Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1824

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201601100/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:302, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601100/1/V1.

Datum uitspraak: 21 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2016 in zaak nr. 15/16717 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 9 september 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat te Lisse (hierna: de gemachtigde), heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling, die de Albanese nationaliteit heeft, heeft geen rechtmatig verblijf en kan daarom worden uitgezet. Zij heeft een aanvraag ingediend om te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft wegens haar gezondheidstoestand.

2. Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling. De staatssecretaris kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over het ontbreken van mantelzorg in het land van herkomst. De staatssecretaris is niet verplicht om onderzoek te doen naar niet of onvoldoende onderbouwde stellingen.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.

4. De enige grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 3 weergegeven overwegingen. De staatssecretaris voert onder meer aan dat de verklaringen van de vreemdeling over wat haar in het verleden in Albanië is overkomen en haar verklaringen zoals die naar voren komen in de brief van 30 juli 2015 niet vast staan en niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd. Daarbij wijst hij er wat betreft de brief van 30 juli 2015 aanvullend op dat die niet is opgesteld door een medisch specialist en dat de inhoud daarvan is gebaseerd op de verklaringen van de vreemdeling.

4.1. In het door het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) over de vreemdeling opgestelde advies van 11 juni 2015 en de aanvullende nota van 26 juni 2015 is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. Er is sprake van een matig depressief beeld en een verlate post traumatische stressstoornis, waarbij de vreemdeling al enkele malen een poging heeft gedaan zichzelf te doden door middel van inname van medicatie. De vreemdeling staat onder medische behandeling en bij het uitblijven daarvan zal een medische noodsituatie ontstaan. Mantelzorg is essentieel voor het slagen van de medische behandeling. De medicatie van de vreemdeling is in beheer bij haar partner of schoonouders. Dit voorkomt dat zij teveel medicatie in kan (zal) nemen. Deze mantelzorg maakt niet dat zij herstelt, wel dat de nadelige gevolgen van impulsief dan wel bewust handelen met als doel zichzelf van het leven te beroven, voorkomen worden. Dit toezicht vraagt inspanning van anderen in de vorm van het bij de vreemdeling blijven. Of mantelzorg aanwezig is in Albanië is onbekend; een onderzoek hiernaar valt buiten de competentie van het BMA.

4.2. In de brief van 30 juli 2015 heeft de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van de vreemdeling, in antwoord op vragen van de gemachtigde, het volgende naar voren gebracht. Gezien de voorgeschiedenis van de vreemdeling is het geen reële optie dat zij in Albanië mantelzorg kan krijgen van haar moeder en zus. De vreemdeling heeft geen vertrouwen in haar familie. Voor zover bekend is de vreemdeling nooit door haar familie opgevangen bij enige vorm van stress. Zij spreekt niet uit zichzelf over haar familie in Albanië. Dit is een onderwerp dat zij liever vermijdt. Zij geeft aan alleen negatieve herinneringen te hebben aan haar jeugd. In gesprekken over haar familie geeft de vreemdeling vooral aan dat haar moeder haar nooit heeft kunnen beschermen tegen haar gewelddadige vader, dat zij de gezinssituatie in Albanië als onveilig heeft ervaren, dat zij ongewenst was en dat zij door haar familie in de prostitutie (vrouwen-/mensenhandel) terecht is gekomen. De wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus is geen goede basis om begeleiding van hen te accepteren. Voor het verlenen van geslaagde mantelzorg is een open houding van de vreemdeling een vereiste. Haar eerdere ervaringen in Albanië zijn echter dermate negatief dat het veel inzet van de mantelzorgers vereist om dit te herstellen, voor zover dit vertrouwen ooit te herstellen is.

4.3. In het besluit en het daarin ingelaste besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris zich, onder verwijzing naar voormeld beleid, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling er met haar verklaringen over de gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 niet in is geslaagd te staven dat de voor haar noodzakelijke mantelzorg niet aanwezig is in Albanië. Daarbij heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de vreemdeling haar stelling dat haar moeder haar geen mantelzorg kan verlenen, omdat zij haar zou hebben verkocht aan handelaren, niet heeft onderbouwd. De brief van 30 juli 2015 kan volgens de staatssecretaris niet als een dergelijke onderbouwing worden gezien, nu de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft aangeleverd. In het verweer in beroep heeft de staatssecretaris nader toegelicht dat de omstandigheid dat de vreemdeling in het verleden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking zoals genoemd in hoofdstuk B9 van de Vc 2000 is verleend, ook geen onderbouwing vormt van haar verklaringen, nu die vergunning destijds is verleend voor de duur van het strafrechtelijke opsporings- en vervolgingsonderzoek om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen hieraan medewerking te kunnen verlenen.

4.4. De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301). Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2016 in zaak nr. 15/16717;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016

154.