Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1837

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
06-07-2016
Zaaknummer
201506241/1/R2
Formele relaties
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RVS:2014:2973, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2973, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] en andere ongegrond verklaard, het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert (hierna: het college) gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 januari 2014 in zaken nrs. 13/235, 13/664 en 13/934 vernietigd en het bij de rechtbank door [verzoeker] en andere ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506241/1/R2.

Datum uitspraak: 6 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], gevestigd te [plaats], en andere,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2973.

Procesverloop

Bij uitspraak van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2973, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] en andere ongegrond verklaard, het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert (hierna: het college) gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 januari 2014 in zaken nrs. 13/235, 13/664 en 13/934 vernietigd en het bij de rechtbank door [verzoeker] en andere ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

[verzoeker] en andere hebben de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[verzoeker] en andere en het college hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting, gevoegd met zaken nrs. 201506237/1/R2 en 201507451/1/R2, behandeld op 14 april 2016, waar [verzoeker] en andere, vertegenwoordigd door E.F.C.L. Boon en bijgestaan door mr. C.M.H. Cohen, en het college, vertegenwoordigd door A.J.A. Nicia, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting J.A.J. Braspenning gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1. [verzoeker] en andere hebben verschillende gronden aan de Oekelsestraat in gebruik voor agrarische activiteiten. Zij zijn het er niet mee eens dat het college heeft geweigerd omgevingsvergunningen aan hen te verlenen voor het oprichten van een kas of warenhuis, twee paardenstallen en een loods. [verzoeker] en andere vinden dat zij een volwaardig glastuinbouwbedrijf exploiteren en dat deze bouwwerken waarvoor omgevingsvergunningen zijn aangevraagd nodig zijn voor de bedrijfsvoering. De uitkomst van de vorige procedure die heeft geresulteerd in de uitspraak van 6 augustus 2014 is dat het besluit op bezwaar van het college in stand blijft en dat de door [verzoeker] en andere aangevraagde omgevingsvergunningen zijn geweigerd. Verzoekers willen dat deze omgevingsvergunningen alsnog worden verleend.

2. In de uitspraak waarvan [verzoeker] en andere herziening verzoeken, is de conclusie van de Afdeling dat de aanvragen om omgevingsvergunning voor het oprichten van een kas of warenhuis, twee paardenstallen en een loods in strijd zijn met artikel 3 van de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen". Ter plaatse van de percelen waarop [verzoeker] en andere deze bouwwerken willen oprichten zijn namelijk geen agrarische bouwpercelen geprojecteerd.

In die uitspraak heeft de Afdeling onder meer overwogen dat met de bekendmaking en beschikbaarstelling van de beheersverordening is voldaan aan hetgeen met artikel 139 van de Gemeentewet is beoogd. Verder heeft de rechtbank volgens de Afdeling ten onrechte geoordeeld dat de integrale tekst van de beheersverordening niet op een algemeen toegankelijke wijze als bedoeld in artikel 139, derde lid, beschikbaar is gesteld. De Afdeling zag geen aanleiding voor het oordeel dat de beheersverordening onverbindend is. Het college heeft de aanvragen om omgevingsvergunning daarom terecht aan de beheersverordening getoetst. Gelet op de conclusie dat de aanvragen om omgevingsvergunning in strijd zijn met de beheersverordening, hoefde het betoog van [verzoeker] dat het college niet heeft onderkend dat de aanvragen om omgevingsvergunning dienen ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf volgens de Afdeling niet meer te worden beoordeeld.

Ontvankelijkheid

3. Het college stelt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van 6 augustus 2014 niet-ontvankelijk is, omdat het onredelijk laat is ingediend. Het college is van mening dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden (hierna: nova) als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb zijn en dat de termijn moet worden bepaald op basis van de datum van openbaarmaking van de uitspraak, waarvan herziening is verzocht. Het belang van de rechtszekerheid van bestuursorganen en van omwonenden verzet zich ertegen dat in dit geval een termijn van één jaar wordt gehanteerd voor een herzieningsverzoek. Er moet volgens het college worden uitgegaan van een termijn van drie maal zes weken na de datum van openbaarmaking van de uitspraak, waarvan herziening is verzocht. Het college heeft ter toelichting van dit standpunt het volgende naar voren gebracht.

In de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht heeft de Afdeling naar aanleiding van een betoog van [verzoeker] en anderen geoordeeld dat de beheersverordening niet onverbindend is. Het college vreest dat de verbindendheid van de beheersverordening opnieuw ter discussie komt te staan bij toewijzing van het herzieningsverzoek, hetgeen de rechtszekerheid van andere belanghebbenden en de betrokken bestuursorganen ernstig aantast. Omdat de Afdeling de beheersverordening in verschillende uitspraken niet onverbindend heeft geacht, zouden die uitspraken bij toewijzing van het verzoek evenmin in stand kunnen blijven, aldus het college. Op die wijze kan een mogelijke toewijzing van het verzoek een kettingreactie op gang brengen met betrekking tot alle gronden die in de beheersverordening en het daarvoor geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied - vrije vestiging" hadden. Het college vreest dat indien aan al deze gronden agrarische bouwblokken moeten worden toegekend een vanuit een goede ruimtelijke ordening onwenselijke situatie zal ontstaan.

3.1. Hoewel het indienen van een verzoek om herziening niet aan enige wettelijke termijn is gebonden, hanteert de Afdeling bij de beoordeling van een dergelijk verzoek als uitgangspunt dat het verzoek niet onredelijk laat mag zijn ingediend. Zoals de grote kamer van de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:308 en ECLI:NL:RVS:2015:310, wordt bij de invulling van het "onredelijk laat-criterium" in de regel uitgegaan van een termijn van één jaar. Dit betekent dat de indiening van een verzoek om herziening als onredelijk laat wordt aangemerkt indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar na het bekend worden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.

Een uitzondering op die regel wordt gemaakt voor die uitzonderlijke gevallen waarin het belang van de rechtszekerheid van andere belanghebbenden en bestuursorganen dermate betrokken is, dat het hanteren van een zo lange termijn niet aanvaardbaar zou zijn. Dit laatste kan zich eerder in meerpartijengeschillen dan in tweepartijengeschillen voordoen, en eerder indien bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, een besluit in stand is gebleven waarbij aan een of meer belanghebbenden toestemming is verleend om bepaalde activiteiten te verrichten. In dergelijke uitzonderlijke gevallen waarin de termijn van één jaar niet wordt gehanteerd, zal een termijn gelden van drie maal zes weken.

3.2. Het verzoek om herziening is op 5 augustus 2015 ingediend. In het verzoek zijn verschillende nova gesteld. Zo hebben [verzoeker] en andere onder meer besluiten van 28 juli 2015 van het college van burgemeester en wethouders tot oplegging van verschillende lasten onder dwangsom als nova gesteld. Het verzoek is derhalve binnen anderhalve week na het bekend worden van [verzoeker] en andere met de door hen gestelde nova ingediend. Het verzoek is derhalve zowel binnen een termijn van een jaar na de uitspraak als binnen een termijn van drie maal zes weken na het bekend worden van [verzoeker] en andere met de door hen gestelde nova ingediend. Anders dan het college betoogt, wordt bij het beoordelen of een herzieningsverzoek onredelijk laat is ingediend niet reeds beoordeeld of deze gestelde nova voldoen aan de criteria van artikel 8:119 van de Awb. De vraag of aan deze criteria wordt voldaan is immers pas aan de orde bij de beoordeling van een ontvankelijk verzoek. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren omdat dit onredelijk laat zou zijn ingediend.

4. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb bepaalt dat alleen partijen een verzoek tot herziening kunnen indienen. Bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht was de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Floribras Garden Plants B.V geen partij. Daarom zal het verzoek, voor zover ingediend door Floribras Garden Plants B.V., niet-ontvankelijk worden verklaard.

Goede procesorde

5. Het college heeft ter zitting betoogd dat het nadere stuk van [verzoeker] en andere van 30 maart 2016, dat op diezelfde datum bij de Raad van State is binnengekomen, wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Volgens hem is het nadere stuk, mede gelet op de omvang daarvan, te laat ingediend.

5.1. Gelet op artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Het nadere stuk van 30 maart 2016 is voor deze tien dagen ingediend. De Afdeling ziet in de omvang van het nadere stuk geen aanleiding voor het oordeel dat dit zodanig laat is ingediend dat dit wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Hierbij betrekt de Afdeling dat het nadere stuk bestaat uit 19 pagina’s met 30 bijlagen. Deze bijlagen maken het nadere stuk omvangrijk. In hoofdzaak zijn deze bijlagen documenten die bij het gemeentebestuur bekend zijn of bekend zouden moeten zijn. Daarnaast bestaan de 19 pagina’s tekst hoofdzakelijk uit herhalingen van eerder aangevoerde argumenten. Het college is derhalve in staat geweest adequaat op het nadere stuk te reageren, noch wordt de voortgang van de procedure daardoor anderszins belemmerd.

Het verzoek om herziening

6. [verzoeker] en andere betogen dat de aanvragen om omgevingsvergunning ten onrechte zijn getoetst aan de beheersverordening en niet aan het daarvoor geldende bestemmingsplan. Hiertoe voeren zij aan dat de beheersverordening op onjuiste wijze is bekend gemaakt. Zij wijzen in verband daarmee op een publicatie van 22 juni 2011 in het huis-aan-huisblad de Zundertse Bode. Ook wijzen zij in verband met de gebrekkige bekendmaking op de metadata van de beheersverordening op de gemeentelijke website. Hieruit blijkt volgens hen dat deze versie van de beheersverordening meermalen is aangepast en dat deze niet de bij besluit van 26 mei 2011 vastgestelde beheersverordening betreft. [verzoeker] en andere voeren verder aan dat er voor het buitengebied van Rijsbergen geen beheersverordening kan gelden, omdat het een gebied betreft waar verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien. In verband hiermee wijzen zij erop dat een wethouder tijdens de raadsvergadering van 8 juli 2015 heeft gezegd dat er een behoorlijke dynamiek is in het buitengebied van Rijsbergen.

[verzoeker] en andere betogen verder dat de aanvragen om omgevingsvergunning niet in strijd zijn met artikel 3 van de beheersverordening, omdat op de gronden in kwestie wel degelijk verbale agrarische bouwpercelen zijn geprojecteerd. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat zij beschikken over een bouwvergunning voor de bestaande kas en dat uit een brief van het college van 28 juli 2015 volgt dat het waterbassin legaal aanwezig is.

Voorts betogen [verzoeker] en andere dat de Afdeling ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvragen om omgevingsvergunning in strijd zijn met provinciaal beleid dat ten grondslag ligt aan de beheersverordening en met de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening). Van strijd met gemeentelijk beleid kan volgens hen evenmin sprake zijn. In verband hiermee wijzen zij erop dat een wethouder tijdens de raadsvergadering van 8 juli 2015 heeft gezegd dat het glastuinbouwbedrijf aan de [locatie] nog kan groeien.

Tot slot betogen [verzoeker] en andere dat het college niet heeft onderkend dat de aanvragen om omgevingsvergunning dienen ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf.

Wettelijk kader

7. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Beoordeling van het verzoek om herziening

8. De Afdeling is van oordeel dat [verzoeker] en andere geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb naar voren hebben gebracht. Hieronder zal de Afdeling haar oordeel motiveren.

9. Het verzoek van [verzoeker] en andere is grotendeels een herhaling van hetgeen zij in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 6 augustus 2014 reeds hebben aangevoerd. Zo hebben zij in die procedure reeds betoogd dat de beheersverordening op onjuiste wijze is bekend gemaakt. Ook hebben zij in die procedure reeds betoogd dat het college niet heeft onderkend dat de aanvragen om omgevingsvergunning dienen ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf. Het bijzondere rechtsmiddel herziening dient er echter niet toe om een geschil dat reeds is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen. Het middel biedt een partij derhalve niet de mogelijkheid het debat te heropenen nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

10. De gestelde uitlating van de wethouder dat door de beheersverordening bestaande agrarische bedrijven niet op slot zijn gezet dateert van na de uitspraak waarvan [verzoeker] en andere herziening verzoeken. Gelet hierop is niet voldaan aan onderdeel a van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Overigens heeft de wethouder blijkens de overgelegde transcriptie van het fragment van de raadsvergadering gezegd dat nieuwvestiging van agrarische bedrijven ter plaatse niet mogelijk is en dat tegen illegale objecten handhavend is en zal worden opgetreden.

11. Verder hebben [verzoeker] en andere nadere bewijsmiddelen van feiten aan hun verzoek ten grondslag gelegd die zij in de eerdere procedure niet naar voren hebben gebracht. Zo hebben zij gewezen op een bouwvergunning voor een bestaande kas. Verder hebben [verzoeker] en andere zogenoemde metadata van de website van de gemeente Zundert overgelegd, waaruit volgens hen blijkt dat de beheersverordening op de gemeentelijke website op 13 november 2013 voor het laatst is gewijzigd. Ook hebben zij een brief van het college van 28 juli 2015 overgelegd.

11.1. Het bijzondere rechtsmiddel herziening biedt een partij niet de mogelijkheid herziening te vragen op grond van bewijsmiddelen die niet naar voren zijn gebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan thans herziening wordt verzocht. Dit is slechts anders indien het de verzoeker, naar objectieve maatstaven gemeten, niet mogelijk was die bewijsmiddelen in de eerdere procedure naar voren te brengen.

11.2. De bouwvergunning waarnaar [verzoeker] en andere verwijzen, dateert van 29 maart 2005. Niet valt in te zien dat het hen niet mogelijk was dit bewijsmiddel in de eerdere procedure naar voren te brengen.

11.3. Evenmin valt in te zien dat het hen niet mogelijk was de metadata van de gemeentelijke website in de eerdere procedure naar voren te brengen. De metadata die [verzoeker] en andere hebben overgelegd, maken deel uit van een reactie op een verzoek krachtens de Wet openbaarheid bestuur (Wob) dat [verzoeker] op 2 juli 2015 bij het college van burgemeester en wethouders heeft ingediend. Dit Wob-verzoek had echter eerder kunnen worden ingediend, zodat de metadata reeds in de eerdere procedure hadden kunnen worden ingebracht.

11.4. De brief van het college van 28 juli 2015 is van na de datum van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Daarom was het voor [verzoeker] en andere niet mogelijk deze brief als bewijsmiddel naar voren te brengen in de eerdere procedure die tot de uitspraak van 6 augustus 2014 heeft geleid. De Afdeling zal daarom bezien of hetgeen in de brief staat vermeld, was dit bij de Afdeling bekend, tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden.

Uit de brief volgt dat het waterbassin volgens het college legaal aanwezig is, omdat voor het oprichten daarvan geen bouwvergunning was vereist. Indien de brief bij de Afdeling bekend was geweest, zou deze niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden. Het waterbassin bevindt zich namelijk niet op de gronden waarop de aanvragen om omgevingsvergunning zagen. Dat het waterbassin legaal aanwezig is, kan derhalve niet afdoen aan de conclusie dat ter plaatse van de gronden waarop [verzoeker] en andere een kas of warenhuis, twee paardenstallen en een loods willen oprichten geen verbale agrarische bouwpercelen zijn geprojecteerd.

Conclusie

12. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek, voor zover ontvankelijk, te worden afgewezen.

13. De Afdeling wijst het verzoek om het college op grond van artikel 8:88 van de Awb te veroordelen tot schadevergoeding af, reeds omdat artikel 8:119, tweede lid, van de Awb hiervoor geen grondslag biedt.

Vervallenverklaring

14. De Afdeling ziet in hetgeen [verzoeker] en andere hebben aangevoerd evenmin grond om tot vervallenverklaring van de uitspraak van 6 augustus 2014 over te gaan. Het buitenwettelijk middel van vervallenverklaring wordt slechts in zeer bijzondere gevallen gehanteerd. Het dient uitsluitend tot herstel van evidente, niet voor rectificatie vatbare fouten van de rechter die niet door het instellen van enig rechtsmiddel kunnen worden ondervangen. Zodanig bijzonder geval doet zich hier niet voor.

Proceskosten

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het verzoek om herziening, voor zover ingediend door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Floribras Garden Plants B.V., niet ontvankelijk;

II. wijst het verzoek om herziening, voor zover ontvankelijk, af;

III. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Kegge

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2016

459-813.