Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1902

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201507670/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:10660, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 12 januari 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, gereageerd op een verzoek van de vreemdeling om haar onderdak te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507670/1/V1.

Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 september 2015 in zaak nr. 15/1924 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij brief van 12 januari 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, gereageerd op een verzoek van de vreemdeling om haar onderdak te verstrekken.

Bij besluit van 26 januari 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 september 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het tegen de brief van 12 januari 2015 gemaakte bezwaar betreffende het onderdak gegrond verklaard, die brief in zoverre herroepen en de staatssecretaris opgedragen de vreemdeling opvang te bieden met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grieven 1 en 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij gezien de beslissing van het Europees Comité voor Sociale Rechten van 1 juli 2014 in zaak nr. 90/2013 (CEC tegen Nederland; www.coe.int/socialcharter) ten onrechte heeft volstaan met het aanbod van onderdak in een vrijheidsbeperkende locatie (hierna: een VBL), onder de voorwaarde dat de vreemdeling meewerkt aan haar vertrek uit Nederland, en met dien verstande dat het onderdak gepaard zal gaan met de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel krachtens artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 26 januari 2015 in zoverre ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij, nu de vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft en op haar de plicht rust om Nederland uit eigen beweging te verlaten, heeft kunnen volstaan met voormeld aanbod van onderdak in een VBL.

1.1. Onbestreden is dat de vreemdeling meerderjarig is en niet rechtmatig in Nederland verblijft.

1.2. De in de grieven opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder bij uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3415, beantwoord. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het gevolg van de keuze van een meerderjarige vreemdeling om zich niet bereid te verklaren mee te werken aan vertrek, te weten dat de staatssecretaris hem de toegang tot een VBL weigert, in beginsel voor risico van die vreemdeling komt, indien die vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft en op hem ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Vw 2000 de plicht rust om Nederland uit eigen beweging te verlaten.

1.3. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 61 gelezen in samenhang met artikel 62c van de Vw 2000 op de vreemdeling de plicht rust om Nederland te verlaten. Aan dit standpunt heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat hij de vreemdeling bij besluit van 17 januari 2014 heeft medegedeeld dat zij aan Frankrijk zal worden overgedragen, welk besluit als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4812, in rechte onaantastbaar is.

1.4. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, moet een vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging verlaten binnen de in artikel 62c bepaalde termijn.

Ingevolge artikel 62c, eerste lid, moet een vreemdeling nadat tegen hem een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken verlaten.

1.5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2537, volgt dat de in artikel 62c, eerste lid, van de Vw 2000 opgenomen algemene verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten niet in overeenstemming is met de Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; de Dublinverordening) en de Verordening (EG) nr. 1560/2003 (PB 2003 L 222; hierna: de Uitvoeringsverordening) en dat die bepaling van de Vw 2000 in zoverre onverbindend is wegens strijd met artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening. De staatssecretaris heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat op basis van die bepaling van de Vw 2000 op de vreemdeling, die in afwachting is van de feitelijke overdracht naar Frankrijk, een vertrekplicht rust. Derhalve heeft de staatssecretaris, mede gezien het onder 1.2. overwogene, ondeugdelijk gemotiveerd dat hij heeft kunnen volstaan met zijn aanbod van onderdak onder de voorwaarde dat de vreemdeling meewerkt aan haar vertrek uit Nederland. De rechtbank heeft het besluit van 26 januari 2015 in zoverre dan ook, zij het op onjuiste gronden, terecht vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Grieven 1 en 2 kunnen niet leiden tot het ermee beoogde doel.

2. In grief 4 betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien zelf in de zaak te voorzien.

2.1. Reeds omdat de rechtbank, zoals volgt uit het onder 1.5. overwogene, op onjuiste gronden heeft overwogen dat de staatssecretaris het besluit van 26 januari 2015 ondeugdelijk heeft gemotiveerd, heeft zij de staatssecretaris ten onrechte opgedragen de vreemdeling opvang te bieden met inachtneming van hetgeen zij in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

Grief 4 slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het tegen de brief van de staatssecretaris van 12 januari 2015 gemaakte bezwaar betreffende het onderdak gegrond heeft verklaard, die brief in zoverre heeft herroepen en de staatssecretaris heeft opgedragen de vreemdeling opvang te bieden met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De aangevallen uitspraak moet voor het overige, met verbetering van de gronden waarop zij rust, worden bevestigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen op het door de vreemdeling tegen voormelde brief gemaakte bezwaar betreffende het onderdak.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 september 2015 in zaak nr. 15/1924, voor zover de rechtbank het tegen de brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 januari 2015 gemaakte bezwaar betreffende het onderdak gegrond heeft verklaard, die brief in zoverre heeft herroepen en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft opgedragen de vreemdeling opvang te bieden met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D.J. van Heijst, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Heijst

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

787.