Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1904

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201600013/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Bij brief van 20 juni 2016 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. N. Verheij (hierna: de staatsraad) als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van zaak nr. 201600013/1/A2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600013/2/A2.

Datum beslissing: 24 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om toepassing van artikel 8:15 van de Awb.

Procesverloop

Bij brief van 20 juni 2016 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van mr. N. Verheij (hierna: de staatsraad) als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van zaak nr. 201600013/1/A2.

Verzoeker heeft aanvullende stukken ingediend.

De staatsraad heeft niet in de wraking berust.

De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op 24 juni 2016 ter openbare zitting behandeld. Verzoeker en de staatsraad hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

Beslissing

Bij mondelinge beslissing van 24 juni 2016 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 van de Awb afgewezen. Daartoe heeft zij het volgende overwogen.

Overweging

1. Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Voor zover [verzoeker] alle leden van de Afdeling wraakt, wordt het verzoek buiten behandeling gesteld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1355) is de ratio van artikel 8:15 van de Awb blijkens de wetsgeschiedenis gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Een wrakingsgrond dient dan ook gelegen te zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Het verzoek kan dan ook niet het rechterlijk college als zodanig betreffen. Voorzover het verzoek van [verzoeker] is gericht tegen de Afdeling als zodanig, wordt het in zoverre niet aangemerkt als een verzoek om wraking in de zin der wet en kan het in zoverre om die reden niet in behandeling worden genomen.

3. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek, zakelijk weergegeven, voorts ten grondslag gelegd dat de schijn van partijdigheid is gewekt, omdat stukken die hij heeft opgestuurd, wegens overschrijding van de tiendagentermijn, aan hem zijn teruggezonden.

3.1. De aan het verzoek ten grondslag gelegde argumenten met betrekking tot het niet toevoegen aan het dossier van aan de Afdeling toegezonden stukken, zien op een processuele beslissing van de staatsraad als lid van de enkelvoudige kamer. Volgens vaste jurisprudentie is het instrument van wraking niet bedoeld om als rechtsmiddel tegen processuele beslissingen te worden aangewend. Zodanige beslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek, indien deze op zich dan wel in onderlinge samenhang bezien een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid van de staatsraad die de betrokken beslissing of beslissingen heeft genomen. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd over het terugzenden van stukken is daartoe onvoldoende.

3.2. Voorts heeft [verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de schijn van partijdigheid is gewekt, omdat de staatsraad ook een eerdere zaak van hem over schuldhulpverlening heeft behandeld.

3.3. De enkele omstandigheid dat de staatsraad in een eerdere zaak van [verzoeker] betreffende een soortgelijke aangelegenheid een uitspraak heeft gedaan, al of niet onder verwijzing naar, eventueel mede door hem gevormde, vaste jurisprudentie van de Afdeling, kan niet gerekend worden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Er bestaat op die grond dan ook geen aanleiding voor het aannemen van een objectief gerechtvaardigde vrees voor (schijn van) partijdigheid van de betreffende staatsraad.

Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Yildiz

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2016

594.