Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1808

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201506302/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2015, kenmerk ODH-2015-00664260, heeft het college op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) vergunning verleend voor het vestigen en exploiteren van een melkveehouderij aan de Achterweg ongenummerd te Nieuwveen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506302/1/R2.

Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Leefmilieu, beide gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2015, kenmerk ODH-2015-00664260, heeft het college op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) vergunning verleend voor het vestigen en exploiteren van een melkveehouderij aan de Achterweg ongenummerd te Nieuwveen.

Tegen dit besluit hebben Mob en Leefmilieu beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2016, waar Mob en Leefmilieu, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. Ö. Üzgü en M.L. de Koning, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door drs. R.A.M. van Woerden en ing. S. Kondring, als partij gehoord.

Overwegingen

Het besluit

1. Het college heeft bij het bestreden besluit vergunning verleend voor het vestigen en exploiteren van een veehouderij. Het betreft een vergunning voor een bedrijfssituatie die ten opzichte van de relevante referentiesituaties leidt tot een toename van depositie in Natura 2000-gebieden. Het college heeft de vergunning verleend omdat met toepassing van externe saldering van twee veehouderijen de toename van stikstofdepositie geheel wordt weggenomen. De veehouderij ligt in de omgeving van onder andere het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck.

Inhoudelijk

2. Mob en Leefmilieu betogen dat de bedrijfssituatie waarvoor de vergunning is verleend, anders dan waarvan in het bestreden besluit uit wordt gegaan, leidt tot een toename van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Zij richten zich in dit verband op de saldo-gevende veehouderij aan de Molenweg 1 te Zevenhoven, en voeren onder verwijzing naar artikel 27, derde lid, van de destijds geldende Hinderwet aan dat de Hinderwetvergunning van deze veehouderij vanwege onderbezetting van rechtswege deels is vervallen.

Verder voeren Mob en Leefmilieu aan dat het beweiden van vee en het uitrijden van mest op de bij het bedrijf aan de Achterweg ongenummerd te Nieuwveen behorende landbouwgronden als één project met het houden van dieren moet worden beschouwd. Nu dit niet is onderkend, is de stikstofdepositie van het project onderschat, en is de vergunning voor zover het deze activiteiten betreft volgens Mob en Leefmilieu impliciet geweigerd.

Daarnaast is volgens Mob en Leefmilieu in het bestreden besluit ten onrechte geen vergunning op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 verleend.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de Hinderwetvergunning van de saldo-gevende veehouderij aan de Molenweg te Zevenhoven niet van rechtswege deels is vervallen. Hoewel de vergunde varkens niet op de relevante meitellingen voorkomen, zijn deze volgens het college wel op deze veehouderij gehouden, maar waren deze in eigendom van een andere veehouder. Bovendien zijn er in plaats van de varkens ook andere dieren op deze veehouderij gehouden, zodat ook in het geval sprake zou zijn van het gedeeltelijke vervallen van de Hinderwetvergunning, voldoende saldo zou resteren. Het college heeft als onderbouwing van dit standpunt bij het verweerschrift een berekening van de meitellingen over het jaar 1991 overgelegd, waaruit volgt dat na saldering nog steeds sprake is van een afname van stikstofdepositie.

Wat betreft het beweiden stelt het college onder meer dat deze activiteit gelet op het aantal koeien waarvoor een stalsysteem met beweiden is vergund, van dermate ondergeschikt belang is dat deze niet onlosmakelijk verbonden is met de aangevraagde activiteit.

Wat betreft artikel 16 van de Nbw 1998, stelt het college dat de aanvraag niet op dit artikel ziet.

2.2. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor de nieuwvestiging en exploitatie van een melkrundveehouderij, waarbij maximaal 190 stuks melkvee (RAV-code A1.9.2), 10 stuks melkvee (RAV-code A.1.100.1) en 140 stuks vrouwelijk jongvee (RAV-code A3), met een totale ammoniakemissie van 1781kg per jaar, mogen worden gehouden.

Voor de saldo-gevende veehouderij aan de Molenweg te Zevenhoven is op 7 maart 1978 een vergunning krachtens de Hinderwet verleend. Niet in geschil is dat deze vergunning is verleend voor 41 melkkoeien, 29 stuks vrouwelijk jongvee, 170 gespeende biggen, 12 kraamzeugen, 36 guste/dragende zeugen en 2 beren, met een totale ammoniakemissie van 866,4 kg per jaar. Deze vergunning is gehanteerd als de vergunde situatie op de relevante referentiedatum voor het nabijgelegen Vogelrichtlijngebied.

2.3. Voor de vraag of de vergunning uit 1978 gedeeltelijk is vervallen op grond van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet, is bepalend in welke omvang de veehouderij aan de Molenweg in de periode van 7 maart 1978 tot 1 maart 1993 in werking is geweest. Op grond van dit artikellid is de bedoelde vergunning vervallen, voor zover op deze veehouderij gedurende drie achtereenvolgende jaren een veebestand is gehouden dat kleiner is dan 41 melkkoeien, 29 stuks vrouwelijk jongvee, 170 gespeende biggen, 12 kraamzeugen, 36 guste/dragende zeugen en 2 beren, of een daarmee wat de ammoniakemissie betreft gelijk te stellen veebestand.

Blijkens de meitellingen van de veehouderij aan de Molenweg - overgelegd vanaf het jaar 1989 - zijn andere dan de in 1978 vergunde aantallen en soorten dieren gehouden. Zo zijn in 1989 100 stuks rundvee (waaronder jongvee) en 62 schapen (waaronder lammeren) gehouden, in 1990 100 stuks rundvee (waaronder jongvee) en 64 schapen (waaronder lammeren), in 1991 102 stuks rundvee (waaronder jongvee) en 70 schapen (waaronder lammeren), en in 1992 105 stuks rundvee (waaronder jongvee) en 74 schapen (waaronder lammeren). Hiermee is gedurende drie achtereenvolgende jaren een veebestand gehouden dat anders is dan vergund, en wat betreft ammoniakemissie daarmee niet is gelijk te stellen. Dit leidt ertoe dat er voor het college in dit geval tekenen aanwezig waren om te onderzoeken of de vergunning gedeeltelijk was vervallen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1587).

Het college heeft er in dit verband op gewezen dat het aantal gehouden varkens in eigendom was van een nabijgelegen veehouderij en daarom niet op de meitellingen van de saldo-gevende veehouderij aan de Molenweg zijn terug te vinden. Hieromtrent is echter door noch het college noch de vergunninghouder enig bewijsmiddel overgelegd. De enkele stelling van het college dat er varkens zijn gehouden, acht de Afdeling dan ook onvoldoende om de dieraantallen in de meitellingen onjuist te achten.

Wat betreft het standpunt van het college dat desondanks in voldoende saldo kan worden voorzien, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling beschikt slechts over een berekening over het jaar 1991, terwijl voor de vraag of de vergunning vervallen is, van belang is of gedurende drie achtereenvolgende jaren een kleiner veebestand is gehouden dan is vergund. Nu het college de omvang van de dieraantallen in de veehouderij aan de Molenweg in de periode 1989 tot 1 maart 1993 niet nader heeft onderzocht, is niet duidelijk in hoeverre na het eventuele vervallen van een deel van de vergunning van 7 maart 1978 voldoende saldo resteert om de toename van de stikstofdepositie vanwege de veehouderij aan de Achterweg te Nieuwveen te kunnen wegnemen. Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit niet op een draagkrachtige motivering.

Het betoog slaagt.

2.4. Voor zover Mob en Leefmilieu betogen dat bij het bestreden besluit ten onrechte geen vergunning op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 is verleend, heeft het college er terecht op gewezen dat de aanvraag hierin niet voorziet. In de aanvraag staat immers dat voor de vergunning slechts nabijgelegen Natura 2000-gebieden van belang zijn. Het college heeft er bij het bestreden besluit dan ook vanaf kunnen zien om, naast een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998, ook een vergunning krachtens artikel 16 van die wet te verlenen. Het betoog faalt dan ook.

Conclusie en proceskosten

3. Het beroep is gegrond. Het besluit van 10 juni 2015 dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan het betoog dat ziet op het beweiden van vee en het uitrijden van mest.

4. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Op 1 juli 2015 zijn de wet tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof en de Regeling programmatische aanpak stikstof (hierna: regeling PAS) in werking getreden. Het college dient mede gelet op het overgangsrecht dat in de Nbw 1998 en de Regeling PAS is opgenomen te bezien of en in hoeverre de Nbw 1998 zoals die vanaf 1 juli 2015 luidt van toepassing is op het nieuw te nemen besluit. De Afdeling ziet hierin aanleiding de termijn voor het nieuw te nemen besluit op zes maanden te bepalen.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid Holland van 10 juni 2015, kenmerk ODH-2015-00664260;

III. bepaalt dat de beslistermijn voor het nieuw te nemen besluit zes maanden bedraagt, aanvangend op de dag van verzending van deze uitspraak;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdéénendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Jager, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. De Jager

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

704.