Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201502440/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2014 heeft het college een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend aan [vergunninghoudster] voor het uitbreiden van een vleeskalverenhouderij aan de [locatie A] te Slagharen.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7261
JOM 2016/608
JBO 2016/183 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502440/1/R2.

Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob), gevestigd te Nijmegen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2014 heeft het college een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw) verleend aan [vergunninghoudster] voor het uitbreiden van een vleeskalverenhouderij aan de [locatie A] te Slagharen.

Bij besluit van 16 maart 2015, kenmerk 2015/0043391, heeft het college het door Mob hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Mob beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2015, waar Mob, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van Kippersluis en A.M. Rensen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij besluit van 24 november 2014 is aan [vergunninghoudster] een Nbw-vergunning verleend voor het uitbreiden en in werking hebben van een inrichting voor het houden van 1.192 vleesstieren met een totale emissie van 2.980,0 kg NH3/jr aan de [locatie A] te Slagharen.

Het besluit is gegrond op externe saldering met vrijkomende ammoniakemissierechten van een drietal andere veehouderijen, aan de [locatie B] te Witharen, de [locatie C] te Bergentheim en de [locatie D] te Schuinesloot.

Met betrekking tot Duitse Natura 2000-gebieden

2. Mob heeft aangevoerd dat het college ten onrechte geen kennisgeving van de aanvraag en de verleende Nbw-vergunning in Duitsland heeft gedaan.

2.1. Ingevolge artikel 42, derde lid, van de Nbw 1998 wordt van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van de vergunningen als bedoeld in de artikelen 16 en 19d door het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud.

2.2. Het besluit van 24 november 2014 is bekendgemaakt door de toezending van dit besluit aan [vergunninghoudster] en Mob. Het college heeft de kennisgeving van dit besluit gepubliceerd in de Dedemsvaartse Courant. Deze wordt niet in Duitsland bezorgd. Daarnaast is de kennisgeving in het Nederlands gepubliceerd op de provinciale website. Zowel in het nieuwsblad als op de provinciale website is de zakelijke inhoud van het besluit vermeld.

2.3. Naar het oordeel van de Afdeling volgt niet uit enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel de verplichting om een kennisgeving te publiceren van een aanvraag van een Nbw-vergunning. Dit is anders bij een besluit tot verlening van een dergelijke vergunning. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

Het college heeft bij het verlenen van de Nbw-vergunning niet afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toegepast, hetgeen het college bij een procedure omtrent verlening van een Nbw-vergunning vrijstaat. Het besluit van 24 november 2014 betreft dan ook geen ontwerpbesluit, maar een vastgesteld besluit dat gelet op de bekendmaking ervan in werking is getreden. Ingevolge artikel 42, derde lid, van de Nbw 1998 diende het college op de in deze bepaling genoemde wijze kennis te geven van dit besluit. De gestelde gebrekkige kennisgeving ziet gelet op het voorgaande niet op de inhoud van het besluit van 24 november 2014 en evenmin op de voorbereiding daarvan, maar betreft een eventuele onregelmatigheid van na dit besluit. Reeds hierom kan een eventuele gebrekkige kennisgeving de rechtmatigheid van dit besluit, noch van het bestreden besluit aantasten. Indien Mob deze grond in bezwaar naar voren had gebracht, zou het college het besluit van 24 november 2014 niet om die reden hebben hoeven te herroepen, maar zou het hebben mogen volstaan met een alsnog kennisgeven daarvan over de grens. Voorts kan de gestelde gebrekkige kennisgeving, voor zover hiervan sprake is, in voorkomend geval wel van belang zijn voor de verschoonbaarheid van het daardoor te laat tegen het desbetreffende besluit aanwenden van een rechtsmiddel door een in Duitsland wonende belanghebbende.

Het betoog faalt.

3. Mob heeft bij de aanvulling van zijn beroepschrift op 18 mei 2015 aangevoerd dat ten onrechte niet is onderzocht wat het effect is van de vergunningverlening op de Duitse Natura 2000-gebieden en dat de Duitse autoriteiten ten onrechte niet zijn geraadpleegd over de vergunningverlening.

3.1. Noch de Nbw 1998 noch het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, zoals deze luidden ten tijde van belang, bevat een bevoegdheidstoedeling ten aanzien van buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebieden. Artikel 19d van de Nbw 1998 biedt dan ook geen grondslag voor het verlenen van een vergunning voor zover het gaat om de mogelijke schadelijke gevolgen van een project voor buiten Nederland gelegen Natura 2000-gebieden. Het voorgaande laat evenwel onverlet dat, zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2015:2848, het bevoegd gezag moet beoordelen of vergunningverlening in overeenstemming is met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Dit leidt ertoe dat het Nederlandse bevoegde gezag alleen een vergunning kan verlenen voor een project, indien het geen significante gevolgen voor een in het buitenland gelegen Natura 2000-gebied kan hebben of, wanneer het project die gevolgen wel kan hebben, indien het de zekerheid heeft verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet aantast. Voor het verkrijgen van deze zekerheid is het naar het oordeel van de Afdeling niet noodzakelijk dat de buitenlandse autoriteiten instemming hebben verleend met de vergunningverlening voor het project. In dat verband is mede van belang dat de Habitatrichtlijn niet verplicht tot het verkrijgen van een dergelijke instemming. Overigens heeft het college verklaard dat er afstemming met de Duitse autoriteiten heeft plaatsgevonden, maar dat vast is komen te staan dat aan de kant van de Duitse autoriteiten geen behoefte bestaat aan notificatie van vergunningverlening in Nederland, die leidt tot een toename van stikstofdepositie op de Duitse Natura 2000-gebieden van minder dan 7,14 mol N/ha/jaar.

3.2. In het verweerschrift is een beoordeling van de gevolgen van stikstofdepositie op het Duitse Natura 2000-gebied de Itterbecker Heide opgenomen. Volgens dit stuk leidt de uitbreiding van de veehouderij aan de [locatie A] na saldering tot een toename van de ammoniakdepositie op de grens van de Itterbecker Heide van 0,02 mol/ha/jaar ten opzichte van de laatst vergunde situatie.

Het college heeft aangesloten bij de Duitse beoordelingsmethode. Volgens die methode worden effecten alleen in beschouwing genomen indien de depositie door het project meer dan 7,14 mol N/ha/jaar is. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2015:2848 en van 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2510, overwogen dat het gebruik van deze methode in de praktijk bij vergunningprocedures in Niedersachsen wordt toegepast en in Duitsland gangbaar is. De Afdeling overwoog dat de verweerders in die zaak er in beginsel vanuit hebben mogen gaan dat die methode voor de beoordeling van de gevolgen van de toename van stikstofdepositie in een aantal Duitse Natura 2000-gebieden, waaronder het Nationalpark Niedersächsisches Wattenmeer, Unterems und Auβenems en Hund und Paapsand, in overeenstemming is met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De Afdeling ziet in het betoog van Mob geen aanleiding voor een ander oordeel in de thans voorliggende zaak, waarin eveneens een gebied in de deelstaat Niedersachsen aan de orde is. Er bestaat daarom geen grond voor de conclusie dat het college er niet vanuit heeft mogen gaan dat deze methode kan worden toegepast voor de beoordeling van de gevolgen van de toename van de stikstofdepositie op dit Duitse Natura 2000-gebied ten gevolge van de vergunningverlening.

Omdat de bijdrage van de vergunningverlening aan [vergunninghoudster] aan de stikstofdepositie op Duitse Natura 2000-gebied maximaal 0,02 mol N/ha/jaar is, kunnen volgens de Duitse beoordelingssystematiek de effecten van stikstof op de Duitse Natura 2000-gebieden verder buiten beschouwing blijven.

Het betoog faalt.

3.3. Het betoog van Mob ter zitting dat de vergunning ten onrechte is verleend omdat bij het vaststellen daarvan geen rekening is gehouden met andere effecten op de Duitse Natura 2000-gebieden dan door de depositie van stikstof, kan evenmin slagen, nu Mob dit betoog niet nader heeft onderbouwd.

Overige beroepsgronden

Instandhouding

4. Mob stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van de relevante gebieden, nu in de voorschriften behorende bij de verleende vergunning ten onrechte geen aanvullende maatregelen ter verdere reductie van de stikstofdepositie zijn opgenomen met als doel de verwezenlijking van die instandhoudingsdoelstellingen.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1063, kan het bevoegd gezag, om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, op grond van artikel 19e van de Nbw 1998, beleid voeren dat inhoudt dat een vergunning slechts wordt verleend indien maatregelen worden getroffen om een verdere reductie van de stikstofdepositie te bewerkstelligen. Voor het oordeel dat een verplichting bestaat om dergelijke maatregelen in individuele vergunningen voor te schrijven indien zodanig beleid niet door het bevoegd gezag wordt gevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten. Nu is gebleken dat het college geen beleid van een dergelijke strekking maar zogenoemd "stand-still"-beleid voert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte geen aanvullende maatregelen heeft opgenomen in de voorschriften behorende bij de verleende vergunning.

Het betoog van Mob ter zitting dat "stand-still-beleid" niet toereikend is, gezien de wereldwijde omvang van broeikasgassen en de bijdrage van de veehouderij daaraan, waarvan de effecten volgens de Mob in ernstige mate worden onderschat, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu, wat hier ook van zij, geen rechtsregel het college dwingt tot het voeren van een ander beleid. Het betoog faalt.

Cumulatieberekening

5. Mob heeft voorts betoogd dat ten onrechte geen cumulatieberekening is uitgevoerd van de beoogde activiteit met andere activiteiten.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1063, is betreffende een betoog dat geen rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van andere activiteiten van belang dat de ingevolge artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 vereiste beoordeling van cumulatieve effecten uitsluitend betrekking heeft op de cumulatie van effecten van de aangevraagde activiteiten en effecten van andere projecten of plannen. Nu het college als uitgangspunt heeft gehanteerd dat enkel vergunning wordt verleend indien geen sprake is van effecten vanwege de aangevraagde activiteiten en, al dan niet door toepassing van externe saldering, geen sprake is van effecten vanwege de aangevraagde activiteiten, zoals hieronder zal worden overwogen, heeft het college geen onderzoek naar cumulatieve effecten in verband met deze activiteiten hoeven uitvoeren. Overigens heeft Mob ook niet vermeld welke andere projecten of plannen in een dergelijke cumulatieberekening zouden moeten worden betrokken.

Het betoog faalt.

Het uitrijden van mest

6. Mob stelt tevens dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de significante effecten zijn vanwege de productie van mest. Het houden van dieren en het uitrijden van mest over landbouwgronden had het college als één project moeten beschouwen. Nu dit niet is onderkend, is de stikstofdepositie van het project onderschat en kunnen de natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast, aldus Mob.

De Afdeling stelt vast dat het uitrijden van mest geen onderdeel van het aangevraagde project is, nu dit project uitsluitend betrekking heeft op de uitbreiding van de veehouderij met een stal voor vleeskalveren. Voorts is het houden van dieren en het mogelijke uitrijden van mest op de bij de veehouderij behorende gronden in dit geval niet zodanig onlosmakelijk met elkaar verbonden dat het college de vergunning voor het aangevraagde project had moeten weigeren. Uitrijden van mest op deze gronden is niet noodzakelijk voor de afvoer van de mest, nu er alternatieven zijn, zoals de verwerking hiervan op een andere locatie. Dit betekent dat het uitrijden van mest dan ook niet als één project met het houden van vee behoefde te worden aangevraagd en vergund. Het betoog faalt.

Omvang van de saldering

7. Mob voert aan dat bij de externe saldering die ten grondslag ligt aan het besluit is uitgegaan van een onjuiste vaststelling van de bestaande hoogte van de ammoniakemissie die voor saldering in aanmerking komt. Het optreden van significante effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van de vergunningverlening aan [vergunninghoudster] is dan ook niet uitgesloten, aldus Mob.

7.1. Mob heeft deze beroepsgrond onder meer toegespitst op de aan het bedrijf van [vergunninghoudster] verstrekte rechten van de veehouderij van Silohandel Wessels aan de [locatie D] in Schuinesloot. Volgens Mob beschikt Silohandel Wessels over onvoldoende rechten voor het thans aan [vergunninghoudster] verkopen van 200,025 kg NH3/jr, omdat bij het verlenen van de Nbw-vergunning van 23 september 2013 aan Silohandel Wessels is uitgegaan van de vigerende vergunning in plaats van de laagst vergunde situatie. Mitsdien is het optreden van significante effecten op Natura 2000-gebied ten gevolge van de vergunningverlening aan [vergunninghoudster] niet uitgesloten, aldus Mob.

7.2. De Afdeling houdt het ervoor dat Mob hierbij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891.

7.3. In de uitspraak van 13 november 2013, overwoog de Afdeling als volgt.

Indien na de referentiedatum een vergunning is verleend voor een activiteit die minder ammoniakemissie tot gevolg heeft dan de op de referentiedatum vergunde situatie en voor de exploitatie niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) is verleend, maakt de op de referentiedatum vergunde situatie slechts voor een deel onderdeel uit van de aangevraagde situatie. Dit betekent dat bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen activiteit met de stikstofdepositie in de vergunde situatie met de laagst toegestane ammoniakemissie in de periode vanaf de referentiedatum tot de datum van het nemen van het bestreden besluit. De vergunde situatie met de laagste ammoniakemissie heeft als uitgangspunt te gelden, nu slechts dat deel van de vergunning als voortzetting van het project kan worden aangemerkt.

7.4. Genoemde uitspraak heeft echter, anders dan Mob kennelijk meent, alleen betrekking op de wijze waarop de referentiesituatie wordt bepaald in gevallen waarin een bestaand bedrijf voor de eerste keer een Nbw-vergunning aanvraagt. In het voorliggende geval doet die situatie zich niet voor, nu voor het bedrijf van Silohandel Wessels al op 23 september 2013 een Nbw-vergunning is verleend.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college bij de vaststelling van het intrekkingsbesluit niet van de Nbw-vergunning van 23 september 2013 heeft mogen uitgaan. Het betoog faalt.

7.5. Mob heeft voorts aangevoerd dat het besluit tot gedeeltelijke intrekking van de Nbw-vergunning van de veehouderij van [eigenaar] aan de [locatie B] te Witharen inmiddels bij de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2928 is vernietigd.

Gezien deze uitspraak moet het er volgens Mob voor worden gehouden dat de ammoniakemissierechten van de veehouderij van [eigenaar] niet zijn overgegaan naar het bedrijf van [vergunninghoudster], zodat - naar de Afdeling begrijpt - deze rechten ten onrechte bij de voorliggende vergunningverlening aan [vergunninghoudster] zijn betrokken. Mob heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van 16 september 2015 tevens gewezen op de onduidelijke situatie die ontstaat in gevallen waarin niet alle intrekkingsbesluiten, die ten grondslag zijn gelegd aan de saldering, onherroepelijk worden.

7.6. Bij besluit van 17 januari 2014 heeft het college de Nbw-vergunning voor de veehouderij aan de [locatie B] te Witharen gewijzigd. Daarbij is de vergunning voor het houden van 6.909 vleeskuikens met een emissie van 552,72kg NH3/jr in stal 1 ingetrokken onder de voorwaarde dat de vrijkomende ammoniakemissierechten konden worden ingezet voor te verlenen Nbw-vergunningen voor de veehouderij van [vergunninghoudster] aan de [locatie A] te Slagharen.

In het besluit was bepaald dat dit zou worden geëffectueerd zodra de vergunningen op basis van de Nbw voor de saldo-ontvangende bedrijven zouden zijn verleend en onherroepelijk zouden zijn geworden.

Bij besluit van 19 mei 2014 heeft het college het door Mob hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

7.7. Bij de door Mob genoemde uitspraak van 16 september 2015 heeft de Afdeling het besluit van het college van 19 mei 2014 vernietigd.

Daarbij overwoog de Afdeling als volgt.

"Anders dan het college veronderstelt, kan uit de bewoordingen dat het besluit "wordt geëffectueerd" zodra de vergunningen voor de saldo-ontvangende bedrijven zijn verleend en onherroepelijk zijn geworden niet worden afgeleid dat de gedeeltelijke intrekking van de vergunning betekent dat al bij de verlening en inwerkingtreding van de vergunningen voor de saldo-ontvangende bedrijven de dieren waarop de intrekking betrekking heeft niet meer kunnen worden gehouden. Als gevolg daarvan is, anders dan het college heeft beoogd, niet uitgesloten dat voor een bepaalde periode zowel op het saldo-gevende bedrijf als op het saldo-ontvangende bedrijf de emissie wordt uitgestoten ten behoeve waarvan de vergunning is ingetrokken.

Evenmin volgt uit de gehanteerde formulering dat de gedeeltelijke intrekking van de vergunning weer ongedaan wordt gemaakt indien de vergunning van één van de saldo-ontvangende bedrijven niet onherroepelijk wordt. Deze uitleg zou bovendien met zich brengen dat indien niet alle vergunningen voor de saldo-ontvangende bedrijven onherroepelijk worden, de Nbw-vergunning voor het bedrijf aan de [locatie B] in zoverre gedeeltelijk blijft gelden. In dat geval kan niet uit het voorschrift worden opgemaakt welke aantallen dieren ter plaatse van het saldo-gevende bedrijf aan de [locatie B] zijn toegelaten en welke emissie mag worden uitgestoten.

Nu uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit leidt tot onduidelijkheid, is de Afdeling van oordeel dat dit besluit is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel".

7.8. Nu in het besluit van het college van 19 mei 2014 geen regeling was opgenomen om zeker te stellen dat dubbele ammoniakuitstoot in de fase tussen definitieve intrekking van de vergunning van het saldo-gevende bedrijf en de verlening en inwerkingtreding van de vergunningen voor het saldo-ontvangende bedrijf zou worden voorkomen en het besluit daarom ook is vernietigd, moet worden geoordeeld dat het college bij de voorliggende vergunningverlening aan [vergunninghoudster] ten onrechte de rechten ten behoeve waarvan de vergunning van [eigenaar] was ingetrokken heeft betrokken. Het bestreden besluit tot vergunningverlening steunt mitsdien niet op een deugdelijke grondslag.

Het feit dat het college inmiddels op 8 december 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het primaire intrekkingsbesluit van 17 januari 2014 heeft genomen, waarbij aan dat besluit de bepaling is toegevoegd dat, zodra de afzonderlijke vergunningen voor de saldo-ontvangende bedrijven van kracht worden, de bij deze intrekking betrokken dierplaatsen buiten gebruik dienen te worden gesteld, kan niet leiden tot het passeren van het gebrek of het in stand laten van de rechtsgevolgen.

Weliswaar is met de toegevoegde voorwaarde in zoverre voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2015, dat dubbele ammoniakuitstoot in de fase tussen definitieve intrekking van de vergunning van het saldo-gevende bedrijf en de verlening en inwerkingtreding van de vergunningen voor het saldo-ontvangende bedrijf wordt voorkomen.

De Afdeling wijst er echter op dat, mede gelet op de uitspraak van 16 september 2015, tevens moet worden voorzien in een heldere regeling voor het geval waarin het besluit tot intrekking van de vergunning van het saldo-gevende bedrijf of waarin de vergunning voor het saldo-ontvangende bedrijf vernietigd wordt.

Daartoe overweegt de Afdeling allereerst dat uit een oogpunt van rechtszekerheid niet kan worden aanvaard dat ingeval van vernietiging van de vergunning voor het saldo-ontvangende bedrijf de rechten van rechtswege terugkeren naar het saldo-gevende bedrijf. In een dergelijke situatie zal het saldo-gevende bedrijf, indien het opnieuw wil starten of uitbreiden, een nieuwe Nbw-vergunning moeten aanvragen.

De Afdeling overweegt ter voorlichting aan partijen voorts het volgende.

Het voorkomen dat dezelfde emissierechten tegelijkertijd op twee bedrijven worden gebruikt, maar ook dat enige tijd in het geheel geen gebruik kan worden gemaakt van een saldo, kan bijvoorbeeld als volgt worden gerealiseerd.

De vergunning voor de saldo-ontvanger wordt pas verleend nadat het daarvoor benodigde intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden. Om te voorkomen dat er een periode ontstaat waarin noch door de saldo-ontvanger, noch door de saldogever gebruik van het saldo kan worden gemaakt, kan in het intrekkingsbesluit worden bepaald dat dat besluit pas werking verkrijgt zodra de vergunning van kracht is geworden.

Slotoverwegingen

8. In hetgeen Mob heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 16 maart 2015, kenmerk 2015/0043391;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier.

w.g. Koeman

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

240.