Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1856

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201505472/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2016/116 met annotatie van H.J. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505472/2/R2.

Datum uitspraak: 6 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Zijderveld, gemeente Vianen,

appellant,

en

de raad van de gemeente Vianen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. Steenbeek, en de raad, vertegenwoordigd door J. Ariaans en ing. A.C. Boel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3979, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van

21 april 2015 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het bestreden besluit van 21 april 2015 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, voor zover in het plan de bestemming "Wonen" is toegekend aan het perceel [locatie A]. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat [appellant] op dat perceel bedrijfsactiviteiten exploiteert die met de toekenning van de bestemming "Wonen" voor de tweede keer onder de werking van het overgangsrecht zijn gebracht, terwijl niet de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat dat gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

2. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen voornoemd gebrek in het besluit van 21 april 2015 binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen door een nieuw besluit te nemen. De tussenuitspraak verplicht, gelet op artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb, het gebrek te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn is ongebruikt verstreken, zodat niet is voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het besluit van 21 april 2015 is derhalve niet hersteld en de Afdeling heeft na het verstrijken van de termijn het onderzoek gesloten.

3. Gezien overweging 6.4 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel van [appellant], [locatie A], niet is genomen met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Conclusie

4. Het beroep van [appellant] is gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie A] wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

5. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

6. De Afdeling ziet daarnaast met het oog op de belangen van [appellant] aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb de raad op te dragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen.

De Afdeling bepaalt voorts dat de raad een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

7. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Vianen van 21 april 2015 waarbij het bestemmingsplan "Dorpen" is vastgesteld, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie A];

III. draagt de raad van de gemeente Vianen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. draagt de raad van de gemeente Vianen op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak en de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. bepaalt dat de raad van de gemeente Vianen aan [appellant] een dwangsom verbeurt van € 100,00 (zegge: honderd euro) voor elke dag waarbij hij in gebreke blijft de onder IV vermelde opdracht na te komen, met een maximum van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro);

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Vianen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Vianen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G. Klapwijk, griffier.

w.g. Hagen w.g. Klapwijk

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2016

726.