Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1897

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201602614/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie], Hazerswoude-Dorp" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602614/2/R4.

Datum uitspraak: 28 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), beiden wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie], Hazerswoude-Dorp" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 juni 2016, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. H. Martens, en de raad, vertegenwoordigd door W.P. Kaandorp, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuizen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en D. Buitenhuis gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in de verplaatsing van de bedrijfswoning en verplaatsing en vergroting van de agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel van [belanghebbende] aan het [locatie] in Hazerswoude-Dorp. Het plan houdt verband met de hoogspanningsverbinding waarin het rijksinpassingsplan "Randstad 380 kV-verbinding Beverwijk-Zoetermeer (Bleiswijk)" voorziet. De bedrijfswoning komt gedeeltelijk in de magneetveldzone van de aan te leggen verbinding te staan. De raad heeft daarom een verplaatsing van de bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Omdat op de nieuwe plek van de bedrijfswoning nog bedrijfsbebouwing staat, heeft de raad het mogelijk gemaakt dat de bedrijfsbebouwing verplaatst wordt. Tevens heeft de raad een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt van 3.000 m² tot een totaal van ongeveer 8.200 m².

[verzoeker] woont ten westen van het perceel van [belanghebbende].

3. Aangezien een omgevingsvergunning is aangevraagd voor de bouw van een bewaarplaats voor aardappelen en een paardenstal op het perceel acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening aanwezig.

4. [verzoeker] voert aan dat het plan in strijd is met artikel 2.2.1 van de Verordening Ruimte 2014 van Zuid-Holland (hierna: de Verordening). Hij stelt dat niet is voldaan aan onderdeel a van het eerste lid, omdat de ontwikkeling niet past in de schaal van het gebied. Hij wijst in dit verband op de omvang van de bebouwing die mogelijk wordt gemaakt. Ook aan onderdeel b is volgens [verzoeker] niet voldaan. De ruimtelijke kwaliteit blijft volgens hem niet gelijk. Ook tast de ontwikkeling de groene buffer en het stiltegebied aan, aldus [verzoeker].

4.1. Ingevolge artikel 2.2.1, eerste lid, van de Verordening kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen) wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en

ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;

(…).

4.2. Voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan onderdeel a van het eerste lid moet eerst worden beoordeeld of de ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied. In de artikelsgewijze toelichting bij de Verordening staat bij onderdeel a:

"Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, die past bij de schaal en de maat van bestaande kenmerken van een gebied. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit."

Omdat het plan voorziet in het uitbreiden van een agrarisch bedrijf en een (bedrijfs)woning in het lint past de ontwikkeling naar het oordeel van de voorzieningenrechter binnen de aard en schaal van het gebied.

4.3. Vervolgens moet worden beoordeeld of het plan voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart. Deze zijn opgenomen in de door provinciale staten vastgestelde "Visie ruimte en mobiliteit". Het richtpunt voor de groene buffer waartoe het plangebied behoort ziet op het voorkomen van grootschalige nieuwe ontwikkelingen. Gelet op de beschrijving van de kwaliteiten van de groene buffer gaat het om verdere verstedelijking die niet gewenst is. Het richtpunt voor het stiltegebied is dat alleen ruimte is voor gebiedseigen geluid. In de beschrijving van de kwaliteit van het stiltegebied wordt in dit verband een vergelijking gemaakt met dynamisch stedelijk gebied.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het plan aan beide richtpunten. Wat het richtpunt voor de groene buffer betreft, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf en de verplaatsing van een bedrijfswoning zoals hier aan de orde geen grootschalige nieuwe ontwikkeling zijn. Het gaat immers niet om verstedelijking. Bovendien staat artikel 2.3.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening voor agrarische gronden in beginsel een bouwperceel toe van maximaal 2 ha. Het plan voorziet in maximaal ongeveer 8.200 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing. Wat het richtpunt voor het stiltegebied betreft, produceert een agrarisch bedrijf naar het oordeel van de voorzieningenrechter gebiedseigen geluid.

4.4. Gelet op voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan artikel 2.2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening. Hetgeen [verzoeker] aanvoert over onderdeel b behoeft daarom geen bespreking.

5. [verzoeker] betoogt dat niet voldaan is aan artikel 2.3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening. Volgens hem is uitbreiding van de agrarische bebouwing niet noodzakelijk en doelmatig voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf. [verzoeker] stelt dat de raad zich wat dit betreft niet heeft mogen baseren op het rapport van DLV Plant van 22 mei 2012. Dit rapport is volgens [verzoeker] verouderd. [verzoeker] stelt dat de productie van het bedrijf thans wordt opgeslagen en niet direct wordt geleverd. Daarom is uitbreiding van de bewaarcapaciteit niet nodig. Verder betwijfelt [verzoeker] of het bedrijfseconomisch verstandig is om tarwe zelf op te slaan vanwege de wisselende marktomstandigheden. Ook stelt [verzoeker] dat in het rapport ten onrechte staat dat grond en gebouwen aaneengesloten liggen. Ten slotte wijst [verzoeker] erop dat het plan een grotere uitbreiding mogelijk maakt dan volgens het rapport noodzakelijk is.

5.1. Ingevolge artikel 2.3.1, eerste lid, van de Verordening voldoet een bestemmingsplan voor agrarische gronden aan de volgende voorwaarden:

a. nieuwe agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 ha;

b. nieuwe agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven;

(…).

In de artikelsgewijze toelichting van de Verordening staat:

"Het oprichten van agrarische bebouwing is alleen mogelijk indien deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven. Hiermee wordt voorkomen dat hobbymatige of andere niet-volwaardige bedrijven bebouwing kunnen oprichten. Dit is een gebruikelijke regeling in bestemmingsplannen voor het agrarisch gebied. Bij opname in het bestemmingsplan is het nodig hieraan toetsbare criteria te koppelen. De gemeenten kunnen hier zelf invulling aan geven."

5.2. In het rapport van DLV Plant van 22 mei 2012 staat dat de huidige bewaarcapaciteit op het bedrijf aan het [locatie] te klein is. Door de toenemende eisen van de afnemers van aardappelen en uien is het noodzaak om vanuit een bewaring op het gewenste tijdstip gedroogd product te kunnen leveren. In de huidige situatie is dit niet mogelijk en moet een gedeelte direct afland afgezet worden. Daarnaast is de berging voor de mechanisatie veel te klein. Er worden nu veel werktuigen elders bij collega’s gestald, hetgeen volgens het rapport geen wenselijke situatie is. In het rapport is verder een teeltplan opgenomen aan de hand waarvan de benodigde opslagcapaciteit voor aardappelen, zaaiuien en graan is berekend. Verder bevat het rapport een lijst van de werktuigen die voor het bedrijf worden gebruikt, aan de hand waarvan een berekening is gemaakt van de benodigde stallingscapaciteit. Op basis van deze twee berekeningen beveelt het rapport de bouw aan van twee schuren van elk 45x21 m.

5.3. De voorzieningenrechter constateert dat [verzoeker] de berekeningen van de benodigde opslagcapaciteit in het rapport van DLV Plant als zodanig niet heeft bestreden. Dat het rapport in 2012 is opgesteld, betekent niet dat het reeds daarom verouderd is. Verder heeft [verzoeker] zijn betwisting van het nut en de noodzaak van de uitbreiding onvoldoende onderbouwd. Zo is onduidelijk waarop de stelling is gebaseerd dat de productie van het bedrijf thans wordt opgeslagen en direct geleverd. Verder is de relevantie van deze stelling onduidelijk in relatie tot het teeltplan waarvan het rapport van DLV Plant uitgaat. Voorts is de enkele verwijzing naar wisselende marktomstandigheden onvoldoende onderbouwing voor twijfel aan de bedrijfseconomische houdbaarheid van het opslaan van graan. Wat betreft de stelling van [verzoeker] dat in het rapport ten onrechte staat dat grond en gebouwen aaneengesloten liggen, is onduidelijk waarom dit de conclusies van het rapport zou raken. Overigens staat in het rapport op pagina 5 dat de grond en de gebouwen grotendeels aaneengesloten liggen en dat enkele percelen op afstand liggen. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan op het rapport van DLV Plant heeft mogen baseren.

5.4. Gelet op de conclusies van het rapport van DLV Plant heeft de raad zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt mogen stellen dat het plan voorziet in nieuwe agrarische bebouwing die noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van [belanghebbende]. Weliswaar maakt het plan meer bedrijfsbebouwing mogelijk dan het rapport van DLV Plant aanbeveelt, maar de voorzieningenrechter acht dit voorshands niet in strijd met artikel 2.3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening. Gelet op de toelichting bij de Verordening is het doel van deze bepaling namelijk te voorkomen dat hobbymatige of andere niet-volwaardige bedrijven bebouwing kunnen oprichten. Niet in geschil is echter dat het bedrijf van [belanghebbende] een volwaardig agrarisch bedrijf is. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat niet valt te verwachten dat het hele bouwvlak met bedrijfsbebouwing wordt volgebouwd, omdat ruimte nodig is voor de bevoorrading en het rijden met materieel en tevens een gedeelte van het bouwvlak voor de bedrijfswoning is bestemd.

6. [verzoeker] betoogt dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast door de ontwikkeling waarin het plan voorziet. Hij vreest geluidhinder van zwaar verkeer van en naar het bedrijf. Ook denkt hij dat hinder zal ontstaan van installaties in de bedrijfsbebouwing, omdat niet in het plan is bepaald dat die aan de oostzijde van de bebouwing moeten worden gesitueerd. Verder stelt [verzoeker] dat zijn privacy wordt aangetast doordat de bedrijfswoning op kortere afstand van zijn woning is voorzien. Ten slotte betoogt [verzoeker] dat het plan had moeten regelen waar de mestvaalt van het bedrijf mag komen.

6.1. In de plantoelichting staat dat het bedrijf in wezen hetzelfde blijft en alleen de beschikking krijgt over meer opslagcapaciteit, zodat niet meer verkeersbewegingen te verwachten zijn. Daarom leidt het plan volgens de toelichting niet tot geluidhinder vanwege wegverkeer. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan deze conclusie te twijfelen.

6.2. Wat betreft mogelijke hinder van installaties in de agrarische bebouwing is van belang dat in de huidige situatie reeds op betrekkelijk korte afstand van de woning agrarische bebouwing staat. De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing waarin het plan voorziet zal dus hoofdzakelijk op grotere afstand van de woning gerealiseerd worden. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing tot onaanvaardbare geluidhinder leidt. Overigens heeft [belanghebbende] ter zitting toegezegd dat bij het plaatsen van ventilatoren op de nieuwe bedrijfsbebouwing rekening zal worden gehouden met [verzoeker].

6.3. Voor zover [verzoeker] stelt dat de nieuwe plek voor de bedrijfswoning leidt tot een aantasting van zijn privacy is van belang dat de aanduiding "bedrijfswoning" is voorzien op ongeveer 10 m van de erfgrens. De raad heeft te kennen gegeven dat de aanduiding in het ontwerp op ongeveer 2,5 m van de erfgrens was voorzien, maar dat naar aanleiding van de zienswijze van [verzoeker] is besloten een grotere afstand voor te schrijven. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat tevens rekening is gehouden met de belangen van [verzoeker] door het bouwvlak zo vorm te geven dat het in de diepte wordt uitgebreid en niet in de breedte tot achter de woning van [verzoeker], waar [belanghebbende] ook gronden in eigendom heeft. Aldus heeft de raad rekening gehouden met de persoonlijke levenssfeer van [verzoeker]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met de realisering van het plan.

6.4. Over de mestvaalt heeft [belanghebbende] ter zitting toegelicht dat die zich thans buiten het plangebied bevindt en dat die niet verplaatst zal worden. De raad heeft ter zitting gesteld dat bovendien milieuregelgeving eraan in de weg staat dat de mestvaalt op te korte afstand van de woning van [verzoeker] zal worden gesitueerd. De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen aanleiding hieraan te twijfelen.

6.5. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat [verzoeker].

7. [verzoeker] stelt dat de uitbreiding van het bedrijf niet in het gemeentelijk beleid past vanwege de gevolgen voor de woonomgeving. Hij stelt dat in de "Samengestelde Structuurvisie gemeente Rijnwoude 2008" is opgenomen dat de voormalige gemeente Rijnwoude haar dorpse identiteit wil behouden en versterken.

7.1. De raad stelt dat het behoud van de dorpse identiteit van de kernen los staat van deze ontwikkeling in het buitengebied. De voorzieningenrechter ziet geen reden hieraan te twijfelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het plan daarom niet in strijd met de structuurvisie.

8. [verzoeker] betoogt dat het plan mogelijk onaanvaardbare gevolgen voor de waterhuishouding heeft. Hij stelt dat in de waterparagraaf van de plantoelichting staat dat het verharde oppervlak met 1.000 m² toeneemt, maar volgens [verzoeker] moet met de maximale mogelijkheden van het plan rekening worden gehouden. Dit heeft volgens [verzoeker] gevolgen voor de compensatie die het Hoogheemraadschap eist.

8.1. Niet in geschil is dat volgens het beleid van het Hoogheemraadschap bij een verharding van meer dan 500 m2 een compensatie moet plaatsvinden van vijftien procent van die toename. Indien de maximale uitbreiding van 3.000 m2 zou worden gerealiseerd, dan zou dat dus een compensatieopgave met zich brengen van 450 m2.

8.2. Het gedeelte van het plangebied dat als "Agrarisch" is bestemd en waaraan geen bouwvlak is toegekend, beslaat ongeveer 2.900 m2. Uit artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels volgt dat deze gronden mede zijn bestemd voor water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Dit betekent dat op het perceel zelf in beginsel voldoende ruimte zal zijn voor eventuele compensatiemaatregelen. Bovendien heeft de raad ter zitting toegelicht dat het Hoogheemraadschap niet eist dat de compensatie op hetzelfde perceel plaatsvindt, maar alleen dat dit in hetzelfde peilgebied gebeurt. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onaanvaardbare gevolgen voor de waterhuishouding heeft.

9. Volgens [verzoeker] hoeft de bedrijfswoning maar een klein stuk te worden verplaatst om buiten de magneetveldzone te komen. Verplaatsing van de bedrijfsbebouwing zou daarom niet nodig zijn.

9.1. De raad heeft toegelicht dat met het oog op het behoud van de landschappelijke kwaliteiten van het lint het gewenst is dat nieuwe agrarische (bedrijfs)woningen in het lint worden gebouwd. Om dat in dit geval mogelijk te maken, is het nodig dat de bedrijfsbebouwing wordt verplaatst, aldus de raad.

9.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het herstel van het bebouwingslint dan aan de wens van [verzoeker] dat de bedrijfsbebouwing niet verplaatst wordt.

10. [verzoeker] betoogt dat in de te slopen schuur nesten van huismussen voorkomen. Onduidelijk is volgens hem of een ontheffing kan worden verleend op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw).

10.1. In paragraaf 4.11 van de plantoelichting staat dat een Ffw-ontheffing is vereist voor het slopen van de schuur waar de huismus voorkomt met vaste rust- en verblijfplaats. Voorts staat in de toelichting dat de raad gerichte maatregelen zal treffen door tijdig alternatieve verblijfplaatsen mogelijk te maken. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

11. [verzoeker] vreest dat [belanghebbende] de oude bedrijfswoning niet zal slopen en geen nieuwe bedrijfswoning zal bouwen maar wel meer bedrijfsbebouwing zal oprichten. De raad had daarom een voorwaardelijke verplichting moeten opnemen die ertoe strekt dat pas indien de nieuwe bedrijfswoning wordt bewoond de bedrijfsbebouwing mag worden opgericht, aldus [verzoeker].

11.1. Zoals hiervoor onder 9.1 is vermeld, vindt de raad het met het oog op het behoud van de landschappelijke kwaliteiten van het lint gewenst dat nieuwe agrarische (bedrijfs)woningen in het lint worden gebouwd. De raad heeft zich echter niet op het standpunt gesteld dat het uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is dat de bedrijfswoning in het lint wordt gebouwd voordat de nieuwe bedrijfsbebouwing wordt gebouwd. De voorzieningenrechter ziet daarom op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid had moeten voorzien in een voorwaardelijke verplichting zoals [verzoeker] voorstaat.

12. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet in stand zal kunnen blijven. Om die reden, en de betrokken belangen in aanmerking genomen, ziet hij aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Hagen w.g. Jacobs

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016

717.