Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1816

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201410679/4/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2014, kenmerk 2014-23442, heeft de raad het bestemmingsplan "N794 (Heerderweg)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/614
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410679/4/R2.

Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Epe,

en

de raad van de gemeente Epe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2014, kenmerk 2014-23442, heeft de raad het bestemmingsplan "N794 (Heerderweg)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2015, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde] en de raad, vertegenwoordigd door D.D. Scarse en J.C. van Bolderen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is het college van gedeputeerde staten van Gelderland, vertegenwoordigd door W.J.H. Eekhuis, als belanghebbende gehoord.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting verder behandeld op 30 november 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en de raad, vertegenwoordigd door D.D. Scarse en J.C. van Bolderen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is het college van gedeputeerde staten van Gelderland, vertegenwoordigd door W.J.H. Eekhuis en M. Schurink, als belanghebbende gehoord.

Bij tussenuitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:4017, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 9 oktober 2014 te herstellen.

Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 14 april 2016, met kenmerk 2016-06060, het bestemmingsplan "N794 (Heerderweg)" gewijzigd ten opzichte van het besluit van 9 oktober 2014 vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 9 oktober 2014

1. Het beroep ziet op de voorwaardelijke verplichting die in artikel 5, lid 5.5.1, van de planregels is opgenomen en op uitbreiding van de bestemming "Horeca" op het perceel van hotel-restaurant Dennenheuvel (hierna: het hotel-restaurant). [appellant] betoogt dat die voorwaardelijke verplichting onvoldoende garantie biedt dat het groene karakter van de zijdelingse perceelsgrens aan de noordzijde van het hotel-restaurant wordt gewaarborgd en hinder van het parkeren van bezoekers van het hotel-restaurant wordt voorkomen. Verder betoogt hij dat de uitbreiding van het plandeel met de bestemming "Horeca" ter plaatse van het hotel-restaurant in noordelijke richting, waar zijn woonperceel is gelegen, gevolgen heeft voor zijn woon- en leefklimaat, omdat buitenactiviteiten van het hotel-restaurant - waaronder uitbreiding van het bestaande terras en de plaatsing van een barbecue-inrichting - meer geluidsbelasting met zich brengen.

De Afdeling heeft in overweging 4.3 van de tussenuitspraak overwogen dat artikel 5, lid 5.5.1, van de planregels in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid. Gelet hierop is het beroep in zoverre gegrond en dient het besluit van 9 oktober 2014, voor zover dit betrekking heeft op dit planonderdeel te worden vernietigd. Voorts heeft de Afdeling in overweging 5.2 van de tussenuitspraak overwogen dat op grond van artikel 5, lid 5.1, van de planregels niet is uitgesloten dat mede andere aan de bestemming "Horeca" gerelateerde buitenactiviteiten, waaronder uitbreiding van het bestaande terras en de plaatsing van een barbecue-inrichting, op de zijdelingse perceelsgedeelten van het hotel-restaurant kunnen plaatsvinden. Nu de raad dit niet in de overwegingen van het besluit van 9 oktober 2014 heeft betrokken, is het beroep ook in zoverre gegrond en dient dat besluit op dit punt te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen twintig weken na verzending van die uitspraak, met inachtneming van overweging 4.3 en 5.2 de daar omschreven gebreken te herstellen door:

a. de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing aan de achterzijde van het terrein van het hotel-restaurant en de visuele afscherming van het terrein van het hotel-restaurant door middel van beplantingen en/of bomen aan de zijdelingse perceelsgrenzen in de planregels te waarborgen;

b. toereikend te motiveren dat de voor visuele afscherming en parkeren bedoelde gedeelten van het terrein van het hotel-restaurant mede mogen worden gebruikt voor andere aan de bestemming "Horeca" gerelateerde buitenactiviteiten, waaronder uitbreiding van het bestaande terras en de plaatsing van een barbecue-inrichting, dan wel het plan te wijzigen of een nieuw besluit te nemen.

Het besluit van 14 april 2016

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij het besluit van 14 april 2016 het herstelplan vastgesteld.

In artikel 5.5, lid 5.5.1, van de planregels van het herstelplan is het volgende bepaald:

Voorwaardelijke verplichting

a. tot een met de bestemming "Horeca" strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming, zonder de aanleg en instandhouding van de maatregelen conform het in bijlage 3 van deze regels opgenomen inpassingsplan, teneinde te komen tot een goede visuele inpassing.

b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen een jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de maatregelen conform het in bijlage 3 van deze regels opgenomen inpassingsplan, teneinde te komen tot een goede visuele inpassing.

In artikel 5, lid 5.1, van de planregels van het herstelplan is bepaald dat de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd zijn voor:

a. (…);

b. (…);

c. ter plaatse van de aanduiding parkeerterrein: uitsluitend parkeren, de daarbij bijbehorende ontsluiting op de Burgemeester Diepenhorstlaan die uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ mag plaatsvinden en groenvoorzieningen;

d. (…).

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van [appellant] van rechtswege mede betrekking op het besluit van 14 april 2016.

6. In zijn zienswijze over het herstelplan heeft [appellant] aangevoerd dat hij zich kan vinden in de aanpassing die de raad heeft gedaan binnen de bestemming "Horeca". Door het vastleggen van de aanduiding ‘parkeerterrein’ in de verbeelding van het herstelplan en in artikel 5, lid 5.1, onder c, van de planregels, mogen de gronden aan de zijde van zijn perceel uitsluitend worden gebruikt voor parkeren, aldus [appellant].

[appellant] kan zich ook verenigen met de koppeling die in artikel 5.5, lid 5.5.1, van de planregels van het herstelplan is gelegd met het in bijlage 3 van deze regels opgenomen inpassingsplan. Hij betoogt echter dat dat inpassingsplan de visuele afscherming van het terrein van het hotel-restaurant voor zijn perceel niet waarborgt. In dit verband voert hij aan dat van een visuele afscherming van het terrein van het hotel-restaurant enkel sprake kan zijn wanneer deze een minimale hoogte heeft van 1.80 meter. Het inpassingsplan biedt echter niet de garantie dat de afscherming op deze hoogte wordt gerealiseerd, aldus [appellant].

6.1. Niet in geschil is dat de raad met het besluit van 14 april 2016, voor zover daarbij artikel 5.5., lid 5.1, onder c, van de planregels van het herstelplan is vastgesteld en de aanduiding ‘parkeerterrein’ in de verbeelding van het herstelplan is vastgelegd, het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek ten aanzien van artikel 5, lid 5.1 van de regels van het bestemmingsplan "N794 (Heerderweg)" overeenkomstig de tussenuitspraak heeft hersteld.

6.2. De voorwaardelijke verplichting die in artikel 5, lid 5.5.1, van de planregels van het herstelplan is vastgelegd, bevat een directe koppeling met het in bijlage 3 van deze regels opgenomen inpassingsplan. Dit betekent dat juridisch bindend is vastgelegd dat binnen een jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de maatregelen conform het in bijlage 3 van deze regels opgenomen inpassingsplan. Blijkens het inpassingsplan dient de visuele afscherming van het terrein van het hotel-restaurant aan de zijde van het perceel van [appellant] vanaf de voorzijde van het terrein van het hotel-restaurant richting achterzijde van het terrein voor een gedeelte te bestaan uit een oplopende haag van 0,5 tot 1 meter. Voor een ander gedeelte dient de visuele afscherming van het terrein van het hotel-restaurant aan de zijde van het perceel van [appellant] te bestaan uit hagen die in hoogte variëren van 1.50 tot 2 meter. Verder blijkt uit het inpassingsplan dat op het terrein van het hotel-restaurant aan de zijde van het perceel van [appellant] ruim tien bestaande bomen blijven gehandhaafd en enkele nieuwe bomen worden toegevoegd. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op deze wijze de visuele afscherming van het terrein van het hotel-restaurant aan de zijde van het perceel van [appellant] voldoende is gewaarborgd en in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft met het besluit van 14 april 2016, voor zover daarbij artikel 5, lid 5.5.1, van de planregels van het herstelplan en het daarmee onlosmakelijk verbonden inpassingplan als bedoeld in bijlage 3 van de planregels is vastgesteld, het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek ten aanzien van artikel 5, lid 5.5.1, van de regels van het bestemmingsplan "N794 (Heerderweg)" overeenkomstig de tussenuitspraak hersteld. Anders dan [appellant] meent, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om in het inpassingsplan vast te leggen dat de minimale hoogte van de hagen 1.80 meter dient te bedragen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat tussen de grens van het terrein van het hotel-restaurant aan de zijde van het perceel van [appellant] en de erfgrens van het perceel van [appellant] zich een weg bevindt van ongeveer 4 meter breed. Bovendien heeft [appellant] ter zitting verklaard dat in zijn tuin aan de zijde van het terrein van het hotel-restaurant een ten opzichte van het maaiveld verdiept gelegen terras is. Het betoog faalt.

6.3. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 14 april 2016 is ongegrond.

Proceskosten

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Epe van 9 oktober 2014, kenmerk 2014-23442, gegrond;

II. vernietigt het besluit van 9 oktober 2014, kenmerk 2014-23442, voor zover dat betrekking heeft op artikel 5, lid 5.1, en artikel 5, lid 5.5.1, van de planregels;

III. verklaart het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Epe van 14 april 2016 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Epe tot vergoeding van bij [appellant] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Epe aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, griffier.

w.g. Hagen w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

12.