Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201603124/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Diverse locaties Krommeniedijk 2014" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603124/2/R1.

Datum uitspraak: 21 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Krommenie, gemeente Zaanstad,

en

de raad van de gemeente Zaanstad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Diverse locaties Krommeniedijk 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 juni 2016, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde] en de raad, vertegenwoordigd door ing. D. Overmulder en mr. F. Brouwer, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [partij], bijgestaan door [persoon].

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Achtergrond

2. Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de percelen [locatie 1] en [locatie 2]. De eigenaar van deze percelen, [partij], is al sinds lang voornemens bebouwing op te richten op zijn percelen. Het gemeentebestuur stond daar aanvankelijk niet welwillend tegenover, omdat bebouwing op de percelen in strijd zou zijn met het gemeentelijke beleid. In 2013 heeft [partij] aanvragen ingediend voor de bouw van twee woningen op zijn percelen. Het college van burgemeester en wethouders heeft in januari 2014 de omgevingsvergunningen voor de bouw van de woningen verleend. Volgens de raad diende het college de omgevingsvergunningen te verlenen, omdat het voorheen geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak Krommenie" van 19 oktober 1965 vervallen was op grond van artikel 9.3.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening. Daardoor geldt volgens de raad geen planologisch regime meer voor de percelen, zodat alle vormen van gebruik zijn toegestaan. Het plan voorziet in de inpassing van de twee omgevingsvergunningen. De woningen zijn nog niet gebouwd.

De eigenaar van het perceel [locatie 3], [verzoeker], stelt dat hij op zijn perceel naast zijn woning een metaalbewerkingsbedrijf exploiteert. Hij vreest dat de woningen tot ernstige beperkingen in zijn bedrijfsvoering zullen leiden en dat ter plaatse van de woningen geen goed woon- en leefklimaat is verzekerd. Hij verzoekt daarom om schorsing van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de percelen van [partij]. [verzoeker] heeft ook bezwaar en beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunningen. Het beroep tegen de omgevingsvergunningen is bij uitspraak van 2 oktober 2015 door de rechtbank Noord-Holland ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. De Afdeling heeft nog geen uitspraak gedaan in dit hoger beroep.

Spoedeisend belang

3. De raad stelt zich op het standpunt dat een spoedeisend belang ontbreekt.

3.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een spoedeisend belang aanwezig is. Ter zitting heeft [partij] verklaard dat de percelen onder voorbehoud zijn verkocht. De voorzieningenrechter acht niet uitgesloten dat de kopers de bouwplannen zullen wijzigen en nieuwe aanvragen voor omgevingsvergunningen zullen indienen. Daarbij is van belang dat één van de vergunde woningen thans gedeeltelijk is geprojecteerd in de belemmeringenstrook van een nabijgelegen bovengrondse hoogspanningsleiding.

Inhoudelijk

4. [verzoeker] vreest dat de woningen tot ernstige beperkingen in de bedrijfsvoering van zijn metaalbewerkingsbedrijf zullen leiden en dat ter plaatse van de woningen geen goed woon- en leefklimaat is verzekerd. Hij wijst er daarbij op dat voor zijn bedrijf in 1998 een milieuvergunning is verleend, omdat de dichtstbijzijnde woning op 100 m afstand lag. Ook stelt hij dat hij 24 uur per dag beschikbaar is voor klanten en zeven dagen per week werkzaam is. Voorts stelt [verzoeker] dat hij werkzaamheden in de buitenlucht verricht.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunningen voor de twee woningen bestaande rechten zijn en daarom als zodanig dienden te worden bestemd. De raad heeft ter zitting verklaard dat de twee woningen niet tot beperkingen voor [verzoeker] leiden, omdat hij geen bedrijfswerkzaamheden meer uitvoert.

4.2. De voorzieningenrechter overweegt dat een niet onherroepelijke omgevingsvergunning een zwaarwegend belang vormt dat de raad moet betrekken bij zijn besluitvorming (zie daarvoor overweging 7.3 van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2641). De raad moet echter ook andere belangen bij zijn besluitvorming betrekken, zoals de belangen van eigenaren van percelen in de omgeving. De voorzieningenrechter is op voorhand niet overtuigd dat de raad het belang van [verzoeker] voldoende bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Op grond van het bestemmingsplan "Krommeniedijk" van 29 november 2007 zijn op het perceel van [verzoeker] bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan. Tussen de raad en [verzoeker] is in geschil hoe groot de afstand is van het perceel van [verzoeker] tot het bouwvlak van de woningen. Volgens de raad is deze afstand 30 m, terwijl volgens [verzoeker] de afstand 20 m is. Van welke van deze twee afstanden ook wordt uitgegaan, vast staat dat de afstand van het perceel van [verzoeker] tot het bouwvlak van de woningen kort is. In de Lijst van bedrijfstypen van het bestemmingsplan "Krommeniedijk" staat bij bedrijven van categorie 3.2 een afstand van 100 m tot gevoelige bestemmingen vermeld voor het aspect geluid. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat de woningen ondanks deze korte afstand in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft slechts volstaan met de niet onderbouwde en door [verzoeker] weersproken stelling dat [verzoeker] geen bedrijfswerkzaamheden meer uitvoert. Ook als deze stelling juist is, neemt dit niet weg dat op het perceel van [verzoeker] bedrijven tot en met categorie 3.2 mogelijk zijn. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad in beginsel rekening houden met de maximale planologische mogelijkheden. Gelet hierop is de voorzieningenrechter op voorhand van oordeel dat de raad het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

Conclusie

5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het plandeel voor de percelen van [partij] te schorsen. Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders niet verplicht is om omgevingsvergunningen te verlenen als nieuwe aanvragen worden ingediend, omdat de raad voor de vaststelling van het plan op 11 februari 2016 een voorbereidingsbesluit heeft genomen ten aanzien van de percelen van [partij].

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Zaanstad van 10 maart 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Diverse locaties Krommeniedijk 2014" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de percelen [locatie 1] en [locatie 2];

II. gelast dat de raad van de gemeente Zaanstad aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Van Driel Kluit

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016

703.