Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1849

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201410088/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9090, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2008 definitief vastgesteld op € 779,00 en € 9.109,00 aan te veel uitbetaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410088/1/A2.

Datum uitspraak: 6 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2014 in zaak nr. 14/2803 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2008 definitief vastgesteld op € 779,00 en € 9.109,00 aan te veel uitbetaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 21 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 maart 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

Geschil

1. [appellante] heeft in 2008 gebruik gemaakt van kinderopvang door tussenkomst van [kindercentrum] en van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] kinderopvangtoeslag toegekend voor de opvang die heeft plaatsgevonden door tussenkomst van [kindercentrum]. In geschil is of [appellante] recht heeft op kinderopvangtoeslag voor zover het de gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau] betreft.

2. Aan het besluit van 25 mei 2010, gehandhaafd bij besluit van 21 maart 2014, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de kosten voor gastouderopvang volledig heeft voldaan. Voorts heeft de dienst zich op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de gastouderopvang op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, heeft plaatsgehad.

3. De rechtbank heeft het besluit van 21 maart 2014 vernietigd, omdat de Belastingdienst/Toeslagen dit besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en [appellante] ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.

De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 maart 2014 in stand te laten. In dat kader heeft zij onder meer overwogen dat niet is gebleken dat [appellante] kosten voor de gastouderopvang heeft gemaakt, nu niet is gebleken wat de totale kosten van gastouderopvang zijn geweest en op geen enkele wijze is aangetoond waarvoor gestelde betalingen zijn verricht.

Hogerberoepsgronden

Bevoegdheid Afdeling

4. [appellante] betoogt dat de Afdeling niet kan worden aangemerkt als onafhankelijk en onpartijdig gerecht, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Volgens [appellante] volgt uit de uitspraken van de Afdeling in zaken over kinderopvangtoeslag dat de Afdeling vooringenomen is en dat burgers geen gelijkwaardige positie ten opzichte van de Belastingdienst/Toeslagen innemen.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1898), bestaat geen grond voor het oordeel dat de Afdeling niet onafhankelijk is of niet aan de in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vermelde vereisten voldoet. Dat [appellante] zich niet kan vinden in de jurisprudentie van de Afdeling in vergelijkbare zaken is onvoldoende om de onpartijdigheid van de Afdeling in twijfel te trekken.

Het betoog faalt.

Bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om aanspraak vast te stellen

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen conclusies heeft verbonden aan het feit dat de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag ten nadele van [appellante] definitief heeft vastgesteld nadat de termijn waarbinnen de dienst op de voet van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), de tegemoetkoming definitief had moeten vaststellen is verstreken. Nu de dienst zelf in strijd met zijn wettelijke verplichting heeft gehandeld, mag hij [appellante] niet meer tegenwerpen dat zij, naar de dienst stelt, in strijd met een wettelijke verplichting heeft gehandeld, aldus [appellante].

5.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Awir kent de Belastingdienst/Toeslagen, indien ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen dertien weken nadat de laatste in dit kader van belang zijnde aangifte inkomstenbelasting is ingediend, of, indien dit eerder is, binnen acht weken na de vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde aanslag. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt een aangifte inkomstenbelasting die is ingediend vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar geacht te zijn ingediend op 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar.

Ingevolge het tweede lid kent de Belastingdienst/Toeslagen, indien voor geen van de in het eerste lid bedoelde personen over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting of een beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld, de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe vóór 1 december van het jaar volgend op het berekeningsjaar.

5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484), volgt uit de Awir, noch de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, dat de in artikel 19, eerste en tweede lid, van de Awir, neergelegde beslistermijnen in zoverre fataal zijn dat de Belastingdienst/Toeslagen na het verstrijken van deze termijnen niet meer bevoegd is om een voorschot te herzien, overeenkomstig artikel 16, vijfde lid, van de Awir, of een toeslag, overeenkomstig artikel 19 van de Awir, definitief vast te stellen. Dit betekent evenwel niet dat die bevoegdheid niet in tijd is begrensd. Uit voormelde uitspraak volgt dat, gelet op de wetssystematiek en in lijn met artikel 21, tweede lid, van de Awir, de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om een voorschot te herzien of een toeslag vast te stellen ten nadele van de aanvrager vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft, vervalt.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft de aanspraak op kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2008 op 25 mei 2010 herzien. Hoewel op dat moment de in artikel 19, eerste en tweede lid, van de Awir neergelegde termijnen waren verstreken, was de dienst tot deze herziening bevoegd, nu deze wel binnen vijf jaar na de laatste dag van het toeslagjaar 2008 heeft plaatsgevonden.

Aangezien de Belastingdienst/Toeslagen bevoegd was de toeslag vast te stellen, is het aan [appellante], als aanvrager van de toeslag, om vervolgens aan te tonen dat zij aan alle daarvoor gestelde wettelijke vereisten heeft voldaan.

Het betoog faalt.

Kosten van kinderopvang

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen geen informatie mag opvragen bij een aanvrager van kinderopvangtoeslag die op basis van de Wko bij het kindercentrum of gastouderbureau moet worden opgevraagd. Nu uit afdeling 3 van de Wko volgt dat een kindercentrum of gastouderbureau een deugdelijke administratie moet hebben met betrekking tot de gemaakte kosten en de schriftelijke overeenkomst, had de dienst deze gegevens bij [gastouderbureau] moeten opvragen. Voor zover de Belastingdienst/Toeslagen haar heeft verweten dat zij geen jaaropgave of facturen heeft kunnen overleggen, had de dienst deze documenten bij de FIOD moeten opvragen, nu het de dienst reeds eind 2008 bekend was dat de FIOD beslag had gelegd op de administratie van [gastouderbureau], aldus [appellante].

6.1. Dit betoog faalt. Het is aan degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag wil maken om documenten over te leggen waaruit blijkt dat hij heeft voldaan aan alle daarvoor geldende voorwaarden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1076). Dit betekent dat het aan [appellante], als degene die aanspraak wil maken op kinderopvangtoeslag, is om documenten over te leggen waaruit de hoogte van de gemaakte kosten van kinderopvang kan worden afgeleid en waaruit kan worden afgeleid dat [appellante] dat bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Dat de Belastingdienst/Toeslagen, naar [appellante] stelt, deze gegevens ook bij een andere instelling kan opvragen, maakt dit, wat daar verder ook van zij, niet anders.

Het betoog faalt.

7. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken wat de totale kosten van gastouderopvang zijn geweest. Daartoe voert zij aan dat uit de door haar overgelegde bankafschriften wel degelijk blijkt welke bedragen aan de gastouder zijn voldaan en wat de kosten zijn geweest. Voor zover de Belastingdienst/Toeslagen heeft gesteld dat niet duidelijk is of die betalingen zijn gedaan in het kader van de gastouderopvang, dient hij dat te bewijzen, aldus [appellante].

7.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wko, zoals deze wet luidde ten tijde van belang, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraken van 2 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1114) en van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2519)), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald.

7.3. [appellante] heeft op 19 juli 2009 aan de Belastingdienst/Toeslagen doorgegeven dat zij in 2008 in totaal € 8.910,00, waarvan € 910,00 aan bemiddelingskosten, aan kosten van gastouderopvang heeft gehad. In beroep heeft [appellante] gesteld dat zij in totaal € 10.610,00 aan kosten van kinderopvang heeft gehad, waarvan zij een deel contant aan de gastouder heeft betaald. Nu zij verschillende bedragen aan kosten van kinderopvang heeft opgegeven en zij geen jaaropgave of facturen heeft overgelegd waaruit de juistheid van één van die bedragen blijkt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] niet heeft aangetoond wat de kosten van kinderopvang zijn geweest. Dat de hoogte van de gemaakte kosten kunnen worden afgeleid uit de door haar overgelegde bankafschriften, kan niet worden gevolgd, reeds omdat [appellante] zelf heeft verklaard dat zij ook contante betalingen heeft verricht en zij geen met geldopnames corresponderende kwitanties heeft overgelegd. Nu [appellante] niet kan aantonen wat de kosten van kinderopvang zijn geweest, kan zij evenmin aantonen dat zij het bedrag van die kosten volledig heeft voldaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1108). De rechtbank heeft aldus terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat [appellante] kosten voor de gastouderopvang heeft gemaakt, nu niet is gebleken wat de totale kosten van gastouderopvang zijn geweest.

Het betoog faalt.

8. Het voorgaande betekent dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de door haar gedane betalingen geen bespreking behoeft.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

9. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank, bij haar oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen niet in strijd heeft gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir, ten onrechte niet is ingegaan op het door haar gevoerde betoog dat op de Belastingdienst/Toeslagen een verplichting rust om een aanvraag vooraf te toetsen en dat de hoogte van een voorschot alleen mag worden herzien indien na afloop van het toeslagjaar is gebleken dat het verzamelinkomen is gewijzigd.

9.1. Ook dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4179), kan in artikel 16, vierde (thans: vijfde) lid, van de Awir, noch in enige andere bepaling van de Awir steun worden gevonden voor het oordeel dat de hoogte van een toegekend voorschot slechts kan worden gewijzigd indien het verzamelinkomen van de aanvrager wijzigt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 16, vierde (thans: vijfde) lid, van de Awir (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 764, nr. 3, pag. 49) volgt dat de hoogte van een voorschot ook kan worden herzien in situaties waarin na de verlening van het voorschot blijkt, bijvoorbeeld uit door de belanghebbende verstrekte gegevens, dat dit tot een hoger of lager bedrag is toegekend dan het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. Nu uit artikel 26 van de Awir voortvloeit dat ook de tegemoetkoming op een lager bedrag kan worden vastgesteld dan het bedrag van het voorschot, geldt het voorgaande ook in een geval als het onderhavige, waarin het voorschot niet is herzien, maar de tegemoetkoming direct is vastgesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen niet in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld.

10. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank voorbij is gegaan aan haar stelling dat de Belastingdienst/Toeslagen winst maakt door enerzijds inkomstenbelasting te innen van de gastouder en anderzijds de kinderopvangtoeslag van [appellante] terug te vorderen, kan niet tot het door haar beoogde doel leiden, reeds omdat [appellante] met dit betoog miskent dat de inkomstenbelasting wordt geïnd door een ander bestuursorgaan dan de Belastingdienst/Toeslagen, te weten de inspecteur van de Belastingdienst.

Conclusie

11. Gelet op

hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft voor zover het de gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau] betreft, omdat zij niet heeft aangetoond alle kosten van die opvang te hebben voldaan. Dit betekent dat de rechtbank aan hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko, voorbij heeft mogen gaan, zoals zij ook heeft gedaan. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank deze gronden wel had moeten bespreken faalt daarom.

12. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Borman w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2016

752.