Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1807

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201506928/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Voorburg West / Park Leeuwenbergh" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/613
JBO 2016/200 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506928/1/R4.

Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Suo Marte Projectontwikkeling II B.V. (hierna: Suo Marte), gevestigd te Den Haag,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Voorburg West / Park Leeuwenbergh" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Suo Marte beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [partij A] en [partij B] (hierna: [partijen]) en [partij C] en [partij D] (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij C]) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2016, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. S.A.P. van den Berg, advocaat te Den Haag, Suo Marte, vertegenwoordigd door [directeur], en de raad, vertegenwoordigd door D.G.M.M. van Berlo, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord [partijen], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, en [partij C].

Overeenkomstig het ter zitting besprokene heeft de raad met betrekking tot het beroep van [appellant sub 1] nog stukken in het geding gebracht. Deze zijn aan [appellant sub 1] toegezonden.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het plan

2. Het plan is een actualiserend bestemmingsplan voor de gebieden Voorburg West en Park Leeuwenbergh in de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het plan heeft een overwegend conserverend karakter.

Het plan vervangt voor deze gebieden de beheersverordening "Leidschendam-Voorburg" van 14 mei 2013 (hierna: de beheersverordening). In artikel 1 van de regels van de beheersverordening is bepaald dat de plankaarten en -voorschriften van de voorheen geldende bestemmingsplannen van overeenkomstige toepassing zijn met inachtneming van het in de beheersverordening bepaalde.

3. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Suo Marte hebben beroep ingesteld tegen het plan, omdat zij zich niet kunnen verenigen met de planregeling voor hun percelen.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

5. [appellant sub 1] is eigenaar en bewoner van het perceel [locatie 1] te Voorburg. Aan dit perceel zijn in het plan de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Water" toegekend. De bestemming "Water" is toegekend ten behoeve van een insteekhaven. Voor het deel van het perceel dat binnen 15 m van de oever van de Vliet ligt, geldt daarnaast de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie".

[appellant sub 1] kan zich op drie punten niet verenigen met de planregeling voor zijn perceel. In de eerste plaats maakt het plan de door hem gewenste uitbreiding van zijn woning niet mogelijk. Daarnaast stelt [appellant sub 1] dat een deel van de bestaande bebouwing niet op de verbeelding is weergegeven. Ten slotte staat het plan volgens [appellant sub 1] ten onrechte geen overkapping toe over de insteekhaven op zijn perceel.

Uitbreiding woning

6. [appellant sub 1] betoogt dat het plan de door hem gewenste uitbreiding van zijn woning ten onrechte niet mogelijk maakt. Het gaat om een aanbouw aan de westelijke zijgevel van de woning. [appellant sub 1] stelt dat de raad op dit punt heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat de verantwoordelijke wethouder in het verleden toezeggen heeft gedaan over de uitbreiding van de woning.

[appellant sub 1] stelt in dit verband dat hij in 2007 twee keer een bouwvergunning voor de aanbouw heeft aangevraagd, die in beide gevallen is geweigerd. Eind 2007 heeft overleg met de wethouder plaatsgevonden. Daarin is volgens [appellant sub 1] afgesproken dat het bijgebouw in de zijtuin van de woning kon worden gesloopt en dat ter compensatie daarvan de woning aan de parkzijde kon worden uitgebreid. Volgens hem heeft de wethouder daarbij toegezegd dat de uitbreiding van de woning zou worden meegenomen in de herziening van het bestemmingsplan. Daarbij heeft de wethouder hem verzocht geen nieuwe aanvraag in te dienen, maar te wachten tot de herziening van het bestemmingsplan, aldus [appellant sub 1].

6.1. De raad bestrijdt dat is toegezegd dat de uitbreiding van de woning van [appellant sub 1] in het plan zou worden toegestaan.

6.2. Niet in geschil is dat de bouwregels voor de bestemming "Wonen" de door [appellant sub 1] gewenste aanbouw niet mogelijk maken.

6.3. Ter zitting is komen vast te staan dat het gesprek met de toenmalig wethouder eind 2007 heeft plaatsgevonden na de afwijzing van de eerste aanvraag om een bouwvergunning voor de aanbouw en vóór de indiening van de tweede aanvraag. Van het gesprek is geen schriftelijk verslag gemaakt.

Naar het oordeel van de Afdeling kon [appellant sub 1] aan de gestelde uitspraak van de wethouder dat de uitbreiding van de woning in het nieuwe bestemmingsplan zou worden meegenomen, niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat de gewenste aanbouw in dat plan ook daadwerkelijk mogelijk zou worden gemaakt. Ook overigens heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat een toezegging van die strekking is gedaan, nog daargelaten of zo’n toezegging zou kunnen worden toegerekend aan de raad, die bevoegd is te beslissen over de vaststelling van het plan. Naar het oordeel van de Afdeling vormt de door [appellant sub 1] overgelegde brief van architect E. Manger aan de gemeente Leidschendam-Voorburg van 18 januari 2008 onvoldoende bewijs voor het bestaan van een toezegging dat de aanbouw in het plan zou worden toegestaan. In die brief, die in verband met de tweede aanvraag om een bouwvergunning is opgesteld, staat onder meer dat tijdens het overleg met de wethouder en een ambtenaar van de gemeente de huidige afmetingen - dat wil zeggen de aangevraagde afmetingen van de aanbouw - zijn afgesproken. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de wethouder heeft toegezegd dat een aanbouw met deze afmetingen in het nieuwe plan mogelijk zou worden gemaakt.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan, voor zover het de door [appellant sub 1] gewenste aanbouw aan zijn woning niet mogelijk maakt, is vastgesteld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Het betoog faalt.

Bestaande bebouwing

7. [appellant sub 1] voert aan dat een deel van de bestaande bebouwing op zijn perceel niet op de verbeelding is weergegeven. Volgens hem is deze bebouwing daarom in het plan niet als zodanig bestemd. Het betreft de garage, het bijgebouw aan de parkzijde en de veranda.

7.1. Op de verbeelding is voor een deel van het perceel van [appellant sub 1] een bouwvlak opgenomen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het hoofdgebouw, namelijk de woning zonder aan- of uitbouwen, zich binnen dit bouwvlak bevindt. Het bijgebouw aan de parkzijde, de garage en de veranda staan buiten het bouwvlak. Ter plaatse van de woning en het bijgebouw geldt de bestemming "Wonen". Ter plaatse van de garage en de veranda geldt de bestemming "Tuin".

7.2. De bouwregels voor de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" zijn opgenomen in artikel 21, lid 21.2, respectievelijk artikel 15, lid 15.2, van de planregels. De tekst hiervan is, voor zover van belang, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, onder A.

7.3. Uit de bouwregels voor de bestemming "Wonen" volgt dat het bijgebouw aan de parkzijde in het plan als zodanig is bestemd. Op grond van artikel 21, lid 21.2.5, van de planregels mogen binnen die bestemming namelijk vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd buiten het bouwvlak.

Voor het gezamenlijk oppervlak van aan- of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en vrijstaande bijgebouwen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, geldt op grond van lid 21.2.7 een maximumbebouwingspercentage van 50% van de oppervlakte van het bijbehorende perceel met een maximum van 40 m2. Daaraan is in dit geval voldaan.

Op de garage en de veranda zijn de bouwregels voor de bestemming "Tuin" van toepassing. Uit artikel 15, lid 15.2, van de planregels volgt dat op de gronden met de bestemming "Tuin" niet mag worden gebouwd, met uitzondering van de bouwwerken die zijn genoemd in de leden 15.2.2, 15.2.3 en 15.2.4 onder de daar omschreven voorwaarden. De garage en de veranda vallen niet onder die uitzonderingen. Dit betekent dat de garage en de veranda in het plan niet als zodanig zijn bestemd en onder de werking van het overgangsrecht zijn gebracht.

Ter zitting heeft de raad erkend dat het niet zijn bedoeling is geweest een deel van de bestaande bebouwing op het perceel van [appellant sub 1] onder de werking van het overgangsrecht te brengen. Het plan is daarom in zoverre, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Overkapping insteekhaven

8. Op het perceel van [appellant sub 1] bevindt zich een insteekhaven. De insteekhaven ligt op dit moment nog aan de oostkant van het perceel, maar zal worden verplaatst naar de westkant. Voor die verplaatsing heeft het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 23 mei 2012 een omgevingsvergunning verleend.

In het plan is aan de toekomstige locatie van de insteekhaven de bestemming "Water" toegekend. Daarnaast geldt op deze plaats de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie".

In het ontwerpplan was aan dit deel van het perceel nog de bestemming "Tuin" toegekend; de bestemming "Water" was in het ontwerpplan toegekend aan de huidige locatie van de insteekhaven. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 1] heeft de raad in het vastgestelde plan de bestemming "Water" alsnog toegekend aan de toekomstige, vergunde locatie van de insteekhaven.

9. [appellant sub 1] betoogt dat het plan het ten onrechte niet mogelijk maakt de insteekhaven van een overkapping te voorzien. Het ontwerpplan bevatte hiervoor nog een mogelijkheid. Die mogelijkheid is volgens [appellant sub 1] in het vastgestelde plan ten onrechte komen te vervallen. In zijn reactie op de zienswijze over het ontwerpplan heeft de raad [appellant sub 1] uitgenodigd om in samenspraak de mogelijkheden voor het realiseren van een overkapping van de insteekhaven te bekijken. [appellant sub 1] stelt dat er in het verleden al herhaaldelijk overleg heeft plaatsgevonden over de overkapping. Hij stelt dat hem daarbij in 2012 onder meer is gevraagd zijn wensen in te brengen bij het nieuwe bestemmingsplan. Er is echter geen bouwmogelijkheid voor een overkapping in het plan opgenomen.

9.1. De planregels voor de bestemming "Water" zijn, voor zover van belang, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, onder B. De Afdeling leidt uit artikel 20 van de planregels af dat ter plaatse van de bestemming "Water" geen overkapping van een insteekhaven is toegestaan. Zo’n overkapping is naar het oordeel van de Afdeling namelijk geen voorziening ten behoeve van de bestemming "Water". Dit betekent dat een overkapping van een insteekhaven niet valt onder de functies en voorzieningen als bedoeld in artikel 20, lid 20.1.1, van de planregels. Bovendien volgt uit lid 20.2.1 dat alleen ten behoeve van de bestemming "Water" mag worden gebouwd.

9.2. De planregels voor de bestemming "Water" zijn niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Het ontwerpplan maakte voor gronden met deze bestemming dan ook geen overkapping van een insteekhaven mogelijk. In het ontwerpplan was aan de toekomstige locatie van de insteekhaven op het perceel van [appellant sub 1] echter de bestemming "Tuin" toegekend. De planregels voor die bestemming uit het ontwerpplan zijn, voor zover van belang, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, onder B. Artikel 15, lid 15.3, van de planregels van het ontwerpplan bevatte een afwijkingsbevoegdheid waarmee onder bepaalde voorwaarden de aanleg van een insteekhaven en de bouw van een bijbehorende overkapping op de gronden met de bestemming "Tuin" kon worden toegestaan. De raad heeft die afwijkingsbevoegdheid naar aanleiding van zienswijzen over het ontwerpplan niet in het vastgestelde plan opgenomen. In de reactie op die zienswijzen heeft de raad gesteld dat hij op een later moment wil beoordelen in hoeverre insteekhavens langs de Vliet gewenst zijn en op welke manier deze moeten worden vormgegeven. Daarbij heeft de raad betrokken dat hem uit de zienswijzen is gebleken dat de ambities uit het gemeentelijke beleid om enerzijds de Vlietoevers te beschermen en anderzijds het recreatief potentieel van de Vliet te vergroten, strijdig met elkaar kunnen zijn. De al vergunde insteekhaven op het perceel van [appellant sub 1] is in het plan wel als zodanig bestemd.

9.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid toe kunnen besluiten de afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van de aanleg van insteekhavens met bijbehorende overkapping niet in het plan op te nemen. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd over de voorgeschiedenis leidt niet tot een ander oordeel. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan hem in 2012 de toezegging is gedaan dat hij een overkapping mag bouwen over de insteekhaven op zijn perceel. Dat hem is gevraagd zijn wensen in te brengen bij de totstandkoming van het nieuwe plan, is niet voldoende om een dergelijke toezegging aan te nemen.

De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Naar het oordeel van de Afdeling is in dit geval geen sprake van een dergelijk initiatief. [appellant sub 1] heeft in zijn zienswijze over het ontwerpplan slechts het verzoek gedaan hem te informeren over de mogelijkheden die het nieuwe plan biedt voor het realiseren van een overkapping bij de insteekhaven op zijn perceel. Niet is gebleken dat [appellant sub 1] in dat stadium al een concreet bouwplan voor een overkapping had en dit aan de raad kenbaar heeft gemaakt.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 2]

10. [appellant sub 2] is eigenaar en bewoner van het perceel [locatie 2] te Leidschendam. Op dit perceel staat een gebouw waarvan een deel in gebruik is als woning en een deel als kantoor. Het perceel is ongeveer 6.350 m2 groot.

In het ontwerpplan was voor een deel van het perceel van [appellant sub 2] een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bouw van een tweede vrijstaande woning achter de huidige woning mogelijk kon worden gemaakt. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad een amendement aangenomen. Daarin heeft de raad besloten deze bouwlocatie niet in het plan op te nemen. [appellant sub 2] kan zich daar niet mee verenigen. Volgens hem heeft de raad op onjuiste gronden bij amendement besloten de wijzigingsbevoegdheid voor zijn perceel te laten vervallen.

11. [partij C] woont aan de [locatie 3]. [partijen] wonen aan de [locatie 4]. Deze percelen grenzen aan de achterzijde aan het perceel van [appellant sub 2]. [partij C] en [partijen] hebben zienswijzen naar voren gebracht over het ontwerpplan, omdat zij bezwaar hadden tegen de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de bouw van een vrijstaande woning die daarin voor een deel van het perceel van [appellant sub 2] was opgenomen.

12. [appellant sub 2] voert allereerst aan dat de raad niet van de juiste feiten is uitgegaan bij de beslissing om de wijzigingsbevoegdheid niet in het plan op te nemen. De raad heeft volgens hem de voorgeschiedenis van de herontwikkeling van het achterterrein van het perceel niet in de besluitvorming betrokken.

12.1. Over de voorgeschiedenis heeft [appellant sub 2] onder meer het volgende naar voren gebracht. De gemeente heeft volgens [appellant sub 2] ruim tien jaar lang meegewerkt aan het mogelijk maken van de bouw van een of meer vrijstaande woningen op het achterterrein. In 2004 heeft de toenmalige wethouder zich bereid verklaard mee te werken aan het mogelijk maken van een tweede vrijstaande woning op het perceel, op voorwaarde dat er nog vijf andere woningen op het achterterrein zouden worden gebouwd. Dit heeft in 2009 geleid tot de terinzagelegging van onder meer een ontwerpbesluit voor een bouwvergunning en vrijstelling van het bestemmingsplan voor de bouw van een vrijstaande woning op het achterterrein. Het bouwplan voor deze woning en de vijf woningen die door een ontwikkelaar zouden worden gebouwd, is echter in juni 2009 gestaakt, omdat de ontwikkelaar zich vanwege de kredietcrisis heeft teruggetrokken. In 2013 heeft [appellant sub 2] overleg gevoerd met de opvolgend wethouder. Deze wilde - onder bepaalde voorwaarden wat betreft onder meer de ligging van het bouwvlak en de bezonning van aangrenzende percelen - meewerken aan de bouw van één vrijstaande woning op het achterterrein. Dit is ook neergelegd in een brief van de gemeente Leidschendam-Voorburg aan [appellant sub 2] van 29 april 2014. In die brief staat onder andere dat de gemeente het voornemen heeft om in het ontwerpplan een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de bouw van een vrijstaande woning op het perceel op te nemen. De wijzigingsbevoegdheid is vervolgens in het ontwerpplan opgenomen, maar door de raad bij de vaststelling van het plan bij amendement geschrapt.

12.2. De raad stelt dat de voorgeschiedenis van het bouwplan bij de besluitvorming over het amendement is betrokken. Volgens de raad is over deze voorgeschiedenis gesproken in de raadscommissievergadering van 16 juni 2015 en in de raadsvergadering van 1 juli 2015, waarin het amendement is aangenomen en het plan is vastgesteld.

12.3. Uit het bestreden besluit en het daarbij behorende amendement blijkt niet dat de raad bij de vaststelling van het plan, zoals gewijzigd door het amendement, de hierboven beschreven voorgeschiedenis sinds 2004 in de besluitvorming heeft betrokken. Dit geldt in het bijzonder voor de brief van 29 april 2014 en hetgeen daarin over de wijzigingsbevoegdheid is vermeld. Ook overigens is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken dat de raad de voorgeschiedenis van het bouwplan en de inhoud van de brief van 29 april 2014 bij de vaststelling van het plan heeft betrokken. De Afdeling betrekt daarbij tevens dat [appellant sub 2] onweersproken heeft gesteld dat tijdens de vergaderingen van 16 juni 2015 en 1 juli 2015 niet is gesproken over de brief van 29 april 2014. Dit komt overeen met wat [partij C] en [partij A] ter zitting hebben verklaard.

De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad op dit punt bij de voorbereiding van het besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

13. [appellant sub 2] voert daarnaast aan dat de raad het amendement niet op deugdelijke argumenten heeft gebaseerd.

13.1. In het amendement heeft de raad zich uitgesproken tegen de wijzigingsbevoegdheid voor een deel van het perceel van [appellant sub 2], de zogenoemde bouwlocatie 8. De raad heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat het plan overwegend conserverend van aard is. Verder staat in het amendement dat de gemeentelijke Structuurvisie Ruimte voor wensen 2040, herijking 2012 (hierna: de Structuurvisie) de ambitie bevat om een bevolkingsgroei van maximaal 5% te faciliteren en 80% van de (woning)bouwopgave binnenstedelijk te realiseren op voorwaarde dat dit niet ten koste gaat van het groene karakter van de stad en de bestaande groene woonmilieus. Daarnaast heeft de raad aan het amendement ten grondslag gelegd dat de bouw van een kapitaal pand op bouwlocatie 8 geen substantiële toevoeging aan de woningvoorraad is, gezien de prijsklasse en het beschikbare woningaanbod in de wijk. Daarbij heeft de raad gesteld dat er op dit moment negen woningen in de wijk leegstaan, waarvan er één gekraakt is. Verder heeft de raad in het amendement overwogen dat in voorgaande en vigerende bestemmingsplannen nooit toestemming is gegeven voor bouw op deze locatie, omdat dat stedenbouwkundig niet gewenst was en de groeimogelijkheden in het park niet verder zouden mogen toenemen. De raad verwijst daarbij naar een brief van 23 juli 1998 van de toenmalige gemeente Leidschendam aan [appellant sub 2].

13.2. [appellant sub 2] betoogt dat de wijzigingsbevoegdheid voor een tweede woning op zijn perceel niet in strijd is met het overwegend conserverende karakter van het plan, maar daar juist goed bij aansluit. De voorheen geldende plannen en de beheersverordening maakten volgens hem namelijk al een uitbreiding van de bestaande bebouwing met 510 m2 mogelijk. Bovendien wordt met het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid een herontwikkeling voortgezet die tien jaar geleden is ingezet, aldus [appellant sub 2].

Daarnaast bestrijdt [appellant sub 2] dat de bouw van een tweede vrijstaande woning op zijn perceel in strijd is met de Structuurvisie. De bouw van deze woning heeft volgens hem geen gevolgen voor de openbare ruimte en het openbare groen en doet geen afbreuk aan het groene karakter van de stad en de bestaande groene woonmilieus. [appellant sub 2] stelt in dat verband onder meer dat het wijzigingsgebied in het ontwerpplan zo was gesitueerd dat bomen en struiken behouden blijven en er geen nadelige gevolgen zijn voor de bezonning van de aangrenzende percelen. Ook past de wijzigingsbevoegdheid volgens hem binnen de doelstelling uit de Structuurvisie dat de bouwopgave moet worden gerealiseerd binnen de bestaande wijken.

[appellant sub 2] betoogt verder dat de raad ten onrechte heeft overwogen dat de bouw van een tweede woning op het perceel geen substantiële toevoeging aan de woningvoorraad is. Volgens [appellant sub 2] vormt die woning in ieder geval een toevoeging aan de woningvoorraad. Bovendien is er volgens hem in Park Leeuwenbergh geen sprake van meer of andere leegstand dan elders.

Ten slotte betoogt [appellant sub 2] dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat de bouw van de woning in vorige plannen niet is toegestaan, omdat dat stedenbouwkundig ongewenst was.

13.3. Volgens de plantoelichting heeft het plan een overwegend conserverend karakter. De Afdeling ziet daarin op zichzelf onvoldoende reden voor het laten vervallen van de wijzigingsbevoegdheid uit het ontwerpplan, te meer omdat het hier niet om een plan gaat dat geen enkele nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt.

Daarnaast heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom de wijzigingsbevoegdheid volgens hem in strijd is met het beleid uit de Structuurvisie, in het bijzonder pagina 41 daarvan. Daarbij is van belang dat de ontwikkeling binnenstedelijk is en dat onderzoek is verricht waaruit naar voren komt dat bij de in het ontwerpplan gekozen situering van het wijzigingsgebied geen bomen en struiken verloren gaan en de bezonning van de aangrenzende percelen niet nadelig wordt beïnvloed.

Over het argument van de raad dat de bouw van één woning geen substantiële toevoeging aan de woningvoorraad is, overweegt de Afdeling het volgende. Uit het amendement blijkt niet dat het gemeentelijke beleid erop is gericht alleen woningbouw toe te staan die een substantiële toevoeging aan de woningvoorraad inhoudt. Ook verder heeft de raad niet onderbouwd waarom volgens hem alleen dergelijke woningbouw kan worden toegestaan. Verder heeft de raad de stellingen over leegstand in het amendement niet nader onderbouwd, zodat onder meer niet duidelijk is of sprake is van structurele leegstand en of het een vergelijkbaar type woningen betreft als de vrijstaande woning die na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zou kunnen worden gebouwd.

De stelling van de raad dat in eerdere bestemmingsplannen en de beheersverordening de bouw van een tweede vrijstaande woning op het perceel van [appellant sub 2] niet mogelijk is gemaakt, is op zichzelf juist. Anders dan de raad heeft gesteld, heeft het gemeentebestuur de bouw van die woning echter niet steeds stedenbouwkundig ongewenst geacht. In 2009 zijn immers ontwerpbesluiten opgesteld voor de bouw van een tweede vrijstaande woning en vijf andere woningen op het perceel. Uit de stukken blijkt dat daarover geen definitief besluit is genomen, omdat de bouwplannen voor deze woning en de vijf andere woningen op het perceel om andere redenen zijn ingetrokken. Daaruit blijkt niet dat de stedenbouwkundige wenselijkheid bij die intrekking een rol heeft gespeeld. Bij de vaststelling van het amendement is de raad hieraan voorbijgegaan.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het het amendement betreft, niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van Suo Marte

14. Suo Marte is eigenaar van de percelen Westeinde 132b, c en d te Voorburg. Zij heeft op 22 juli 2014 een intentieovereenkomst met de gemeente Leidschendam-Voorburg gesloten over de herontwikkeling van deze locatie. Suo Marte heeft het voornemen om in de toekomst woningbouw op het terrein te ontwikkelen. Het plan voorziet daar nog niet in.

Aan de percelen Westeinde 132b, c en d is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" en voor een deel van het terrein de aanduiding "detailhandel" toegekend. Daarnaast geldt voor het gehele terrein de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3". Voor het deel van het terrein dat binnen 15 m van de oever van de Vliet ligt, geldt tevens de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie".

Suo Marte kan zich niet verenigen met de toekenning van de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 3" en "Waarde - Cultuurhistorie" aan haar percelen. Volgens haar beperken de planregels voor die dubbelbestemmingen de bouwmogelijkheden op de percelen te veel. Ter zitting is gebleken dat Suo Marte daarmee niet doelt op de mogelijkheden voor toekomstige woningbouw, maar op de mogelijkheden tot herbouw of nieuwbouw ten behoeve van de huidige bedrijfsbestemming.

Informatieplicht

15. Suo Marte betoogt in de eerste plaats dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de intentieovereenkomst die zij al voor de terinzagelegging van het ontwerpplan met de gemeente heeft gesloten. Deze intentieovereenkomst bevat volgens Suo Marte een wederzijdse informatieplicht. Volgens Suo Marte bevatten de planregels voor de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 3" en "Waarde - Cultuurhistorie" meer beperkingen dan de beheersverordening en had de raad haar daarom voor de vaststelling van de intentieovereenkomst over het toekennen van de dubbelbestemmingen moeten informeren. Doordat de raad Suo Marte niet heeft geïnformeerd, heeft zij geen aanvullende voorwaarden in de intentieovereenkomst kunnen opnemen of nadere afspraken kunnen maken over het ontwerpplan. De artikelen 28 en 29 van de planregels zouden daarom niet van toepassing mogen zijn op de percelen Westeinde 132b, c en d, aldus Suo Marte.

15.1. De intentieovereenkomst van 22 juli 2014 heeft betrekking op de herontwikkeling van de percelen Westeinde 132b, c en d tot woningen. De raad stelt zich op het standpunt dat de herontwikkeling van deze percelen geheel los staat van de vaststelling van het nu voorliggende plan. Voor de herontwikkeling zal een aparte planologische procedure worden gevolgd. De inhoudelijke afspraken uit de intentieovereenkomst zijn volgens de raad verwoord in de plantoelichting.

15.2. De Afdeling stelt voorop dat de intentieovereenkomst als zodanig en de naleving daarvan in deze procedure niet ter beoordeling staan, omdat het plan geen betrekking heeft op de herontwikkeling tot woningen. Voor zover het betoog betrekking heeft op deze aspecten, betreft het niet de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en kan het reeds daarom niet slagen.

De Afdeling begrijpt het betoog daarnaast zo, dat het plan volgens Suo Marte niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat de raad haar niet tijdig over het toekennen van de dubbelbestemmingen heeft geïnformeerd. Het plan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb. Die voorbereidingsprocedure houdt onder meer in dat de raad een ontwerpplan ter inzage legt en dat belanghebbenden daarover zienswijzen bij de raad naar voren kunnen brengen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de zorgvuldigheid in dit geval vereist dat de raad Suo Marte in aanvulling op de uniforme openbare voorbereidingsprocedure eerder of meer had moeten informeren over het toekennen van de dubbelbestemmingen aan haar perceel.

Het betoog faalt.

Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3"

16. De dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend aan het gehele terrein van Suo Marte. Suo Marte voert aan dat de planregels voor deze dubbelbestemming de bouwmogelijkheden voor haar terrein te zeer beperken en bestaande rechten aantasten.

Suo Marte stelt dat op grond van artikel 28, lid 28.2.1, van de planregels niet mag worden gebouwd op haar terrein. Op grond van lid 28.3 kan daarvan worden afgeweken. Volgens Suo Marte is het college van burgemeester en wethouders op grond van die bepaling echter niet verplicht een omgevingsvergunning te verlenen als aan de voorwaarden voor het afwijken wordt voldaan.

De onderdelen a tot en met d van artikel 28, lid 28.2.1, bevatten een aantal uitzonderingen ter bescherming van bestaande rechten. Suo Marte stelt dat voor haar eigen percelen ondanks deze uitzonderingen toch bestaande rechten worden aangetast. Zij stelt in de eerste plaats dat gebruik van de bestaande fundering bij vervanging, nieuwbouw of verandering niet mogelijk is, omdat bekend is dat de bodem verontreinigd is en deze verontreiniging zich deels onder de fundering bevindt. Daarnaast maakt het plan, net als de beheersverordening, een groter bouwvolume mogelijk dan de nu aanwezige bebouwing. Artikel 28, lid 28.3, van de planregels maakt het echter onzeker of een omgevingsvergunning zal worden verleend voor de zwaardere fundering die daarvoor nodig is, aldus Suo Marte.

16.1. De raad stelt dat uit de Monumentenwet 1988 volgt dat het archeologische belang moet worden meegewogen bij de vaststelling van het plan. In verband daarmee heeft de raad de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" toegekend aan onder meer het terrein van Suo Marte ter bescherming van archeologische waarden. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op het gemeentelijke archeologiebeleid zoals dat is neergelegd in de "Archeologienota herijking 2013". De dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend aan gebieden die volgens de beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of verwachting hebben.

16.2. De tekst van artikel 38a van de Monumentenwet 1998 en van artikel 28 van de planregels is, voor zover van belang, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, onder C.

16.3. De bouwregels voor de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" bevatten, ter bescherming van de archeologische waarden, een bouwverbod met afwijkingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders. Het verbod geldt niet voor de in artikel 28, lid 28.2.1, van de planregels genoemde gevallen waarin de bodem niet of zeer beperkt wordt aangetast. De Afdeling ziet in zijn algemeenheid geen grond voor het oordeel dat de raad deze regeling in redelijkheid niet in de planregels heeft kunnen opnemen. Nu Suo Marte niet heeft bestreden dat de percelen Westeinde 132b, c en d behoren tot de gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting, bestaat bovendien geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" in redelijkheid niet aan deze percelen heeft kunnen toekennen.

Over de specifieke bezwaren van Suo Marte overweegt de Afdeling het volgende.

Suo Marte heeft niet aannemelijk gemaakt dat de regeling in artikel 28, leden 28.2.1 en 28.3, van de planregels op voorhand in de weg staat aan uitbreiding van de bedrijfsbebouwing of herbouw van de bestaande bedrijfsbebouwing zonder gebruik van de bestaande fundering. Voor zover die activiteiten niet onder de uitzonderingen op het bouwverbod vallen en dus een omgevingsvergunning voor afwijken van het plan is vereist, heeft Suo Marte niet aannemelijk gemaakt dat niet kan worden voldaan aan de voorwaarden voor de verlening van die vergunning. Dat geldt ook voor het geval dat er een bodemsanering zou moeten worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling bevat artikel 28, leden 28.2.1 en 28.3, van de planregels dan ook geen onevenredige beperking van de bouwmogelijkheden van Suo Marte.

Suo Marte heeft daarnaast aangevoerd dat artikel 28, lid 28.3, van de planregels ten onrechte niet verplicht tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in lid 28.2.1 als is voldaan aan de daarin genoemde voorwaarden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat lid 28.3 inderdaad geen verplichting, maar slechts een bevoegdheid tot afwijking van het bouwverbod bevat. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad terecht besloten het college van burgemeester en wethouders afwegingsruimte toe te kennen bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bouwverbod uit artikel 28, lid 28.2.1, van de planregels. Volgens artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Deze bepaling maakt het niet mogelijk dat de raad in een bestemmingsplan een verplichting voor het college van burgemeester en wethouders opneemt om bij omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde planregels. Overigens dient het college van burgemeester en wethouders een eventueel besluit om in het geval dat is voldaan aan de voorwaarden uit lid 28.3 toch geen gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid deugdelijk te motiveren. Tegen dat besluit staat rechtsbescherming open.

Het betoog faalt.

Dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie"

17. De dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" is toegekend aan het deel van het terrein van Suo Marte dat binnen 15 m van de oever van de Vliet ligt.

Suo Marte kan zich niet verenigen met de toekenning van deze dubbelbestemming aan haar gronden. Volgens haar zijn er op haar gronden geen beschermenswaardige cultuurhistorische waarden aanwezig en heeft de raad de dubbelbestemming ten onrechte aan de gehele Vlietoevers toegekend. Suo Marte wijst er in dat verband op dat de te beschermen cultuurhistorische waarden volgens de plantoelichting vooral het Jaagpad aan de oostzijde van de Vliet en de landgoederen en resterende groenzones aan de westzijde zijn. De percelen Westeinde 132b, c en d vallen daar volgens haar niet onder.

Suo Marte betoogt dat de planregels voor de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" haar bouwmogelijkheden te veel beperken. In de eerste plaats voert zij aan dat artikel 29, lid 29.2, van de planregels ten onrechte een bouwverbod bevat. Volgens haar worden hierdoor bestaande rechten aangetast. Suo Marte voert daarnaast aan dat uit paragraaf 5.3 van de Cultuurhistorische Analyse Vlietoevers volgt dat cultuurhistorische waarden ook met andere instrumenten dan een bouwverbod kunnen worden beschermd, zoals een beeldkwaliteitsplan. De raad heeft ten onrechte niet voor die minder ingrijpende instrumenten gekozen, aldus Suo Marte. Verder betoogt Suo Marte dat op grond van artikel 29, lid 29.3.1, van de planregels van het bouwverbod kan worden afgeweken, maar dat het college van burgemeester en wethouders op grond van die bepaling niet verplicht is een omgevingsvergunning te verlenen als aan de voorwaarden voor afwijken wordt voldaan.

17.1. De tekst van artikel 29 van de planregels, voor zover van belang, is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, onder D.

17.2. De raad heeft langs de gehele Vliet, voor zover die in het plangebied ligt, voor een strook van 15 m vanaf de oever de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" in het plan opgenomen. De raad stelt dat hij hiermee uitvoering heeft gegeven aan het beleid uit de Cultuurhistorische Analyse Vlietoevers. Daarin is volgens de raad een inventarisatie van de cultuurhistorische waarden gemaakt en zijn richtlijnen opgenomen voor de bescherming van die waarden.

Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden is in artikel 29 van de planregels vastgelegd dat binnen de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" niet mag worden gebouwd, tenzij het college van burgemeester en wethouders daarvoor een omgevingsvergunning voor afwijken van het plan verleent. De ontwikkelingen worden daarbij getoetst op eventuele verstoringen van de cultuurhistorische waarden.

De raad erkent dat volgens de Cultuurhistorische Analyse Vlietoevers verschillende instrumenten kunnen worden toegepast om de cultuurhistorische waarden te beschermen. Omdat het in dit geval gaat om een hoofdzakelijk conserverend plan, ligt de nadruk niet op het vastleggen van de beeldkwaliteit, maar op het verankeren van de bestaande bebouwing en het gebruik daarvan. De raad heeft daarom gekozen voor beperkende bouwvoorschriften in de planregels.

17.3. Anders dan de raad heeft betoogd, is naar het oordeel van de Afdeling uit de Cultuurhistorische Analyse Vlietoevers niet af te leiden dat op de gehele Vlietoever cultuurhistorische waarden aanwezig zijn die volgens het gemeentelijke beleid beschermenswaardig zijn. Op de waardenkaarten in bijlage 1 bij de Cultuurhistorische Analyse Vlietoevers is aan de Vliet over de gehele lengte de aanduiding "historische waterstructuren (opvaarten, Vliet, vaarten, zandsloten)" toegekend. Uit de waardenkaarten en de toelichting daarop blijkt niet of en zo ja, in hoeverre, daarmee ook de oevers zijn bedoeld. De waardenkaarten bevatten aparte aanduidingen voor cultuurhistorisch waardevolle elementen op de oevers, zoals bruggen, molens, gemalen, buitenplaatsen en karakteristieke beplanting. Die aanduidingen gelden blijkens de waardenkaarten niet voor de gronden van Suo Marte.

In dit verband is verder van belang dat volgens paragraaf 2.6.7 van de plantoelichting voor het plangebied geen concrete dan wel specifieke waarden en/of uitgangspunten zijn beschreven in de Cultuurhistorische Analyse Vlietoevers. Ook is in paragraaf 6.2.2 van de plantoelichting vermeld dat de toetsing van de ontwikkelingen aan de oostzijde van de Vliet vooral betrekking zal hebben op de instandhouding van het Jaagpad en onderdelen die herinneren aan deze infrastructuur en dat aan de westzijde van de Vliet vooral de landgoederen en resterende groenzones in aanmerking zullen komen voor bescherming. De Afdeling stelt vast dat deze specifieke waarden niet de percelen van Suo Marte betreffen.

Suo Marte heeft gesteld dat beschermenswaardige cultuurhistorische waarden op haar percelen, die reeds lange tijd in gebruik zijn voor bedrijfsdoeleinden, ontbreken. Zij heeft de raad daarop in haar zienswijze over het ontwerpplan gewezen. De raad heeft echter naar aanleiding van de zienswijze van Suo Marte geen nader onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermenswaardige cultuurhistorische waarden op de percelen Westeinde 132b, c en d of nader onderbouwd welke specifieke cultuurhistorische waarden op deze percelen aanwezig zijn.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het plan op dit punt, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het plan is op dit punt tevens in strijd met artikel 3:46 van de Awb, nu de raad de noodzaak van het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan een deel van de gronden van Suo Marte ter bescherming van cultuurhistorische waarden niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

17.4. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van Suo Marte over de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" geen bespreking.

Herhaling zienswijze

18. Suo Marte heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Suo Marte heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Bestuurlijke lus

19. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De raad dient:

a. met inachtneming van overweging 7.3 van deze uitspraak de bestaande garage en veranda op het perceel van [appellant sub 1] in het plan alsnog als zodanig te bestemmen;

b. met inachtneming van de overwegingen 12.3 en 13.3 van deze uitspraak het niet opnemen van een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de bouw van een vrijstaande woning achter de huidige woning op het perceel [locatie 2] alsnog toereikend te motiveren, waarbij de raad de voorgeschiedenis van deze ontwikkeling en in het bijzonder de brief van de gemeente Leidschendam-Voorburg aan [appellant sub 2] van 29 april 2014 dient te betrekken, dan wel alsnog een dergelijke wijzigingsbevoegdheid in het plan op te nemen;

c. met inachtneming van overweging 17.3 van deze uitspraak de aanwezigheid van beschermenswaardige cultuurhistorische waarden op de percelen Westeinde 132b, c en d alsnog nader te onderzoeken en de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan een deel van deze percelen alsnog toereikend te motiveren, dan wel de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" voor deze percelen uit het plan te verwijderen.

Bij het nemen van een nieuw besluit behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en medegedeeld.

Proceskosten

20. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg op om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak:

a. de onder 19 genoemde gebreken in het besluit van 1 juli 2015 te herstellen met inachtneming van hetgeen omtrent die gebreken in deze uitspraak is overwogen, en

b. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Teuben

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

483.

BIJLAGE

A. Bij rechtsoverwegingen 7 t/m 7.3:

Planregels bestemmingsplan "Voorburg West/Park Leeuwenbergh"

Artikel 15 Tuin

15.2 Bouwregels

15.2.1 Algemeen

Met uitzondering van de artikelen 15.2.2, 15.2.3 en 15.2.4, mag op deze gronden niet worden gebouwd.

[De leden 15.2.2, 15.2.3 en 15.2.4 bevatten uitzonderingen, met bepaalde voorwaarden, voor de bouw van een erker aan de oorspronkelijke voorgevel van een bijbehorend hoofdgebouw, een fietsenberging op het voorerf en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.]

Artikel 21 Wonen

21.2 Bouwregels

21.2.1 Algemeen

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming "Wonen" uitsluitend worden gebouwd:

a. hoofdgebouwen;

b. aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen;

c. vrijstaande bijgebouwen;

d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

21.2.5 Vrijstaande bijgebouwen

Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen gelden de volgende regels:

a. vrijstaande bijgebouwen moeten binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd, met dien verstande dat ze op ten minste 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw dienen te worden gebouwd;

b. de bouwhoogte van deze gebouwen mag niet meer dan 3 meter bedragen.

21.2.7 Bebouwingspercentage

Het gezamenlijk oppervlak van aan- of uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en vrijstaande bijgebouwen mag, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van het bijbehorende perceel, met een maximum van 40m².

B. Bij rechtsoverwegingen 9 t/m 9.3:

Planregels bestemmingsplan "Voorburg West/Park Leeuwenbergh"

Artikel 20 Water

20.1.1 Algemeen

De voor "Water" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bruggen;

b. objecten van beeldende kunst;

c. oever;

d. steiger;

e. vaarweg;

f. vijver;

g. water;

h. waterberging;

i. waterkering;

j. waterlopen en waterpartijen;

k. waterwegen ten behoeve van verkeer over water;

l. water- en oeverrecreatie;

m. voorzieningen ten behoeve van de bestemming zoals oeverbeschoeiingen, remmingswerken, dukdalven, stuwdammen, duikers en inlaatwerken.

20.1.2 Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

20.2 Bouwregels

20.2.1 Algemeen

Op, dan wel in, deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming 'Water' uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

20.2.2 Nadere bouwregels

Voor het bouwen als bedoeld in artikel 20.2.1 gelden de volgende regels:

a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 meter;

b. voor het bouwen van een brug geldt dat de benodigde doorvaarhoogte in overleg met de vaarwegbeheerder en/of het Hoogheemraadschap wordt bepaald.

20.3 Afwijken van de bouwregels

a. het bevoegd gezag kan bevoegd afwijken van het bepaalde in artikel 20.2 voor de aanleg van steigers en vlonders ten dienste van de waterrecreatie;

b. alvorens te beslissen op een aanvraag om afwijking wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de vaarwegbeheerder en het Hoogheemraadschap.

Planregels ontwerpbestemmingsplan "Voorburg West"

Artikel 15 Tuin

15.1.1 Algemeen

De voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. tuinen;

b. erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

15.1.2 Dubbelbestemming

De bij deze bestemming behorende bouw-, gebruiks- en overige regels zijn slechts van toepassing indien en voor zover deze niet in strijd zijn met de regels, behorende bij de dubbelbestemming(en) waarvoor deze gronden eveneens zijn aangewezen.

15.2 Bouwregels

15.2.1 Algemeen

Met uitzondering van de artikelen 15.2.2, 15.2.3 en 15.2.4, mag op deze gronden niet worden gebouwd.

15.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 15.1 en 15.2 ten behoeve van het realiseren van een insteekhaven en bijbehorende overkapping onder de volgende voorwaarden:

1. de insteekhaven dient rechtstreeks aan te sluiten op een doorgaande vaarroute;

2. aanvrager dient in het bezit te zijn van een provinciale ontheffing respectievelijk een Keurvergunning van het Hoogheemraadschap en deze te overleggen bij de aanvraag om omgevingsvergunning;

3. de lengte van de insteekhaven, gemeten op de vaarweg, mag maximaal 10 meter bedragen;

4. de breedte van de insteekhaven mag maximaal 4 meter bedragen;

5. de oppervlakte van de overkapping mag maximaal 40 m² bedragen;

6. de bouwhoogte van de overkapping mag maximaal 3 meter bedragen;

7. de overkapping dient voorzien te zijn van een hellend dak;

8. de overkapping mag niet worden voorzien van wanden.

C. Bij rechtsoverwegingen 16 t/m 16.3:

Monumentenwet 1988

Artikel 38a

De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Planregels bestemmingsplan "Voorburg West/Park Leeuwenbergh"

Artikel 28 Waarde - Archeologie 3

28.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Waarde - Archeologie 3" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

28.2 Bouwregels

28.2.1 Algemeen

Ter plaatse van de in de bestemming "Waarde - Archeologie 3" bedoelde gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken:

a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

b. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m²;

c. een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld;

d. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

28.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 28.2.1 indien:

a. de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

b. de archeologische waarden, zoals onder lid 28.3 sub a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden:

1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);

2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek);

3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ);

4. begeleiding van de bouwactiviteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen.

D. Bij rechtsoverwegingen 17 t/m 17.3:

Planregels bestemmingsplan "Voorburg West/Park Leeuwenbergh"

Artikel 29 Waarde - Cultuurhistorie

29.1 Bestemmingsomschrijving

29.1.1 Algemeen

De voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) - bestemd voor het behoud en/of de versterking van de aanwezige historisch-ruimtelijke en/of cultuurhistorische waarden.

29.1.2 Bescherming waardevolle elementen

Met betrekking tot de gronden als bedoeld in artikel 29.1.1, geldt dat het realiseren van de krachtens dit plan op gronden in het plangebied gelegde bestemmingen niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de waardevolle landschaps- en bebouwingsstructuren en landschapselementen.

29.2 Bouwregels

Op, dan wel in, deze gronden als bedoeld in artikel 29.1 mag niet worden gebouwd.

29.3 Afwijken van de bouwregels

29.3.1 Algemeen

Het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 29.2 voor zover een bouw- of inrichtingsplan geen onevenredige afbreuk doet aan, respectievelijk strekt tot, het behoud en/of de versterking van de historisch-ruimtelijke landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en/of elementen.