Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201509467/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2015 is de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509467/1/V3.

Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 december 2015 in zaak nr. 15/21961 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2015 is de vreemdeling krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 december 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft, vertegenwoordigd door mr. E.M.M. Wantenaar, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de maatregel van bewaring van 11 december 2015 geen motivering over het zicht op uitzetting bevat. In de toelichting bij de maatregel heeft de staatssecretaris immers overwogen dat en waarom zicht op uitzetting naar Burundi niet ontbreekt.

1.1. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 11 december 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die nog bespreking behoeven.

2. De vreemdeling heeft betoogd dat hij onrechtmatig is staandegehouden. Hij voert hiertoe aan dat uit het proces-verbaal van voorgeleiding in verband met aanhouding onvoldoende duidelijk blijkt op grond van welke bevoegdheid hij is aangehouden. De daarin genoemde bepaling van de Algemene plaatselijke verordening van Amsterdam 2008 (hierna: de APV) op grond waarvan hij is aangehouden is immers later handgeschreven toegevoegd en bovendien niet van toepassing omdat hij niet aan het slapen maar naar muziek aan het luisteren was. Hieruit volgt dat hij is staandegehouden vanwege zijn voorkomen, hetgeen niet mag. Van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf is geen sprake, aldus de vreemdeling.

2.1. In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding in verband met aanhouding van 10 december 2015 is vermeld:

"Op donderdag 10 december 2015 te 09.45 uur, werd voor mij, (…), inspecteur van Politie eenheid Amsterdam, hulpofficier van justitie, op de locatie Stationsplein 515, 1012AB Amsterdam, geleid de verdachte (…).

Hij werd verdacht van overtreding van artikel (slapen op of aan de weg (apv asd)) [handgeschreven toegevoegd: '2.20 APV van Amsterdam']."

In de bijlage behorend bij voormeld proces-verbaal is vermeld:

"Bevindingen:

Op donderdag tien december 2015 waren wij verbalisten in uniform gekleed en met de voetsurveillance belast in en rondom het Centraal station te Amsterdam. Wij verbalisanten zagen in de verbindingstunnel van het Centraal station dat er een manspersoon op een bankje zat die zijn ogen dichthad. De manspersoon was aan het slapen. Wij verbalisanten hebben de manspersoon aangesproken maar hij reageerde niet. Wij hebben de manspersoon vervolgens met een luide en duidelijke stem nogmaals geroepen. De manspersoon reageerde weer niet hierop. Wij hebben de manspersoon moeten wakker schudden om met hem te kunnen communiceren. Hij reageerde slaperig. Wij hebben de manspersoon om zijn legitimatiebewijs gevraagd en hij toonde ons verbalisanten een vreemdelingen document. Wij hebben de manspersoon nagevraagd en hij bleek als verwijderbaar geregistreerd te staan in de landelijke politiesystemen door de vreemdelingendienst. Wij verbalisanten hebben de vreemdelingendienst gebeld en zij waren geïnteresseerd in zijn komst. Wij hebben de manspersoon een proces-verbaal gegeven voor slapen in het Centraal station. (…)"

2.2. Uit voormeld proces-verbaal volgt dat de vreemdeling, voorafgaand aan de staandehouding krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, naar zijn legitimatie is gevraagd, omdat hij verdacht werd van overtreding van artikel 2.20 van de APV. Dat deze bepaling nadien handgeschreven aan het proces-verbaal is toegevoegd laat onverlet dat in het proces-verbaal het strafbare feit reeds stond omschreven en dat daarin reeds stond vermeld dat het ging om een overtreding van de APV. In de op ambtsbelofte opgemaakte bijlage bij het proces-verbaal is vermeld dat de vreemdeling aan het slapen was toen hij om zijn legitimatiebewijs werd gevraagd. Dat de vreemdeling stelt dat hij naar muziek aan het luisteren was is aldus onvoldoende om aan de juistheid van de bijlage bij het proces-verbaal te twijfelen. Uit het proces-verbaal blijkt derhalve genoegzaam op welke grond de vreemdeling is staandegehouden en dat dit niet vanwege zijn voorkomen is gebeurd. Tijdens de controle van de legitimatie van de vreemdeling is, blijkens het proces-verbaal, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf ontstaan. De staandehouding heeft derhalve rechtmatig plaatsgevonden.

De beroepsgrond faalt.

3. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat de verlenging van de duur van de ophouding op 10 december 2015 onrechtmatig was. Hij voert hiertoe aan dat de door de staatssecretaris gegeven reden hiervoor, dat sprake was van een storing in de computersystemen, onvoldoende is. Dit laat immers onverlet dat de staatssecretaris hem in elk geval had kunnen horen, terwijl dit pas op 13 december 2015 [lees: 11 december 2015] is gebeurd, aldus de vreemdeling.

3.1. Blijkens het besluit tot verlenging van de duur van de ophouding krachtens artikel 50, vierde lid, van de Vw 2000 van 10 december 2015 is de duur van de ophouding op die dag verlengd omdat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling nog niet waren vastgesteld, het onderzoek naar zijn verblijfsrechtelijke status nog niet was afgerond en het in verband met computerproblemen bij de IND niet mogelijk was de actuele verblijfsstatus van de vreemdeling te achterhalen.

3.2. De in artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 geregelde ophouding strekt ertoe nader onderzoek te doen naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de desbetreffende vreemdeling. Het is aan de staatssecretaris om te bepalen welke handelingen voor het verrichten van dit nader onderzoek noodzakelijk zijn (vergelijk de uitspraak van 18 november 2008, ECLI:NL:RVS:2013:2415). Uit de bewoordingen van deze bepaling valt niet op te maken dat de staatssecretaris ook gehouden is om de vreemdeling die is opgehouden, tijdens die ophouding te horen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE8962).

De staatssecretaris heeft tijdens de ophouding van de vreemdeling onderzoek verricht aan zijn kleding en bagage. Verder onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie was door de storing in de computersystemen - die de vreemdeling niet heeft betwist - niet mogelijk. De staatssecretaris heeft derhalve in voormeld besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de duur van de ophouding is verlengd. Gelet op het vorenstaande bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de verlenging van de duur van de ophouding onrechtmatig was.

De beroepsgrond faalt.

4. De vreemdeling heeft ook betoogd dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de bewaring niet kunnen dragen. Hij voert hiertoe aan dat hij ten tijde van zijn inreis in Nederland niet op de hoogte was van het besluit van 23 januari 2009 tot intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het in dit besluit vervatte terugkeerbesluit, omdat hij op dat moment in Italië was gedetineerd. Voorts voert hij aan dat hij gedurende zijn verblijf in Italië contact heeft gehouden met de Nederlandse ambassade en dat hij zich na terugkeer in Nederland heeft gemeld bij de gemeente voor het verkrijgen van opvang. Nu hij de gevraagde opvang heeft gekregen heeft hij bovendien een vaste woonplaats, aldus de vreemdeling.

4.1. Aan de maatregel van bewaring is, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat de vreemdeling:

(a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

(b) Zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

(c) Eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

(d) Geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

(e) Niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.2. De vreemdeling heeft niet bestreden dat hij zich in de drie maanden tussen zijn binnenkomst in Nederland en zijn aanhouding op 10 december 2015 niet heeft gemeld bij de korpschef. Aangezien de korpschef de daartoe aangewezen instantie is, is niet van belang dat de vreemdeling zich na terugkeer in Nederland heeft gemeld bij de gemeente voor het verkrijgen van opvang. Dat de vreemdeling gedurende zijn verblijf in Italië contact heeft gehouden met de Nederlandse ambassade laat onverlet dat hij zich bij binnenkomst in Nederland niet heeft gemeld. De staatssecretaris heeft terecht de onder (b) genoemde grond aan de maatregel ten grondslag gelegd.

Voorts bestrijdt de vreemdeling niet dat hij niet staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Een plaats in de gemeentelijke opvang is hiertoe onvoldoende. Nu de vreemdeling evenmin bestrijdt dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, heeft de staatssecretaris ook de gronden (d) en (e) terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Deze drie gronden kunnen de maatregel van bewaring in beginsel dragen. Gelet hierop behoeft hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd tegen de onder (a) en (c) genoemde gronden geen bespreking.

De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft verder betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden volstaan met toepassing van een lichter middel dan bewaring. Hij voert hiertoe aan dat uit de maatregel niet blijkt dat de staatssecretaris toepassing van een lichter middel dan bewaring heeft onderzocht. Dit klemt temeer omdat hij ten tijde van de inbewaringstelling niet in de gelegenheid is gesteld bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen naar voren te brengen, aldus de vreemdeling.

5.1. Uit het proces-verbaal van gehoor van 11 december 2015 blijkt dat de staatssecretaris voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft gevraagd naar de gezondheidstoestand en eventuele zorgtaken van de vreemdeling. De staatssecretaris heeft de vreemdeling derhalve wel degelijk in de gelegenheid gesteld bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die tot toepassing van een lichter middel nopen naar voren te brengen. Dergelijke feiten en omstandigheden heeft hij echter niet naar voren gebracht.

Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden volstaan met toepassing van een lichter middel dan bewaring.

De beroepsgrond faalt.

6. Tot slot heeft de vreemdeling betoogd dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Hij voert hiertoe, onder verwijzing naar de door de Afdeling bij uitspraak van 17 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3492, gestelde prejudiciële vraag, aan dat het doel van een maatregel van bewaring verwijdering is en dat zijn bewaring slechts tot doel heeft hem beschikbaar te houden voor onderzoek naar zijn gegevens.

6.1. Zoals volgt uit de uitspraak van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552, is voor een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 zicht op uitzetting geen voorwaarde en beoogt voormeld artikel 59, eerste lid, niet meer dan dat een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld indien een of meer van de in deze bepaling omschreven situaties op hem van toepassing zijn.

Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:959, voor deze zaak dat de door de vreemdeling op 11 december 2015 ingediende asielaanvraag de feitelijke tenuitvoerlegging van het eerder - op 23 januari 2009 - uitgevaardigd terugkeerbesluit schorst en dat aldus is voldaan aan het in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, tweede zinsdeel, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gestelde vereiste dat een uitwijzingsprocedure hangende is.

De beroepsgrond faalt.

7. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 december 2015 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor een schadevergoeding.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 december 2015 in zaak nr. 15/21961;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door H.G. Lubberdink, voorzitter, en N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

347-796.