Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201501766/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2012 heeft het college geweigerd handhavend op te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501766/1/A3.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lemmer, gemeente De Fryske Marren (voorheen: gemeente Lemsterland),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2015 in zaak nr. 13/1021 in het geding tussen:

[appellant]

en

college van burgemeester en wethouders van Lemsterland.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2012 heeft het college geweigerd handhavend op te treden.

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. C.F.C. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder is ter zitting zeilschool De Kikkert, vertegenwoordigd door A.C.M. Glasbergen, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 1, aanhef, van de Ligplaatsenverordening gemeente Lemsterland (hierna: Ligplaatsenverordening) wordt in deze verordening verstaan onder:

a. vaartuig: naast het begrip vaartuig in de gebruikelijke zin van het woord een vaartuig zonder waterverplaatsing, een casco, een vaartuig in aanbouw en een vaartuig dat de geschiktheid tot varen of drijven heeft verloren, dan wel de overblijfselen daarvan;

(…)

d. ankeren: het doen of laten liggen van een vaartuig anders dan aan of op de oever aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig;

(…).

Ingevolge artikel 5, eerste lid, is het de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te ankeren in een rietkraag of op een afstand van minder dan 5 meter vanuit een rietkraag, in een krachtens artikel 14 als zodanig aangewezen water of op een afstand van minder dan 5 meter vanuit een krachtens artikel 14 als zodanig aangewezen oever.

Ingevolge het tweede lid is het, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te ankeren anders dan gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een permanent recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig.

Ingevolge het derde lid kunnen burgemeester en wethouders van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen voorzover het betreft een krachtens artikel 14 aangewezen water of oever.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd oevers en/of wateren aan te wijzen als bedoeld in artikel 5 waar het verboden is te ankeren.

2. Bij onderscheiden brieven van 31 mei 2012 heeft [appellant] het college verzocht handhavend op te treden wegens overtreding van artikel 5, tweede lid, van de Ligplaatsenverordening. Hij verzoekt een ponton in het Brandemeer, gelegen in de nabijheid van zijn woning, te verwijderen en handhavend op te treden tegen het ankeren van instructieboten van zeilschool De Kikkert waarvan hij overlast ondervindt.

Bij het besluit van 6 augustus 2012 heeft het college deze verzoeken afgewezen. In bezwaar heeft het college deze afwijzing gehandhaafd. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat het ponton geen vaartuig in de zin van artikel 1, eerste lid, maar een constructie van vier betonnen bakken is. Volgens het college is er om die reden geen overtreding van het in artikel 5, tweede lid, neergelegde ankerverbod. Met betrekking tot de instructieboten is het college van oordeel dat deze weliswaar bedrijfsmatig worden ingezet, maar op recreatieve wijze worden gebruikt en derhalve evenmin in strijd zijn met deze bepaling.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college de afwijzing van de verzoeken terecht heeft gehandhaafd. De rechtbank heeft daarbij miskend dat de instructieboten bedrijfsmatig worden gebruikt en de uitzondering op het verbod van artikel 5, tweede lid, van de Ligplaatsenverordening met betrekking tot permanent recreatief gebruik niet aan de orde is. Deze uitzondering ziet op het ankeren van toevallig passerende watertoeristen. De rechtbank heeft voorts miskend dat het ponton een vaartuig is in de zin van de Ligplaatsenverordening, nu het begrip ‘vaartuig’ volgens de toelichting in de meest ruime betekenis van het woord moet worden opgevat. Het is een drijvend ponton van tien bij tien meter dat kan varen. Derhalve is artikel 5, tweede lid, overtreden. Zowel wat betreft het ponton als wat betreft de instructieboten bestaat geen concreet zicht op legalisatie, nu het water geen krachtens artikel 14 aangewezen water is, aldus [appellant].

3.1. Uit het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de Ligplaatsenverordening volgt dat het ankeren met een vaartuig niet is verboden gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een permanent recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig. Weliswaar is de zeilschool een bedrijf en worden de instructieboten door de zeilschool als bedrijfsmiddelen gebruikt, maar volgens voormelde bepaling gaat het om het feitelijke gebruik van deze vaartuigen en de wijze waarop op of in de omgeving daarvan wordt verbleven ten tijde van het ankeren. De rechtbank is het college terecht in diens standpunt gevolgd dat het geven en volgen van zeillessen een vorm van recreatie is en dat gedurende de tijd dat de instructieboten ankeren er op of in de omgeving daarvan recreatief wordt verbleven. Derhalve is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat overtreding van artikel 5, tweede lid, niet aan de orde is en dat het college het verzoek om handhavend optreden tegen de instructieboten terecht heeft afgewezen.

Het desbetreffende ponton is een constructie van vier betonnen bakken met een totale oppervlakte van tien bij tien meter. Deze betonnen bakken zijn door middel van kettingen aan elkaar verbonden. Het ponton ligt met vier spudpalen verankerd in de bodem van het Brandemeer. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het ponton geen vaartuig is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Ligplaatsenverordening. Weliswaar worden in deze bepaling en de toelichting daarop ook vaartuigen zonder waterverplaatsing, casco’s en recreatiewoonarken als voorbeelden genoemd die vallen onder de definitie van het begrip vaartuig, maar in het hier voorliggende geval gaat het om een ponton dat geen enkele vaarfunctie heeft. Nu het ponton geen vaartuig is, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ponton niet in strijd is met artikel 5, tweede lid, en dat het college het verzoek om handhavend optreden tegen het ponton terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier.

w.g. Slump w.g. Zegveld

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

43-805.