Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201505343/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de minister, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant] om inschrijving als tolk Nederlands <-> Arabisch (Irakees) in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: Rbtv) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505343/1/A3.

Datum uitspraak: 6 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Veiligheid en Justitie,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de minister, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant] om inschrijving als tolk Nederlands <-> Arabisch (Irakees) in het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: Rbtv) afgewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 maart 2015 in zaak nr. 201406836/1/A3, ECLI:NL:RVS:2015:849, heeft de Afdeling het door de minister daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 22 mei 2015 heeft de minister het door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.E.S. Tomeij en mr. F. Kabbouti, beiden werkzaam bij de Raad voor Rechtsbijstand, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Bij het besluit van 22 mei 2015 heeft de minister het bezwaar van [appellant] tegen de weigering om hem in te schrijven in het Rbtv als tolk Nederlands <-> Arabisch (Irakees) opnieuw ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij van belang geacht dat [appellant] niet de opleiding Arabisch van Stichting Instituut voor Gerechtstolken en -Vertalers (hierna: SIGV) heeft gevolgd. Met deze opleiding en bijbehorende tolkentoets kan [appellant] aantonen aan de wettelijke vereisten voor inschrijving in het Rbtv te voldoen. Dat [appellant] om hem moverende redenen deze opleiding niet wil volgen is een keuze die voor zijn rekening en risico dient te blijven, aldus de minister. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat [appellant] niet heeft aangetoond het Arabisch (Irakees) op niveau C1 van het Europees Referentiekader voor de Talen (hierna: ERK) te beheersen en dat zijn verzoek om die reden niet aan de commissie beëdigde tolken en vertalers (hierna: commissie) behoeft te worden voorgelegd.

3. [appellant] betoogt dat de voorzitter van de bezwaarcommissie niet onafhankelijk was en dat derhalve artikel 7:13 van de Awb is geschonden. Dit blijkt uit de omstandigheid dat de voorzitter in de ‘wij-vorm’ sprak en zich daarmee met het bestuursorgaan vereenzelvigde. Dit is evenwel niet terug te zien in het verslag van de hoorzitting, dat dan ook volgens [appellant] geen goede weergave van de hoorzitting is.

3.1. Nu [appellant] zijn stelling dat de voorzitter van de bezwaarcommissie niet onafhankelijk was niet met objectieve gegevens heeft gestaafd, faalt het betoog.

4. [appellant] betoogt dat de minister zijn verzoek om inschrijving in strijd met de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2014 die de Afdeling in hoger beroep heeft bevestigd, niet aan de commissie heeft voorgelegd. Omdat het nagenoeg onmogelijk is om aan te tonen dat hij het Arabisch (Irakees) op niveau C1 van het ERK beheerst, had zijn verzoek moeten worden voorgelegd. Bovendien heeft de rechtbank geoordeeld dat hij de taal op dat niveau beheerst. Ook uit door hem overgelegde verklaringen blijkt dat hij het Arabisch (Irakees) op het vereiste niveau beheerst, aldus [appellant].

Verder betoogt [appellant] dat tijdens de hoorzitting is vastgesteld dat de werkervaringseis hem niet langer werd tegengeworpen. Gelet hierop had het bezwaar op dit punt volgens hem gegrond moeten worden verklaard.

4.1. Een tolk kan rechtstreeks in het Rbtv worden ingeschreven indien hij een erkende tolkopleiding heeft afgerond. Alleen in gevallen waarin geen toets beschikbaar is, kan een verzoek om inschrijving in het Rbtv worden voorgelegd aan de commissie, zo volgt uit artikel 3 van het Besluit inschrijving Rbtv. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister verklaard dat [appellant] door het afronden van de opleiding Arabisch (Midden-Oosten) van de SIGV kan worden ingeschreven in het Rbtv als tolk voor het Arabisch (Irakees). In de uitspraak van 18 maart 2015 heeft de Afdeling overwogen dat zij, anders dan de rechtbank, de redenen waarom [appellant] deze opleiding bij de SIGV niet wil volgen, niet kan billijken. Nu in dit geval een tolktoets beschikbaar is en geen reden bestaat waarom [appellant] deze toets niet aflegt, heeft de minister terecht, gelet op de tekst en de strekking van artikel 3, eerste volzin, van het Besluit inschrijving Rbtv, geen grond gevonden om het verzoek tot inschrijving in het Rbtv aan de commissie voor te leggen. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de beheersing van het Arabisch (Irakees) op niveau C1 van het ERK en over de werkervaringseis, houdt verband met het voldoen aan de vereisten om zijn verzoek voor te leggen aan de commissie en leidt niet tot het oordeel dat het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard. De minister heeft de afwijzing van het verzoek om inschrijving in het Rbtv in bezwaar terecht gehandhaafd. Er is geen sprake van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 3, eerste volzin, van het Besluit inschrijving Rbtv.

Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Vlasblom

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2016

382-805.

Bijlage

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv) is er een register voor beëdigde tolken en vertalers.

Ingevolge artikel 3 dient de tolk dan wel de vertaler, om voor inschrijving in het register in aanmerking te komen, te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van de volgende competenties:

- attitude van een tolk voor de tolk;

- attitude van een vertaler voor de vertaler;

- integriteit;

- taalvaardigheid in de brontaal;

- taalvaardigheid in de doeltaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de brontaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de doeltaal;

- tolkvaardigheid voor de tolk;

- vertaalvaardigheid voor de vertaler.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, wordt de aanvraag tot inschrijving afgewezen indien de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde eisen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit beëdigde tolken en vertalers is er een commissie beëdigde tolken en vertalers.

Ingevolge het

tweede lid, aanhef en onder c, is de commissie belast met het adviseren over de competenties, genoemd in artikel 3 van de Wbtv.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, wordt een tolk of vertaler in het register ingeschreven, indien hij voldoet aan een of meer van de volgende eisen:

a. hij beschikt over een of meer van de volgende getuigschriften waaruit blijkt dat hij met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot tolk of vertaler als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek:

1º een getuigschrift waaruit blijkt dat het recht is verkregen om de titel baccalaureus te voeren;

2º een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Bachelor is verleend; of

3º een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Master is verleend;

b. hij kan anderszins aantonen te voldoen aan de wettelijke competenties.

Ingevolge het tweede lid kan de minister onafhankelijke deskundigen aanwijzen die taal- en cultuurtoetsen kunnen afnemen waarmee tolken en vertalers kunnen aantonen dat ze beschikken over de desbetreffende wettelijke competenties.

Voor de beoordeling van aanvragen tot inschrijving in het register is het Besluit inschrijving Rbtv van 26 maart 2009 (Stcrt. 2009, 68) vastgesteld.

Volgens artikel 2 kan een tolk of vertaler, indien hij/zij niet beschikt over een diploma van een tolk- of vertaleropleiding op minimaal bachelorniveau, worden ingeschreven in het Rbtv na overlegging van een getuigschrift waaruit blijkt dat de tolk of vertaler in de betreffende talencombinatie, dan wel vertaalrichting en vaardigheid een tolk- of vertalertoets heeft afgelegd die voldoet aan het door de Raad voor Rechtsbijstand vast te stellen/vastgestelde kader voor toetsen.

Volgens artikel 3 kan, indien voor een vaardigheid en/of talencombinatie, dan wel vertaalrichting geen toets beschikbaar is, de Raad voor Rechtsbijstand in uitzonderlijke gevallen een verzoek tot inschrijving voorleggen aan de commissie. Daartoe moet de tolk of vertaler aantonen:

- te beschikken over hbo-werk- en denkniveau en

- te beschikken over taalvaardigheid in de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) op het vereiste niveau en

- minimaal vijf jaar ervaring te hebben als beroepstolk of -vertaler in de betreffende vaardigheid en talencombinatie dan wel vertaalrichting en

- scholing te hebben gevolgd om tolk- of vertaalvaardigheid en -attitude te ontwikkelen.