Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201602497/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Padbroek, Integraal Kindcentrum Padbroek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602497/2/R2.

Datum uitspraak: 28 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], beiden wonend te Cuijk,

2. [verzoeker sub 2] en anderen, allen wonend te Cuijk,

verzoekers,

en

1. de raad van de gemeente Cuijk,

2. het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Padbroek, Integraal Kindcentrum Padbroek" vastgesteld.

Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders aan de stichting Optimus Stichting voor katholiek, protestants-christelijk en interconfessioneel primair onderwijs een omgevingsvergunning verleend voor de bouw en het brandveilig gebruiken van het integraal kindcentrum Padbroek op het perceel Dassenburcht 36 te Cuijk (hierna: het IKC).

Tegen deze besluiten hebben onder meer [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen beroep ingesteld.

Bij dezelfde brieven als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 13 juni 2016, waar [verzoekers sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [verzoeker sub 2] en anderen, bij monde van [gemachtigden] en de raad en het college, gezamenlijk vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, bijgestaan door ing. R.H.R. Slangen en R.J.J. Koenraad, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Optimus, vertegenwoordigd door M. van den Berg en R.M.C. Honings, als partij gehoord.

Overwegingen

Algemeen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De bestreden besluiten voorzien in de bouw van het IKC, waarin ruimte zal worden geboden aan een basisschool met een gymlokaal, kinderdagopvang, peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang. Voorheen was ter plaatse een basisschool aanwezig. Het voorgaande bestemmingsplan voorzag ook in een basisschool, maar de voorziene bebouwing wijkt wat betreft onder meer het bouwvlak, goothoogte en gebruiksmogelijkheden af van hetgeen mogelijk was.

Het bestemmingsplan

3. [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat indien het IKC wordt gerealiseerd. Hiertoe betogen zij in de eerste plaats dat de voorziene bouwmassa te groot en te dicht bij hun woningen is voorzien.

Verder betogen [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen dat de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) aangegeven richtafstanden bij de vaststelling van het bestemmingsplan zijn genegeerd. Daarnaast voeren zij aan dat in het aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde akoestisch rapport "Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Padbroek geluiduitstraling IKC Padbroek in Cuijk" van het onderzoeksbureau DPA Cauberg-Huygen van 15 december 2015 (hierna: het akoestisch rapport) op vele punten is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten en dat daarin geen rekening wordt gehouden met de maximale gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan. In dit verband hebben zij met name gesteld dat eerder sprake is van een sportzaal of -hal die door sportverenigingen kan worden gebruikt dan van een gymlokaal en dat het bestemmingsplan het mogelijk maakt dat ook de andere schoolruimten voor wijk- en andere dag- en avondactiviteiten, zoals muziekles, gebruikt zullen worden.

Bij het bestemmingsplan worden naar de mening van [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen de maatregelen die overlast moeten voorkomen niet voldoende vastgelegd of is er sprake van maatregelen die niet zijn te handhaven. In verband met alle gebruiksmogelijkheden die het bestemminsplan biedt vrezen [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen voor aantasting van hun woongenot door geluidsoverlast van kinderen, volwassenen en verkeer alsmede verkeers- en parkeerproblemen. Zelfs indien wordt uitgegaan van de juistheid van het akoestisch rapport, dan blijkt daar al uit dat bij sommige woningen niet wordt voldaan aan de in het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde normen voor piekgeluiden. Verder is bij het bestemmingsplan geen rekening gehouden met de samenhang met het zogenoemde beweegpark dat ten zuiden van het plangebied zal worden gerealiseerd. Ook is naar hun mening een schoolgebouw als thans voorzien op termijn te groot en zijn er betere locaties om deze te realiseren, met name op de locatie waar nu het Merletcollege staat. Door de grootte van het voorziene gebouw vrezen zij voor aanzienlijk minder zonlicht in hun woningen en tuinen.

3.1. In de plantoelichting wordt aangegeven dat de in de VNG-brochure voor een basisschool en gymlokaal aanbevolen afstanden van 30 m niet worden gehaald. Zoals in de brochure wordt aangegeven, gaat het om indicatieve afstanden en dient deze brochure gemotiveerd te worden toegepast. Om te bezien of het IKC toch op kortere afstand kon worden opgericht dan is aangegeven in de VNG-brochure is nader akoestisch onderzoek verricht en is naar aanleiding van het akoestisch rapport in het bestemmingsplan een aantal regels opgenomen ter beperking van geluids- en andere overlast.

In hetgeen [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen hebben gesteld heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat bij het akoestisch onderzoek is uitgegaan van onjuiste aannames omtrent het gebruik van het schoolgebouw en -terrein.

Hierbij is in aanmerking genomen dat op grond van de planregels het gebruik voor sportdoeleinden is beperkt tot het gymlokaal. In dit lokaal zijn recreatieve sportactiviteiten mogelijk, maar sluiten de planregels uit dat publiek bij wedstrijden aanwezig is. Ook horeca is uitgesloten. Het gebruik van de overige schoolruimten is voorts beperkt tot educatieve doeleinden, waaronder ingevolge de planregels worden verstaan activiteiten op het gebied van onderwijs of daarmee gelijk te stellen doeleinden, zoals een school, een buitenschoolse opvang, een kinderdagopvang, peuterspeelzaal en huiswerkbegeleiding. Verder is in het akoestisch rapport ook rekening gehouden met avondgebruik van de schoolgebouwen.

Evenmin hebben [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen de voorzieningenrechter er van kunnen overtuigen dat bij het akoestisch onderzoek anderszins is uitgegaan van onjuiste aannames. In tegenstelling tot hetgeen [verzoeker sub 2] en anderen hebben betoogd is in het akoestisch rapport rekening gehouden met de in het huidige bestemmingsplan opgenomen bouwvlakken van de gevels van de omliggende woningen. Verder is, eveneens anders dan [verzoeker sub 2] en anderen hebben gesteld, in het onderzoek een onderscheid gemaakt tussen verharde en niet-verharde perceelsgedeeltes en is op de buitentrap gerekend met 1500 bewegingen van personen per dag. Over het betoog dat in het akoestisch rapport ten onrechte geen rekening is gehouden met een verplicht gestelde verhoogde aanleg van het schoolplein als gevolg van de herinrichting van de voormalige stortplaats in het zuidelijke plangebied overweegt de voorzieningenrechter dat de wijze van aanleg primair een kwestie van uitvoering is. Verder is ter zitting naar voren gekomen dat het schoolplein ook niet verhoogd behoeft te worden aangelegd. Weliswaar bevindt dat schoolplein zich deels boven een uitloper van de voormalige stortplaats en is de deklaag op enkele plaatsen onvoldoende dik, maar onweersproken is gesteld dat de voor de herinrichting van de stortplaats benodigde ontheffing van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant inmiddels is verkregen en dat daarbij de keuze is gelaten om in plaats van een dikkere deklaag te kiezen voor het aanbrengen van een verharding. Daarnaast hebben [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de in het akoestisch rapport aangehouden rekenniveaus voor stemgeluid van kinderen en volwassenen en de frequentie waarin piekgeluiden optreden, te laag is te achten.

Voor het oordeel dat de in het akoestisch rapport voorgestelde maatregelen niet tot stand zullen komen dan wel niet effectief zullen zijn ziet de voorzieningenrechter geen grond. De mogelijkheid om het schoolterrein te mogen gebruiken is door middel van een voorwaardelijke verplichting afhankelijk gesteld van de totstandkoming van geluidwerende erfafscheidingen met voorgeschreven hoogtes en materiaaldichtheid en een inrichting van de speelvrije zones op een zodanige manier - bij voorbeeld, zoals Optimus ter zitting heft gesteld, door het aanplanten van een doornachtige haag - dat spelen belet wordt. Ook de inpandige plaatsing van de technische installaties en het maximale bronvermogen daarvan zijn door middel van een voorwaardelijke verplichting vastgelegd. Evenmin ziet de voorzieningenrechter in dat het in het bestemmingsplan opgenomen verbod om de gronden te gebruiken voor spelen op de speelvrije zones en op de overige gronden in de avond en nacht niet afdoende handhaafbaar is.

Over de door [verzoeker sub 2] en anderen gestelde samenhang met het beweegpark ten zuiden van het plangebied overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting naar voren is gekomen dat het gaat om de herinrichting van een voormalige stortplaats tot een parkachtig gebied. Onweersproken is gesteld dat voor de herinrichting daarvan geen planologische aanpassing nodig is. Niet aannemelijk is geworden dat die herinrichting in samenhang met de verwezenlijking van de school zal leiden tot een wezenlijk andere akoestische situatie voor de omwonenden van het plangebied.

Gelet op de uitkomsten van het akoestisch rapport ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan op het vlak van geluid een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat van omwonenden met zich brengt. Daarbij is in aanmerking genomen dat de in het geluidsrapport genoemde overschrijdingen voor piekwaarden grotendeels betrekking hebben op activiteiten die grotendeels buiten het schoolterrein plaatsvinden, zoals dichtslaande portieren en een schreeuwend kind op de kiss and ride strook, en zeer beperkt zijn in omvang en frequentie, alsmede dat in het rapport is uitgegaan van een worst case scenario.

3.2. Bij de voorbereiding van het plan is door onderzoeksbureau Exante een verkeerskundige toets uitgevoerd, naar aanleiding waarvan op 10 november 2015 het rapport "IKC Padbroek Verkeerskundige toets herinrichting schoolomgeving" (hierna: het verkeerskundig rapport) is uitgebracht, waarbij zowel is gekeken naar de verkeersstromen als de parkeersituatie. In de plantoelichting heeft de raad de verschillende aanbevelingen in het verkeerskundig rapport afgewogen. Mede gelet op de in het verkeerskundig rapport gemaakte berekeningen is niet aannemelijk geworden dat in het plangebied onvoldoende parkeerplaatsen zijn voorzien. In de gebruiksregels is door middel van een voorwaardelijke verplichting voorgeschreven dat 54 parkeerplaatsen worden aangelegd en in stand gehouden. De afstand van 100 m tussen het schoolgebouw en een aantal in het zuidelijk plangebied aan te leggen parkeerplaatsen is niet dermate groot dat de raad die plaatsen niet mee mocht nemen bij de vraag of afdoende in de parkeervraag wordt voorzien. Verder heeft de raad de in het verkeerskundig rapport geadviseerde knip in de Dassenburcht niet overgenomen omdat daarvoor onvoldoende draagkracht bij de omwonenden bestond. Niet aannemelijk is gemaakt dat de in plaats daarvan te nemen maatregelen aan de Dassenburcht niet afdoende zullen zijn. In hetgeen [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat realisering van het IKC onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeers- en parkeersituatie in de omgeving van het plangebied.

3.3. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat blijkens de toelichting een aantal locaties is onderzocht en afgewogen. De raad heeft daarbij de voor- en nadelen van de alternatieve locaties in zijn afweging meegenomen en de bij het bestemmingsplan betrokken belangen afgewogen. Niet aannemelijk is geworden dat de raad de hierbij aan hem toekomende beleidsvrijheid heeft overschreden. Wat betreft de locatie waar nu nog het Merletcollege staat, heeft de raad in redelijkheid kunnen oordelen dat deze locatie niet geschikt is voor een bassischool nu schoolkinderen voor het bereiken van die locatie een drukke verkeersweg moeten oversteken. Verder is niet bestreden dat het bestemmingsplan voorziet in de huidige behoefte aan lokalen en is evenmin bestreden dat bij een afname van het aantal leerlingen het gebouw gebruikt kan worden voor andere voorzieningen.

3.4. De voorzieningenrechter overweegt dat ter zitting naar voren is gekomen dat met name gevreesd wordt voor de vermindering van zonlicht aan de noordkant van de voorziene bebouwing. Uit de door het onderzoeksbureau SRO in november 2015 uitgevoerde bezonningsstudie komt naar voren dat op 21 maart en 21 september tot 11.00 uur en op 21 december gedurende een groot deel van de dag sprake zal zijn van schaduwwerking op de woonpercelen ten noorden van het plangebied. Mede gezien het bebouwde karakter van de omgeving heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat deze bezonningssituatie aanvaardbaar is te achten.

4. In hetgeen [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen overigens hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het besluit waarbij het bestemmingsplan is vastgesteld in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

De omgevingsvergunning

5. Anders dan door [verzoeker sub 2] en anderen is gesteld komt uit de bij de omgevingsvergunning behorende situatietekening naar voren dat de fietsenstalling op 4 m van de grens van de bestemming "Maatschappelijk" wordt gesitueerd. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de in het bestemmingsplan aangegeven maximale goothoogten worden overschreden. In dit verband wijst de voorzieningenrechter er op dat in de planregels uitsluitend voor het meest westelijke en het meest oostelijke gelegen bouwdeel een specifieke maximale goothoogte is opgenomen. Voor de goothoogte van bouwdelen die daartussen liggen moet volgens de planregels de in het plan voorgeschreven welving van het dak worden gevolgd. Dit is blijkens de bouwtekeningen het geval. Ook in hetgeen overigens nog door [verzoeker sub 2] en anderen is betoogd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan is verleend. Evenmin ziet de voorzieningenrechter in het door [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen voor het overige gestelde aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren.

Conclusie en proceskosten

6. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Matulewicz

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016

45.