Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201507522/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:10877, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507522/1/V2.

Datum uitspraak: 24 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 21 september 2015 in zaak nr. 15/15728 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 september 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aanleiding

2. De vreemdeling heeft de Syrische nationaliteit. De staatssecretaris heeft aan de vreemdeling artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951 (Trb. 1951, 131), zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (Trb. 1967, 76) (hierna: artikel 1(F)), tegengeworpen en daarom zijn asielaanvraag afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

3. In hoger beroep is onbestreden dat de vreemdeling diverse werkzaamheden heeft verricht voor het Centre d'Etudes et de Recherches Scientifiques (hierna: het CERS) in Syrië. Hij is laatstelijk van begin 2011 tot zijn vertrek uit Syrië op 27 januari 2013 werkzaam geweest als budgethouder bij het CERS. Het CERS, dat betrekkingen heeft met het Syrische leger, is - onder andere - verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het vervoer van het Syrische chemische wapenarsenaal. De vreemdeling was werkzaam bij Afdeling 450, welke afdeling verantwoordelijk is voor de productie en opslag van niet-conventionele wapens.

De rechtbank heeft voorts onbestreden overwogen dat in het interne gewapende conflict in Syrië chemische wapens tegen de burgerbevolking zijn ingezet. Evenmin is bestreden dat de inzet van chemische wapens in verband moet worden gebracht met het opzettelijk doden, het opzettelijk veroorzaken van ernstig lijden, zwaar lichamelijk letsel of ernstige schade aan de gezondheid en het opzettelijk aanvallen van de burgerbevolking als zodanig of individuele burgers die niet rechtstreeks aan vijandelijkheden deelnemen. Daarmee zijn het misdrijven als bedoeld in artikel 1(F).

Om te bepalen of een vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F), onderzoekt de staatssecretaris of die vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf ("knowing participation") en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). De rechtbank heeft in dat kader, in hoger beroep onbestreden, overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de vreemdeling is voldaan aan het vereiste "knowing participation" als bedoeld in paragraaf C2/7.10.2.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

Grief

4. In zijn grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een direct en duidelijk verband is tussen de door de vreemdeling verrichte werkzaamheden en de gedragingen die als misdrijven in de zin van artikel 1(F) zijn aan te merken. Evenzeer ten onrechte heeft de rechtbank overwogen, dat het bestellen van goederen en het boekhoudkundig en budgettair beoordelen van de bestellingen te ver zijn verwijderd van voormelde misdrijven, waardoor niet kan worden geoordeeld dat de inzet van chemische wapens door de vreemdeling is gefaciliteerd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan de vreemdeling volgens de staatssecretaris wel "personal participation" als bedoeld in voormelde paragraaf van de Vc 2000 worden verweten.

4.1. De staatssecretaris voert daartoe in zijn grief aan dat de vreemdeling de inzet van chemische wapens tegen de burgerbevolking heeft gefaciliteerd, zodat hij wel degelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor gedragingen als bedoeld in artikel 1(F). De werkzaamheden van de vreemdeling vormden een essentiële en onmisbare schakel in het productieproces van chemische wapens voor het Syrische leger. Hij was in zijn functie verantwoordelijk voor de inkoop, ontvangst en levering van diverse materialen. Zo bestelde hij onder meer pijpen en buizen, chemisch materiaal voor ontsmetting, airco's en beschermende maskers en pakken. Dit materiaal heeft hij besteld voor Afdeling 450 van het CERS, die verantwoordelijk was voor de opslag en het gebruik van chemische wapens. Indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld, hadden de misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet of niet op dezelfde wijze plaatsgevonden. Zonder het inkopen en afleveren van goederen die werden gebruikt bij de productie en het testen van chemische wapens, was het immers onmogelijk om die wapens te ontwikkelen en vervolgens in te zetten, aldus de staatssecretaris.

Standpunt staatssecretaris "knowing participation"

4.2. In het besluit en het daarin ingelaste voornemen, heeft de staatssecretaris zich wat betreft de "knowing participation" van de vreemdeling op het standpunt gesteld dat de vreemdeling op de hoogte was van de doelen van het CERS. Zo heeft hij verklaard dat het CERS in de jaren voorafgaand aan zijn vertrek een volledig militaire instelling is geworden en dat door dit centrum militaire middelen zoals chemische wapens, drones, stoorzenders, communicatiemiddelen en raketten werden ontwikkeld. De vreemdeling wist of had moeten weten dat het uitvoeren van aanvallen met chemische wapens op de burgerbevolking onderdeel was van een wijdverbreide of stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking, aldus de staatssecretaris. Zo heeft de vreemdeling verklaard dat sinds het uitbreken van de revolutie het CERS een instelling is geworden om de burgerbevolking door middel van militaire middelen te onderdrukken en heeft hij verklaard geen deel te willen uitmaken van een apparaat ter onderdrukking van het volk en het plegen van moordpartijen tegen het volk.

Standpunt staatssecretaris "personal participation"

4.3. Aangaande de "personal participation" van de vreemdeling heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling sinds begin 2011 werkzaam was voor Afdeling 450 van het CERS. Volgens onderzoek van de staatssecretaris is Afdeling 450 een geheime unit verantwoordelijk voor het toevoegen van een chemische lading aan wapens en de opslag en beveiliging van het Syrische chemische wapenarsenaal. Afdeling 450 werkte daarbij nauw samen met Afdeling 3000. De vreemdeling heeft over Afdeling 3000 verklaard dat de daar werkzame chemische technici het brein vormden achter de ontwikkeling van de chemische wapens. De vreemdeling heeft volgens de staatssecretaris geloofwaardig verklaard over de taken en de samenwerking tussen deze afdelingen. Dat de vreemdeling later ontkent daarover kennis te hebben, heeft de staatssecretaris niet geloofwaardig geacht, omdat de ontkenning pas plaatsvond nadat de vreemdeling was geconfronteerd met het onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1(F) op hem en daarom wordt gezien als een bagatellisering van zijn verantwoordelijkheden.

4.4. De vreemdeling was volgens zijn verklaringen verantwoordelijk voor het beheren van de voorraden van Afdeling 450 en was de schakel tussen die afdeling en de directie financiële zaken van het CERS. De vreemdeling was ook verantwoordelijk voor de inkoop van goederen voor zijn afdeling. Hij ontving verzoeken producten te bestellen, beoordeelde de aanvraag en plaatste vervolgens de bestelling. Bij ontvangst in het magazijn controleerde hij de producten en communiceerde vervolgens aan de betrokkenen dat de gevraagde goederen waren ontvangen. In het nader gehoor verklaarde hij daarover dat hij verantwoordelijk was voor de inkoop van goederen op zowel de binnenlandse markt als buitenlandse markten. Ook verklaarde hij verantwoordelijk te zijn voor het bestellen van goederen die nodig waren voor het uitvoeren van experimenten met chemische wapens. De staatssecretaris betrekt tot slot in het besluit dat de vreemdeling daarnaast ook verantwoordelijk was voor de inkoop van Afdeling 3000. De staatssecretaris concludeert dan ook dat de vreemdeling voldoet aan het vereiste van "personal participation".

Beoordeling grief

5. Volgens paragraaf C2/7.10.2.4. van de Vc 2000 wordt onder "personal participation" niet slechts verstaan het door de vreemdeling zelf, in zijn opdracht of onder zijn verantwoordelijkheid plegen van misdrijven, maar ook het direct faciliteren van de misdrijven. Hieronder wordt verstaan dat het handelen en/of het nalaten van de vreemdeling in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen dat de misdrijven hebben plaatsgevonden. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan dat de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet of niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld, dan wel de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

5.1. Gelet op de hiervoor onder 4.3. en 4.4. weergegeven motivering, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat bij de vreemdeling is voldaan aan het vereiste van "personal participation". Zo heeft de staatssecretaris terecht het standpunt ingenomen dat de vreemdeling als verantwoordelijke voor de inkoop in het binnen- en buitenland, de administratie en de distributie van de bestelde goederen voor de Afdelingen 450 en 3000, een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het faciliteren van de gepleegde misdrijven. Immers, indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld, was het niet mogelijk geweest met de chemische wapens van het Syrische regime te experimenteren. Het doen van experimenten was volgens de vreemdeling van belang om te bepalen of de door het CERS ontwikkelde en gefabriceerde chemische wapens al dan niet naar behoren functioneerden. De staatssecretaris heeft zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling een essentiële en onmisbare schakel vormde in het vervullen van de hiervoor onder 4.3. weergegeven taken van de Afdelingen 450 en 3000. Deze Afdelingen waren voor hun functioneren immers afhankelijk van voormelde door de vreemdeling verrichte werkzaamheden. Zo heeft de vreemdeling de goederen besteld die noodzakelijk waren voor de ontwikkeling en productie van chemische wapens. Daarnaast heeft de vreemdeling met zijn werkzaamheden gefaciliteerd dat de geproduceerde chemische wapens konden worden opgeslagen in afwachting van inzet door het Syrische regime. Daarmee bestaat een direct verband tussen de door de vreemdeling verrichte werkzaamheden en de onbestreden inzet van chemische wapens tegen de burgerbevolking. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat er een voldoende direct en duidelijk verband is tussen de door de vreemdeling verrichte werkzaamheden en de misdrijven als bedoeld in artikel 1(F). Voorts heeft de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek ondanks zijn kennis over de doelstellingen van het CERS geen enkele poging ondernomen om te voorkomen dat de chemische wapens ter beschikking van het regime kwamen en heeft hij zijn taken op normale wijze vervuld. De rechtbank had dan ook moeten concluderen dat de vreemdeling met het uitvoeren van zijn werkzaamheden voormelde misdrijven heeft gefaciliteerd.

5.2. Uit het vorenstaande volgt, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F).

5.3. De grief slaagt.

Conclusie

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2015 alsnog ongegrond verklaren.

6.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 21 september 2015 in zaak nr. 15/15728;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Duyster

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2016

664.

BIJLAGE

Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951 (Trb. 1951, 131), zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (Trb. 1967, 76)

Artikel 1(F)

De bepalingen van het Verdrag zijn niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 29

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is.

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.107

1. Onder een persoon als bedoeld in artikel 1(F) mede een persoon die heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de in dat artikel genoemde misdrijven of daden.

2. De staatssecretaris verleent, indien artikel 1(F) aan het verlenen van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan de desbetreffende vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29.

Vreemdelingencirculaire 2000

C2/7.10.2.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid

Voor tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Indien IND ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag te voorkomen.

Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation).

‘Knowing participation’: Er is in ieder geval sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:

a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de staatssecretaris heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag;

b. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag van toepassing is; of

c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag.

In het geval van situatie a. of b. toetst de staatssecretaris of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft of had moeten hebben van het plegen van de misdrijven. De staatssecretaris spreekt dan van een ‘significante uitzondering’.

(…)

‘Personal participation’: Er is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties:

a. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag gepleegd;

b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag gepleegd;

c. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd; of

d. de vreemdeling behoort tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep die in de regel artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag tegengeworpen krijgt.

(…)

Ad c. De vreemdeling heeft een misdrijf gefaciliteerd, indien zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. De staatssecretaris concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen indien aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

- de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf; en

- het misdrijf had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.

Ad d. De staatssecretaris toetst of er sprake is van een ‘significante uitzondering’ zoals beschreven in de subparagraaf ‘bewijslast en verantwoordelijkheid’ (‘knowing participation’).