn directe omgeving op te waarderen. Het hotel krijgt een voorkant aan het water en een restaurant in het water. Hierdoor zal de beleving van het Paterswoldsemeergebied voor zowel hotelgasten als voor dagjesmensen - vooral uit de stad - verbeteren. Er kan direct aan het water een kleine consumptie of maaltijd worden gebruikt. Deze mogelijkheid is er op dit moment aan de noordzijde niet. Ook voor bijvoorbeeld de mensen in de wijk die niet actief kunnen recreëren vanwege ouderdom of lichamelijke beperkingen, maar die wel op een terras willen genieten van het gebied in de directe nabijheid van de stad, biedt het plan volgens de toelichting uitkomst. De toegankelijkheid voor fietsers en voetgangers, waaronder ook rolstoel- en rollatorgebruikers, wordt verbeterd door de aanleg van goede paden. Ook bij de nieuwe brug wordt daar rekening mee gehouden (voldoende breed en een maximaal hellingspercentage van 5 tot 6 procent over korte afstand). Voorts zullen botenbezitters hier voor een hapje en drankje kunnen aanmeren. De doorbraak door het Gasthuisland en de aanleg van de steigers is ruimtelijk en functioneel een integraal onderdeel van het plan. Eén van de basiselementen voor de verbetering van dit gebied is het betrekken van dit gebied bij de rest van het Paterswoldsemeer en het, via het water, beter bereikbaar maken van het gebied, aldus de plantoelichting.

7.2. Gelet op de aangehaalde passage uit de plantoelichting ziet de voorzieningenrechter niet in waarom het plan wat betreft de belangen van het hotel en de gemeente ontoereikend zou zijn gemotiveerd. [verzoeker] en anderen hebben immers niet bestreden dat aan de noordkant van het meer thans geen horecavoorziening bestaat waar direct aan het water een kleine consumptie of maaltijd kan worden gebruikt. Het plan maakt zo’n voorziening mogelijk nabij het hotel. Wat de bereikbaarheid betreft, is van belang dat de gronden in het plangebied die zijn bestemd voor "Recreatie - Dagrecreatie" mede zijn bestemd voor de aanleg van wegen, fiets- en voetpaden, bruggen en parkeervoorzieningen. Dit betekent dat de huidige paden en dergelijke in het gebied - voor zover niet gelegen in het gedeelte van het plangebied waar het meer wordt uitgebreid - als zodanig zijn bestemd, maar dat tevens veranderingen mogelijk zijn. In de plantoelichting is aangegeven welke veranderingen dat kunnen zijn. De voorzieningenrechter acht het plan wat dit betreft toereikend gemotiveerd. Wat de aanlegsteigers betreft, stelt de voorzieningenrechter vast dat deze zijn voorzien tegenover de achterzijde en het terras van het hotel. De keuze voor deze plek acht de voorzieningenrechter toereikend gemotiveerd in de plantoelichting.

8. [verzoeker] en anderen vrezen geluidhinder als gevolg van het plan. Zij stellen dat het akoestisch onderzoek dat de raad heeft laten uitvoeren onvolledig is, omdat het restaurant en de aanlegsteiger hierin niet zijn meegenomen.

8.1. In de plantoelichting staat - kort weergegeven - dat bij de vaststelling van het plan is uitgegaan van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering". De woningen ten westen van het plangebied staan in een rustige woonwijk als bedoeld in die brochure. De richtafstand tot een restaurant is wat geluid betreft in dat geval 10 m. De richtafstand tot een jachthaven is 50 m. Volgens de toelichting wordt bij de woningen aan deze afstanden voldaan, zodat in zoverre een acceptabel woon- en leefklimaat geborgd is. Hierbij is vermeld dat de geluidbelasting vanwege de aanlegsteigers in feite lager zal zijn dan bij een jachthaven. Verder staat in de toelichting dat de ontwikkelingen in de directe omgeving van het hotel mogelijk veranderingen in de geluidbelasting met zich brengen waar het gaat om het verkeer, motorboten, plezierjachten, het terras en de gebouwemissies. Deze aspecten zijn beoordeeld in een afzonderlijk akoestisch onderzoek. Daaruit volgt dat de geluidbelasting op nabij gelegen woningen met maximaal 1 dB toeneemt, aldus de plantoelichting.

8.2. Zoals hiervoor onder 4.1 is vermeld, is de afstand van het perceel van [verzoeker A] tot de gronden met de bestemming "Water" en de aanduiding "aanlegsteiger" ongeveer 75 m en de afstand van het perceel tot de gronden met de aanduiding "horeca van categorie 2" ongeveer 110 m. De afstanden tot de woningen van de andere verzoekers zijn groter. Dit betekent dat voor beide functies ruimschoots aan de richtafstanden van de VNG-brochure wordt voldaan. De voorzieningenrechter ziet op voorhand dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad nader onderzoek had moeten doen naar de geluidbelasting vanwege het restaurant en de aanlegsteigers.

9. [verzoeker] en anderen vrezen parkeerhinder, omdat vanuit hun wijk makkelijk naar het plangebied kan worden gelopen. Daar heeft de raad volgens hen geen rekening mee gehouden.

9.1. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat de rechtstreekse route naar de nieuwe voorzieningen via het hotel loopt. De route via de wijk van [verzoeker] en anderen is volgens de raad een omweg waarvan het niet voor de hand ligt dat bezoekers die zullen kiezen. Gelet op de ligging van de wijk in relatie tot het plangebied en de wegen die daarnaartoe leiden, ziet de voorzieningenrechter geen reden voor twijfel aan dit standpunt van de raad.

10. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad in het plan had moeten waarborgen dat geen overlast ontstaat door een stijging van de grondwaterspiegel.

10.1. De raad stelt dat voor de uitvoering van het plan een vergunning op grond van de Waterwet is vereist. Indien maatregelen ter voorkoming van grondwateroverlast noodzakelijk zijn, dan zullen die worden opgenomen in het inrichtingsplan dat onderdeel is van de aanvraag voor deze vergunning, aldus de raad.

10.2. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro gaat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin is neergelegd een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.

10.3. In paragraaf 4.4 van de plantoelichting is ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Hierin staat onder meer dat het vergroten van het Hoornse Meer een mogelijke verhoging betekent van het grondwaterpeil in de zone ten noorden van het meer rondom de Aldo Morostraat. Er dient te worden aangetoond dat bij een mogelijke verhoging van de grondwaterstand problemen in de aangrenzende woonwijk en bij het hotel worden voorkomen. De nog af te geven watervergunning zal dit waarborgen, aldus de plantoelichting.

In het kader van het vooroverleg over het plan is namens het waterschap Noorderzijlvest instemmend gereageerd op de waterparagraaf in de plantoelichting.

10.4. De raad heeft aan de verplichting in artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro gevolg gegeven door middel van de uiteenzetting in paragraaf 4.4 van de toelichting. Het waterschap heeft met de inhoud van deze paragraaf ingestemd. [verzoeker] en anderen hebben deze inhoud niet bestreden. Daarom gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat voor de uitvoering van het plan een watervergunning is vereist en dat in het kader daarvan zal worden beoordeeld of de gekozen wijze van uitvoering van het plan leidt tot een stijging van het grondwaterpeil en, zo ja, of in verband daarmee maatregelen moeten worden getroffen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet had mogen vaststellen vanwege de gevolgen voor de waterhuishouding.

11. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad had moeten waarborgen dat de ontwikkelingen in het plangebied pas worden uitgevoerd als de door de raad gewenste natuurcompensatie is gerealiseerd. Zij stellen dat de planregel in artikel 6, lid 6.3, voor de bestemming "Water" niet voldoende is. Een dergelijke regel had ook voor de bestemming "Recreatie" moeten gelden, omdat daar de aanplant moet plaatsvinden, aldus [verzoeker] en anderen.

11.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden ter plaatse van de aanduiding "natuurwaarden".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

(…)

c. aanlegsteigers met maximaal 40 ligplaatsen ten behoeve van het aanleggen van recreatie- of pleziervaartuigen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "aanlegsteiger";

d. horecabedrijf in de categorie horeca - 2 ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 2";

(…).

Ingevolge lid 6.3 is het gebruik en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken zoals bedoeld in lid 6.1, onder c en d, uitsluitend toegestaan indien, ten behoeve van de ecologische en landschappelijke inpassing van de hier bedoelde gronden en bouwwerken, een aanvang is gemaakt met:

- het aanplanten van bosschages, realisering van mantelvegetatie, nectar- en kruidenvegetatie, een paaibaai, een natuurlijke oever, een ooievaarsnestpaal en een oeverzwaluwwand en met de extra maatregelen zoals bedoeld in bijlage 1, c.q. extra mantelvegetatie omvormen, plantvakken en extra aan te planten mantelvegetatie realiseren, vermindering verharding en uitbreiding kruidenvegetatie, aanbrengen van verschuilgroen en faunabuis, overeenkomstig de inrichtingsschets opgenomen in bijlage 1 behorend bij deze regels en voor zover gelegen binnen het plangebied, alsmede

- de plaatsing van 2 gevelkasten aan het hotel en in het gebied 20 vogelnest- en 4 vleermuiskasten.

11.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad niet hoeven te voorzien in een voorwaardelijke verplichting voor de bestemming "Recreatie - Natuur". Het is immers niet de realisering van die bestemming die volgens de raad in verband met de natuurcompensatie aan een voorwaarde moet worden verbonden, maar de bestemming "Water". Daarvoor is toereikend dat in lid 6.3 een voorwaardelijke verplichting is opgenomen.

12. [verzoeker] en anderen betogen dat onduidelijk is waarom het belang van de recreatie zwaarder moet wegen dan het belang van het behoud van het huidige natuurgebied.

12.1. Afgezien van het terrein van het hotel zijn aan het plangebied de bestemmingen "Water" en "Recreatie - Dagrecreatie" met de aanduiding "natuurwaarden" toegekend. Uit artikel 6, lid 6.1, respectievelijk artikel 5, lid 5.1, van de planregels volgt dat dit deel van het plangebied zowel is bestemd voor recreatie als voor de bescherming van natuurwaarden. In zoverre heeft de raad in planologisch opzicht niet een zwaarder gewicht toegekend aan recreatie dan aan natuurwaarden.

Dit neemt niet weg dat een deel van de gronden met de bestemming "Water" ook de aanduiding "aanlegsteiger" en "horeca van categorie 2" heeft. Omdat hier voorzieningen voor recreatie en horeca mogen worden gebouwd, heeft de raad voor dit gedeelte van het plangebied wel een zwaarder gewicht toegekend aan het belang van die voorzieningen dan aan het belang van de bescherming van natuurwaarden. De raad heeft wat dit betreft voorzien in verplichte natuurcompensatie, die is voorgeschreven in artikel 6, lid 6.3, in samenhang met bijlage 1, van de planregels. De raad heeft toegelicht dat op deze wijze een verbetering van de ecologische inrichting van het gebied wordt gerealiseerd die uit financieel oogpunt niet mogelijk was geweest zonder de ontwikkeling van de recreatie en horeca in een deel van het plangebied. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor een deel van het plangebied niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het gebruik voor recreatie en horeca dan aan de bescherming van natuurwaarden.

13. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit vanwege het beroep van [verzoeker] en anderen in de hoofdzaak niet in stand zal kunnen blijven. Om die reden, en de betrokken belangen in aanmerking genomen, ziet hij aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Hagen w.g. Jacobs

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2016

717.