Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1891

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201501041/5/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501041/5/R4.

Datum uitspraak: 6 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Oldeholtpade, gemeente Weststellingwerf,

en

de raad van de gemeente Weststellingwerf,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 en 11 maart 2016, waar onder meer [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.J. Roos, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Weperen, R. Hekman en R. Roemeling, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het beroep van [appellante] tegen het besluit van 1 december 2014 na de zitting afgesplitst van de behandeling van de beroepen in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1515 / 201501041/1/R4.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan betreft een integrale actualisering van de planregeling voor het buitengebied van de gemeente Weststellingwerf.

3. [appellante] betoogt dat het plan het ten onrechte niet mogelijk maakt om een bedrijfswoning te bouwen ten behoeve van haar melkgeitenbedrijf op het bedrijfsperceel aan de [locatie 1] te Oldeholtpade. Dit perceel heeft de bestemming "Agrarisch". Haar vennoten hebben in november 2011 het bedrijf gekocht van de ouders, welke laatsten zijn blijven wonen in de toenmalige bedrijfswoning. De vennoten wonen nu zelf boven de melkstal. Volgens [appellante] is de omgevingsvergunning die zij op 31 januari 2014 heeft aangevraagd voor een bedrijfswoning ten onrechte door het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf geweigerd. Tegen deze weigering is beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Nederland. Volgens [appellante] was de woning passend binnen de toen geldende Beheersverordening Agrarische percelen Buitengebied (hierna: de beheersverordening), in werking getreden op 11 juni 2013, en had deze dus vergund moeten worden. Nu de woning volgens [appellante] op legale wijze tot stand had kunnen komen dan wel nog zal komen ten gevolge van de beroepsprocedure, had de woning ook als zodanig bestemd moeten worden in het bestreden plan, dan wel valt deze onder het overgangsrecht.

4. Ingevolge artikel 3.2.1., onder d, sub 1, van de planregels mag niet meer dan het bestaande aantal bedrijfswoningen per bedrijf worden gebouwd.

5. De raad stelt dat het bestemmingsplan uitgaat van bestaand gemeentelijk beleid dat gericht is tegen onnodige verstening van het buitengebied. Woningbouw is in beginsel voorbehouden aan de hoofdplaatsen Wolvega en Noordwolde en de plaatselijke behoefte in de kleine kernen. Dit beginsel komt onder andere tot uitdrukking in het uitgangspunt dat per agrarisch bedrijf één bedrijfswoning is toegestaan. In dit geval is er reeds een bedrijfswoning, namelijk [locatie 2], met de specifieke aanduiding plattelandswoning. De vennoten van [appellante] hebben ervoor gekozen om de stal zonder woning aan te kopen. Dat zij nu alsnog een bedrijfswoning willen realiseren vindt de raad onvoldoende reden om van zijn beleid af te wijken en het bestemmingsplan aan te passen in de door [appellante] gewenste zin.

6. Bij uitspraak van 19 mei 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland het beroep van [appellante] gegrond verklaard. Het college heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft het hoger beroep bij uitspraak van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1723) gegrond verklaard en daartoe als volgt overwogen:

"Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel in strijd is met de beheersverordening. Artikel 3.2.1 [van de beheersverordening] staat, gelet op de aanhef daarvan, slechts toe bestaande gebouwen onder bepaalde voorwaarden uit te breiden. De bouw van een bedrijfswoning op het perceel, zoals voorzien in de aanvraag, kan niet worden aangemerkt als uitbreiding van een bestaand gebouw op het perceel. Gelet op het conserverend karakter van de beheersverordening, kan het bepaalde onder d van artikel 3.2.1, mede gelet op de aanhef van dat artikel, niet anders worden begrepen dan dat dit onderdeel alleen ziet op het behoud van een reeds op het perceel aanwezige bedrijfswoning. Van een bestaande bedrijfswoning op het perceel is geen sprake. Aan artikel 3.2.1, onder d, kan derhalve geen zelfstandige bouwtitel worden ontleend voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel".

7. Gelet op de uitspraak van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellante] gewenste bedrijfswoning in strijd zou zijn met de beheersverordening en dat de aangevraagde vergunning daarom geweigerd moest worden. Daarom is er in zoverre geen bestaand recht waarmee de raad bij de vaststelling van dit plan rekening moest houden. Dit betoog faalt.

8. De raad heeft voorts geen reden hoeven zien om af te wijken van zijn onder 5 weergegeven beleid om onnodige verstening van het buitengebied tegen te gaan. Het feit dat [appellante] het bedrijf zonder de bijbehorende bedrijfswoning heeft overgenomen is een omstandigheid die voor haar eigen risico komt.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Postma

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2016

539.