Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1804

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201503421/1/R1 en 201503775/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7589
JOM 2016/606
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503421/1/R1 en 201503775/1/R1.

Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, deels tussenuitspraak (als bedoeld in artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)), in de gedingen tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Heerhugowaard,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Heerhugowaard (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V., gevestigd te Groningen (hierna: de Gasunie),

4. [appellante sub 4], wonend te Heerhugowaard,

5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], wonend te Heerhugowaard (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]),

6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], wonend te Heerhugowaard,

7. [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B], wonend te Heerhugowaard (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]),

8. [appellant sub 8], wonend te Heerhugowaard, en anderen,

9. het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard,

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Heerhugowaard,

2. het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" gewijzigd vastgesteld.

Bij besluit van 25 maart 2015 heeft het college van gedeputeerde staten besloten de raad een aantal aanwijzingen te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot dit bestemmingsplan.

Tegen het besluit van 17 februari 2015 hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], de Gasunie, [appellante sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 6] en [appellant sub 7] beroep ingesteld.

Tegen het besluit van 25 maart 2015 hebben [appellant sub 7], [appellant sub 8] en anderen en het college van burgemeester en wethouders beroep ingesteld.

De raad en het college van gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 8] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 9 februari 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, werkzaam bij Rombou, [appellant sub 2A], [appellante sub 4], [appellant sub 5], bijgestaan door mr. S. Grasboer, advocaat te Alkmaar, [appellant sub 8] en anderen, vertegenwoordigd door ing. D. Treffers, het college van burgemeester en wethouders en de raad, beide vertegenwoordigd door drs. I.A. Zwollo-de Wit en ing. M. Tol, beiden werkzaam bij de gemeente, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, en drs. S. Traudes-Noorlander, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Hieronder zal de Afdeling eerst de beroepen tegen de reactieve aanwijzing bespreken, waarbij aan de orde komen de aanwijzingen over de paardenbakken bij woningen (4-5) en bij agrarische percelen (6-7), over schuilstallen (8-9) en over ongewenste mogelijkheden tot verstedelijking (10-15) en over glastuinbouw (16-19). Dit gedeelte van de uitspraak wordt afgesloten met een conclusie (20), een overweging over de instandlating van rechtsgevolgen (21) en over proceskosten (22). De beroepen tegen het bestemmingsplan worden daarna besproken (vanaf 23) in de volgorde [appellant sub 7] (25), [appellanten sub 6] (26-29), [appellant sub 1] (30-32), [appellant sub 2] (33-34), [appellante sub 4] (35-39), Gasunie (40-42), [appellant sub 5] (43-45). Dit deel van de uitspraak wordt afgesloten met een conclusie (46) en een overweging over proceskosten (47), waarna de beslissing volgt (pagina 32 en 33).

De reactieve aanwijzing

2. Het college van gedeputeerde staten heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college van gedeputeerde staten in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college van gedeputeerde staten om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het college van gedeputeerde staten heeft met het oog op de handhaving van de algemene regels uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV), vastgesteld door provinciale staten van de provincie Noord-Holland bij besluit van 3 februari 2014, een reactieve aanwijzing gegeven ten aanzien van in de planregeling opgenomen afwijkingsbevoegdheden voor bouwwerken geen gebouwen zijnde voor het houden van paarden en voor dierenverblijven. Voorts ziet de reactieve aanwijzing op een wijzigingsbevoegdheid en op de planregeling voor zes afzonderlijke percelen.

Afwijkingsbevoegdheden voor paardenbakken en schuilstallen

Paardenbakken

4. Het college van gedeputeerde staten heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat artikel 21, lid 21.2.5, onder a, van de planregels in strijd is met artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV, voor zover met deze afwijkingsbevoegdheid bouwwerken geen gebouwen zijnde voor het houden van paarden mogelijk kunnen worden gemaakt buiten en aansluitend aan de bestemming "Wonen".

5. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het college van gedeputeerde staten met deze aanwijzing niet heeft onderkend dat het landschapsbelang door de genoemde afwijkingsbevoegdheid niet onevenredig wordt geschaad, nu daarin voorwaarden zijn gesteld aan het oprichten van bouwwerken geen gebouwen zijnde voor het houden van paarden waarmee dezelfde concentratie wordt nagestreefd als met artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV wordt nagestreefd.

5.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van de PRV wordt onder "agrarisch bedrijf" verstaan: een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 2, onder d, wordt onder "agrarisch bouwperceel" verstaan: een aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen van een agrarisch bedrijf zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 2, onder e, wordt onder "bebouwing" verstaan: één of meerdere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, onder a, geldt voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op landbouwgebieden, zoals aangegeven op kaart 6 en op de digitale verbeelding ervan, dat agrarische bebouwing wordt geconcentreerd binnen het bouwperceel.

5.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.24, van de planregels wordt onder "bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden" verstaan: een niet overdekte piste voorzien van een bewerkte / aangepaste bodem anders dan gras en een omheining voor het trainen, africhten of stallen van paarden, zoals een paardenbak, een longeercircel, een paddock e.d.

Ingevolge artikel 21, lid 21.1, onder f, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor één bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden.

Ingevolge lid 21.2.3, onder b, mag de oppervlakte van bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden niet meer bedragen dan 1.500 m².

Ingevolge lid 21.2.5, onder a, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2.3, onder b, voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden of een deel daarvan buiten de bestemming "Wonen" maar wel aansluitend aan de bestemming "Wonen", waarbij het bevoegd gezag voorwaarden kan verbinden aan de situering en de landschappelijke inpassing van het bouwwerk.

5.3. Het college van burgemeester en wethouders heeft toegelicht dat veel voormalige agrarische bedrijfswoningen een woonbestemming hebben verkregen, waarbij het bouwvlak tot het minimum is beperkt om te voorkomen dat allerlei bijgebouwen diep het landelijk gebied in kunnen worden gebouwd. Dit leidt ertoe dat percelen met de bestemming "Wonen" meestal te klein zijn om bouwwerken voor het houden van paarden, zoals paardenbakken, te realiseren. Omdat het houden van paarden een activiteit is die past in een buitengebied, wordt de bouw van dergelijke bouwwerken, zij het onder voorwaarden, geheel of gedeeltelijk buiten de bestemming "Wonen", maar wel aansluitend aan deze bestemming gefaciliteerd, aldus het college van burgemeester en wethouders.

5.4. De Afdeling overweegt dat het onder 5 weergegeven betoog van het college van burgemeester en wethouders ziet op de vraag of is voldaan aan de eisen van artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV voor de concentratie van agrarische bebouwing. Naar aanleiding van dit betoog rijst echter de voorvraag of wel sprake is van "agrarische bebouwing" als bedoeld in die bepaling. De Afdeling overweegt in dit verband dat de term "agrarische bebouwing" in de PRV niet is gedefinieerd. Voor de uitleg van deze term kan evenwel worden aangesloten bij de definities van "bebouwing" en "agrarisch bouwperceel", die wel in de PRV zijn opgenomen. Daaruit blijkt dat voor een "agrarisch bouwperceel" wordt uitgegaan van de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf. De term "agrarische bebouwing" veronderstelt dan ook dat de bebouwing behoort bij een agrarisch bedrijf. Bij de afwijkingsbevoegdheid voor bouwwerken geen gebouwen zijnde voor het houden van paarden van artikel 21, lid 21.2.5, onder a, van de planregels is echter geen sprake van een agrarisch bedrijf. Daarom ziet deze afwijkingsbevoegdheid niet op "agrarische bebouwing" in de zin van artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV. Reeds hierom heeft het college van gedeputeerde staten ten onrechte artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV ten grondslag gelegd aan de reactieve aanwijzing ten aanzien van artikel 21, lid 21.2.5, onder a, van de planregels, zodat het besluit van het college van gedeputeerde staten in zoverre dient te worden vernietigd. Het betoog slaagt.

Overigens wijst de Afdeling erop dat het college van gedeputeerde staten ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat, voor zover artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV niet aan de reactieve aanwijzing ten grondslag zou kunnen worden gelegd, sprake is van nieuwe verstedelijking, die eveneens ingevolge de PRV is verboden. Hierop wordt hierna onder het kopje "Instandlating rechtsgevolgen" (21) ingegaan.

6. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat de artikelen 3, lid 3.4, onder d, en 5, lid 5.3, onder d, van de planregels, betreffende afwijkingsbevoegdheden waarmee bouwwerken geen gebouwen zijnde voor het houden van paarden mogelijk kunnen worden gemaakt buiten het bouwvlak behorend bij de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden", in strijd zijn met artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV.

7. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het college van gedeputeerde staten hiermee ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat het niet altijd mogelijk is om bouwwerken voor het houden van paarden, die behoren bij agrarische bedrijven te realiseren binnen het agrarisch bouwperceel. Het college van burgemeester en wethouders stelt dat weliswaar met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 40, aanhef en onder b, van de planregels het bouwperceel van vorm kan worden veranderd en/of kan worden vergroot, maar het acht dit een te zware procedure. Daarbij wijst het college van burgemeester en wethouders erop dat de leges voor gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid € 2.546,70 bedragen, terwijl de leges voor toepassing van een afwijkingsbevoegdheid slechts € 147,15 bedragen. Het college van burgemeester en wethouders voert verder aan dat het college van gedeputeerde staten niet heeft onderkend dat met de voorwaarden voor gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheden rekening is gehouden met het landschapsbelang. Het college van burgemeester en wethouders betoogt voorts dat het college van gedeputeerde staten heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu het geen reactieve aanwijzing heeft gegeven ten aanzien van vergelijkbare planregels in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" van de gemeenteraad van Beemster. Daarnaast heeft het college van burgemeester en wethouders ter zitting in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel aangevoerd dat het college van gedeputeerde staten geen reactieve aanwijzing heeft gegeven ten aanzien van vergelijkbare planregels in de bestemmingsplannen voor het landelijk gebied van onder meer de gemeenten Opmeer en Schagen.

7.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder h, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden onder meer bestemd voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het houden van paarden.

Ingevolge artikel 3.2.4, onder g, geldt voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak dat de oppervlakte van bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden niet meer mag bedragen dan 1.500 m².

Ingevolge artikel 3.4, onder d, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.4, onder g, voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van het houden van paarden of een deel daarvan buiten het bouwvlak, maar wel aansluitend aan het bouwvlak, waarbij het bevoegd gezag voorwaarden kan verbinden aan de situering en de landschappelijke inpassing van het bouwwerk.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder i, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het houden van paarden.

Ingevolge artikel 5.2.4, onder g, geldt voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak dat de oppervlakte van bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van het houden van paarden niet meer mag bedragen dan 1.500 m².

Ingevolge artikel 5.3, onder d, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.4, onder g, voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van het houden van paarden of een deel daarvan buiten het bouwvlak, maar wel aansluitend aan het bouwvlak, mits landschappelijk inpasbaar.

Ingevolge artikel 40, aanhef en onder b, kan het college van burgemeester en wethouders met in achtneming van het bepaalde in artikel 3.6, onder a, van de Wro de (dubbel)bestemming(en) "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden" wijzigen voor het van vorm veranderen en/of vergroten van een agrarisch bouwperceel, indien dat noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering van een volwaardig bedrijf onder de voorwaarden die zijn genoemd onder 1 tot en met 4 van die bepaling.

7.2. De Afdeling overweegt dat artikel 40, aanhef en onder b, van de planregels voorziet in een wijzigingsbevoegdheid waarmee het agrarische bouwperceel binnen de bestemmingen "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden" van vorm kan worden veranderd en/of kan worden vergroot.

De omstandigheden dat een, naar gesteld, "zwaardere" procedure aan de orde is bij toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid dan bij het afwijken van het plan met een omgevingsvergunning en dat er hogere legeskosten zijn in vergelijking met de gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheden van de artikelen 3, lid 3.4, onder d, en 5, lid 5.3, onder d, van de planregels, acht de Afdeling, wat daar overigens ook van zij, niet relevant voor het antwoord op vraag of deze afwijkingsbevoegdheden voldoen aan artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV. De Afdeling stelt bij de beantwoording van die vraag vast dat bij gebruikmaking van deze afwijkingsbevoegdheden bouwwerken geen gebouwen zijnde voor het houden van paarden kunnen worden gerealiseerd buiten het bouwvlak behorend bij onderscheidenlijk de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden". De Afdeling stelt verder vast dat met deze afwijkingsbevoegdheden in bepaalde mate rekening is gehouden met het landschapsbelang. In artikel 3, lid 3.4, onder d, van de planregels is immers geregeld dat voorwaarden kunnen worden verbonden aan de landschappelijke inpassing en in artikel 5, lid 5.3, onder d, van de planregels is de voorwaarde opgenomen dat het bouwwerk buiten het bouwvlak landschappelijk inpasbaar moet zijn. Het vorenstaande laat evenwel onverlet dat in de planregels niet is gewaarborgd dat bij gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid de agrarische bebouwing binnen het bouwperceel wordt geconcentreerd. Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat de artikelen 3, lid 3.4, onder d, en 5, lid 5.3, onder d, van de planregels in strijd zijn met artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV. Het betoog faalt.

7.3. Het college van gedeputeerde staten heeft bij besluit, verzonden op 9 augustus 2012, een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" van de gemeenteraad van Beemster. Die aanwijzing had evenwel geen betrekking op artikel 3.20 van de planregels van dat plan, waarin een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen bij gebruikmaking waarvan een paardenbak buiten het bouwvlak kan worden gerealiseerd. Het college van gedeputeerde staten heeft ter zitting onder meer gesteld dat het niet geven van een reactieve aanwijzing ten aanzien van die afwijkingsbevoegdheid in dat bestemmingsplan een fout is.

De Afdeling overweegt dat, indien het college van gedeputeerde staten gebruik maakt van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing, het daarbij onder meer het gelijkheidsbeginsel in acht moet nemen. Voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in dit geval het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, zoals het college van burgemeester en wethouders betoogt, bestaat evenwel geen grond.

Daartoe overweegt de Afdeling dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat een bestuursorgaan een gemaakte fout moet herhalen.

Ten aanzien van de verwijzing van het college van burgemeester en wethouders naar de planregels in de bestemmingsplannen voor het landelijk gebied van onder meer de gemeenten Opmeer en Schagen, overweegt de Afdeling dat het college van burgemeester en wethouders niet heeft geconcretiseerd dat daarin voor een agrarische bestemming een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen die vergelijkbaar is met de afwijkingsbevoegdheden die thans aan de orde zijn. Het betoog faalt.

Schuilstallen

8. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat de artikelen 3, lid 3.4, onder e, en 5, lid 5.3, onder e, van de planregels, betreffende afwijkingsbevoegdheden waarmee een dierenverblijf buiten het bouwvlak behorend bij de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" kan worden toegestaan, in strijd zijn met artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV.

9. Het college van burgemeester en wethouders kan zich niet verenigen met deze reactieve aanwijzing. Volgens het college van burgemeester en wethouders ligt aan deze afwijkingsbevoegdheden het dierenwelzijn ten grondslag en is voldoende rekening gehouden met het landschapsbelang. Voorts voert het college van burgemeester en wethouders aan dat in een eerder bestemmingsplan - de 2e partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2001", door de raad bij besluit van 16 februari 2010 vastgesteld - reeds een afwijkingsbevoegdheid was opgenomen voor het realiseren van een schuilstal van 30 m² buiten het bouwvlak en dat het provinciebestuur over dat bestemmingsplan geen zienswijze heeft ingediend. Het college van burgemeester en wethouders stelt gelet hierop ervan uit te mogen gaan dat op dit punt geen sprake is van strijd met de PRV.

9.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.5, van de planregels bij de bestemming "Agrarisch" mogen buiten het bouwvlak geen bouwwerken worden gebouwd.

Ingevolge lid 3.4, onder e, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.5 voor de bouw van één dierenverblijf voor landbouwhuisdieren door een niet-agrariër als eigenaar van de betrokken gronden waarvan:

1. de oppervlakte niet meer dan 30 m² mag bedragen;

2. de goothoogte niet meer dan 3,00 m mag bedragen;

3. de bouwhoogte niet meer dan 5,00 m mag bedragen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.5 van de planregels bij de bestemming "Agrarisch met waarden" mogen buiten het bouwvlak geen bouwwerken worden gebouwd.

Ingevolge lid 5.3, onder e, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.5 voor de bouw van één dierenverblijf voor landbouwhuisdieren door een niet-agrariër als eigenaar van de betrokken gronden waarvan:

1. de oppervlakte niet meer dan 30 m² mag bedragen;

2. de goothoogte niet meer dan 3,00 m mag bedragen;

3. de bouwhoogte niet meer dan 5,00 m mag bedragen.

9.2. De Afdeling overweegt dat naar aanleiding van het betoog van het college van burgemeester en wethouders, zoals onder 9 weergegeven, de voorvraag rijst of sprake is van "agrarische bebouwing" als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV. Zoals hiervoor onder 5.4 is overwogen, veronderstelt de term "agrarische bebouwing" dat de bebouwing behoort bij een agrarisch bedrijf. Uit de artikelen 3.4, onder e, en 5.3, onder e, van de planregels blijkt dat de afwijkingsbevoegdheden voor een dierenverblijf betrekking hebben op een niet-agrariër en derhalve niet zien op een agrarisch bedrijf. Gelet hierop hebben deze afwijkingsbevoegdheden geen betrekking op "agrarische bebouwing" in de zin van artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV. Reeds hierom heeft het college van gedeputeerde staten ten onrechte artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV ten grondslag gelegd aan de reactieve aanwijzing ten aanzien van de artikelen 3, lid 3.4, onder e, en 5, lid 5.3, onder e, van de planregels, zodat het besluit van het college van gedeputeerde staten in zoverre dient te worden vernietigd. Het betoog slaagt.

Overigens wijst de Afdeling erop dat het college van gedeputeerde staten ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat, voor zover artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV niet aan de reactieve aanwijzing ten grondslag zou kunnen worden gelegd, sprake is van nieuwe verstedelijking, die eveneens ingevolge de PRV is verboden. Hierop wordt hierna onder het kopje "Instandlating rechtsgevolgen" (21) ingegaan.

De wijzigingsbevoegdheid en ongewenste verstedelijking

10. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat de wijzigingsbevoegdheid van artikel 40, aanhef en onder d, van de planregels in strijd is met onder meer de artikelen 14, 15 en 17 van de PRV, waaruit naar voren komt dat nieuwe verstedelijking in beginsel niet is toegestaan.

11. Het college van burgemeester en wethouders kan zich niet met deze reactieve aanwijzing verenigen. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat eerst bij de reactieve aanwijzing is gewezen op de beperkte reikwijdte van artikel 17 van de PRV. In de zienswijze heeft het college van gedeputeerde staten hier niets over gesteld, aldus het college van burgemeester en wethouders.

11.1. Ingevolge artikel 2, onder kk, van de PRV wordt onder "verstedelijking" verstaan: ontwikkeling van functies die verband houden met […] bedrijvigheid […], voor zover de hiervoor genoemde functies het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in een nieuw bedrijventerrein […] in het landelijk gebied.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van de bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 2 van deze verordening, in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van deze verordening.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van de bestaande verstedelijking in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13 indien:

a. de noodzaak van verstedelijking als bedoeld in het eerste lid is aangetoond;

b. is aangetoond dat de beoogde verstedelijking niet door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd en;

c. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, voldoet een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe verstedelijking […] aan de uitgangspunten zoals vermeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie […] (hierna: de Leidraad) ten aanzien van:

a. de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen en aardkundige waarden als bedoeld in artikel 8;

b. de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur waaraan wordt gebouwd;

c. de openheid van het landschap daarbij begrepen de stilte en duisternis;

d. de historische structuurlijnen;

e. cultuurhistorische objecten.

Ingevolge het tweede lid geeft de toelichting van een bestemmingsplan aan in welke mate ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde functies rekening is gehouden met:

a. de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap;

b. de ordeningsprincipes van het landschap;

c. de bebouwingskarakteristieken (architectuur, stedenbouw, openbare ruimte) ter plaatse;

d. de inpassing van de nieuwe functies in de wijdere omgeving (grotere landschapseenheid);

e. de bestaande kwaliteiten van het gebied (inclusief de ondergrond) als hiervoor bedoeld en de maatregelen die nodig zijn om negatieve effecten op deze kwaliteiten op te heffen in relatie tot de nieuwe functies.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in de mogelijkheid dat de bestaande bebouwing op het voormalig agrarisch bouwperceel, inclusief de agrarische bedrijfswoning(en) en uitgezonderd kassen, wordt gebruikt voor kleinschalige vormen van bijzondere huisvestiging, werken, recreatie of zorgfuncties, indien:

a. sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf […].

11.2. Ingevolge artikel 40, aanhef en onder d, kan het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6, onder a, van de Wro de (dubbel)bestemming(en) "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" voor bestaande agrarische bedrijfsbebouwing binnen het agrarische bouwperceel wijzigen in de bestemming "Bedrijf" indien uit onderzoek blijkt dat naar objectieve maatstaven een zinvol gebruik ter plaatse overeenkomstig de bestemming niet meer mogelijk is en er geen dringende redenen zijn die zich tegen de bestemming "Bedrijf" verzetten.

Het college van burgemeester en wethouders wint ten aanzien van de aspecten "een zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming" en "dringende redenen" advies in van een onafhankelijk deskundige.

11.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8572), volgt uit artikel 3.8, vierde lid, van de Wro in samenhang gelezen met het zesde lid, dat een reactieve aanwijzing uitsluitend kan worden gegeven indien en voor zover het college van gedeputeerde staten met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan een zienswijze heeft ingediend en deze bij de vaststelling van het plan niet volledig is overgenomen of indien en voor zover de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college van gedeputeerde staten. Gelet hierop dient het college van gedeputeerde staten in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen.

11.4. In de zienswijze van het college van gedeputeerde staten is ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid vermeld dat daarmee sprake is van verstedelijking, hetgeen niet is toegestaan. Voorts is in de zienswijze vermeld dat artikel 17 van de PRV wel mogelijkheden biedt voor kleinschalige alternatieven, maar dat de regeling die in het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen hier niet aan voldoet; op voorhand kan volgens het college van gedeputeerde staten niet worden aangetoond dat de wijzigingsbevoegdheid voldoet aan onder andere de artikelen 12 en 15 van de PRV. Het had de raad, naar het oordeel van de Afdeling, gelet op deze zienswijze, duidelijk kunnen zijn dat het college van gedeputeerde staten de wijzigingsbevoegdheid in strijd zou achten met onder meer deze bepalingen van de PRV. De Afdeling overweegt in dit verband, onder verwijzing naar de uitspraak van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1268, dat het college van gedeputeerde staten niet is gehouden in de zienswijze op te nemen op welke wijze het plan exact dient te worden gewijzigd om in overeenstemming te zijn met de PRV. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in zoverre geen reactieve aanwijzing mocht geven. Het betoog faalt.

12. Voorts betoogt het college van burgemeester en wethouders dat het college van gedeputeerde staten niet heeft onderkend dat met de genoemde wijzigingsbevoegdheid leegstand van bedrijfsgebouwen bij voormalige agrarische bedrijven kan worden tegengegaan, waarmee kan worden ingespeeld op de gevolgen van schaalvergroting in de landbouw. Verder voert het college van burgemeester en wethouders aan dat het college van gedeputeerde staten in strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur heeft gehandeld, nu het geen reactieve aanwijzing heeft gegeven ten aanzien van artikel 6 van de planregels betreffende de bestemming "Bedrijf".

12.1. De Afdeling stelt vast dat met gebruikmaking van de genoemde wijzigingsbevoegdheid de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" voor bestaande agrarische bedrijfsbebouwing binnen het agrarische bouwperceel onder voorwaarden kunnen worden omgezet in de bestemming "Bedrijf", hetgeen de raad een wenselijke mogelijkheid acht met het oog op het tegengaan van leegstand. De Afdeling stelt vast dat de voorwaarden van artikel 14, tweede lid, van de PRV eveneens dienen om leegstand tegen te gaan. De Afdeling stelt echter tevens vast dat als gevolg van de categorale aard van de planregel na gebruik van de wijzigingsbevoegdheid alle soorten bedrijven in de categorieën 1 en 2 uit de "Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten" zijn toegestaan. Het is dan niet meer mogelijk om per locatie te beoordelen welk type bedrijvigheid, gelet op de omgeving, passend kan worden geacht en of de ruimtelijke kwaliteitseisen van artikel 15 van de PRV in acht worden genomen. Dit betekent dat het college van gedeputeerde staten terecht het standpunt heeft ingenomen dat de wijzigingsbevoegdheid van artikel 40, aanhef en onder d, van de planregels niet in overeenstemming is met de artikelen 14 en 15 van de PRV. Nu dit standpunt reeds de reactieve aanwijzing ten aanzien van deze wijzigingsbevoegdheid kan dragen, laat de Afdeling buiten beschouwing of artikel 12 van de PRV - dat op een bedrijventerrein ziet - ook aan de reactieve aanwijzing ten grondslag mocht worden gelegd. Het betoog faalt.

12.2. Het college van burgemeester en wethouders heeft toegelicht dat de toekenning van de bestemming "Bedrijf" op grond van artikel 6 van de planregels betrekking heeft op in totaal 6,6 hectare aan gronden.

Door artikel 6 niet met een reactieve aanwijzing te treffen, worden gelijke gevallen ongelijk behandeld, aldus het college van burgemeester en wethouders.

De Afdeling overweegt dat binnen de bestemming "Bedrijf" onder meer nieuwe bedrijven zijn toegestaan. Ter zitting is gebleken dat het college van gedeputeerde staten over het hoofd heeft gezien dat op gronden waarvoor deze bestemming geldt mogelijk sprake is van nieuwe verstedelijking, die ingevolge de PRV in beginsel niet is toegestaan.

De Afdeling overweegt dat, indien het college van gedeputeerde staten gebruik maakt van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing, het daarbij onder meer het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur in acht moet nemen. Voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in dit geval het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, zoals het college van burgemeester en wethouders betoogt, bestaat evenwel geen grond. Het gelijkheidsbeginsel brengt niet met zich dat het college van gedeputeerde staten vanwege de door het college van burgemeester en wethouders aangevoerde omstandigheid dat het andere situaties van nieuwe verstedelijking over het hoofd heeft gezien, niet meer aan de reactieve aanwijzing voor artikel 40, aanhef en onder d, van de planregels ten grondslag mag leggen dat sprake is van in beginsel verboden nieuwe verstedelijking. Onder deze omstandigheden doet zich evenmin een schending voor van het verbod van willekeur. Het betoog faalt.

Planregeling voor zes percelen

13. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat met de toekenning van de bestemming "Bedrijf" aan de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5] en [locatie 6] sprake is van nieuwe verstedelijking, hetgeen zich in beginsel niet verdraagt met de PRV.

14. Het college van burgemeester en wethouders kan zich niet verenigen met de reactieve aanwijzing voor deze percelen.

[appellant sub 8] en anderen zijn eigenaren van onder meer de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 5] te Heerhugowaard en kunnen zich niet verenigen met de reactieve aanwijzing voor hun percelen. [appellant sub 7] kan zich niet verenigen met de reactieve aanwijzing voor zijn perceel [locatie 6].

15. [appellant sub 7] betoogt dat zijn opstallen, die thans voor stille opslag gebruikt worden, behouden moet blijven. [appellant sub 8] en anderen voeren aan dat op hun percelen kleinschalige, stille opslag plaatsvindt die geen overlast veroorzaakt. Zij zien niet in dat de goede ruimtelijke ordening zich daartegen verzet. Volgens het college van burgemeester en wethouders, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] en anderen heeft het college van gedeputeerde staten in strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur gehandeld. Daarbij wijzen zij erop dat geen reactieve aanwijzing is gegeven ten aanzien van artikel 6 van de planregels, terwijl wel een reactieve aanwijzing is gegeven ten aanzien van de genoemde percelen. [appellant sub 7] wijst er daarbij op dat in de omgeving van het perceel [locatie 6] allerlei bedrijfsmatige functies zijn toegestaan, zoals onder meer een [bedrijf]]. [appellant sub 8] en anderen wijzen erop dat ook voor artikel 7 van de planregels, betreffende de bestemming "Bedrijf - 1", en artikel 8 van de planregels, betreffende de bestemming "Bedrijf - 2", geen reactieve aanwijzing is gegeven.

15.1. Niet in geschil is dat de aan de orde zijnde percelen liggen in het landelijk gebied, zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de PRV.

De Afdeling stelt aan de hand van "Bijlage 1 Bedrijvenlijst" vast dat op de aan de orde zijnde percelen stille opslag plaatsvindt. Dit gebruik is toegestaan binnen de bestemming "Bedrijf". Daarnaast zijn binnen die bestemming echter ook bedrijven in de categorieën 1 en 2 zoals opgenomen in de "Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten" toegestaan. In het bestemmingsplan is niet ingegaan op de vraag of ten aanzien van alle soorten toegestane bedrijvigheid is voldaan aan de ruimtelijke kwaliteitseisen van artikel 15 van de PRV. De Afdeling overweegt, met verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 12.1 is overwogen, dat het college van gedeputeerde staten de planregeling voor deze percelen terecht niet in overeenstemming heeft geacht met de artikelen 14 en 15 van de PRV. Het betoog faalt.

15.2. Zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, zijn op gronden waaraan de bestemming "Bedrijf" is toegekend bedrijven in de categorieën 1 en 2 uit de "Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten" toegestaan. Die bestemming is onder meer toegekend aan het perceel waarop het door [appellant sub 7] genoemde [bedrijf]] is gevestigd. Op gronden waaraan de bestemming "Bedrijf - 1" is toegekend is ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels een verkooppunt voor motorbrandstoffen inclusief LPG toegestaan.

Op gronden waaraan de bestemming "Bedrijf - 2" is toegekend is ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels een gasontvangstation toegestaan.

De Afdeling overweegt dat voor zover met de toekenning van de genoemde bedrijfsbestemmingen bestaande legale bedrijven als zodanig zijn bestemd, van nieuwe verstedelijking, anders dan ten aanzien van de thans aan de orde zijnde percelen, geen sprake is. In zoverre doet zich derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur voor.

Verder overweegt de Afdeling dat binnen de bestemming "Bedrijf" onder meer nieuwe bedrijven zijn toegestaan. Ter zitting is gebleken dat voor de meeste van de aan de orde zijnde percelen de planregeling bij het vastgestelde plan is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, hetgeen het college van gedeputeerde staten aanleiding heeft gegeven een reactieve aanwijzing te geven. Ter zitting is verder gebleken dat het college van gedeputeerde staten over het hoofd heeft gezien dat op gronden waar het ontwerpplan reeds in een bedrijfsbestemming voorzag mogelijk ook sprake is van nieuwe verstedelijking, die ingevolge de PRV in beginsel niet is toegestaan.

De Afdeling overweegt dat, indien het college van gedeputeerde staten gebruik maakt van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing, het daarbij onder meer het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur in acht moet nemen. Voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in dit geval het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, zoals het college van burgemeester en wethouders betoogt, bestaat evenwel geen grond. Het gelijkheidsbeginsel brengt niet met zich dat het college van gedeputeerde staten vanwege de omstandigheid dat het andere situaties van nieuwe verstedelijking over het hoofd heeft gezien, niet meer aan de reactieve aanwijzing voor de thans aan de orde zijnde percelen ten grondslag mag leggen dat sprake is van in beginsel verboden nieuwe verstedelijking. Onder deze omstandigheden doet zich evenmin een schending voor van het verbod van willekeur. Het betoog faalt.

Glastuinbouwconcentratiegebied

[locatie 1] en [locatie 2]

16. Aan de reactieve aanwijzing ten aanzien van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Heerhugowaard heeft het college van gedeputeerde staten, zoals hiervoor vermeld, ten grondslag gelegd dat met toekenning van de bestemming "Bedrijf" aan deze percelen sprake is van nieuwe verstedelijking hetgeen zich niet verdraagt met de PRV. Daarnaast heeft het college van gedeputeerde staten aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat deze percelen liggen in het glastuinbouwconcentratiegebied, als bedoeld in artikel 26c, eerste lid, van de PRV. Volgens het college van gedeputeerde staten leidt de planregeling voor deze percelen ertoe dat de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven onmogelijk wordt gemaakt, hetgeen in strijd is met artikel 26c, derde lid, van de PRV.

16.1. Aan een deel van het perceel [locatie 1] is de bestemming "Wonen" toegekend en aan een ander deel van dat perceel is de bestemming "Bedrijf" toegekend. De gronden met de bestemming "Wonen" liggen direct langs de Middenweg en de gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn voor het merendeel achter de gronden met de bestemming "Wonen" gesitueerd. Aan een deel van het perceel [locatie 2] is de bestemming "Wonen" toegekend en aan een ander deel van dat perceel is de bestemming "Bedrijf" toegekend. De gronden met de bestemming "Wonen" liggen direct langs de Stationslaan en de gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn achter de gronden met de bestemming "Bedrijf" gesitueerd.

17. Ingevolge artikel 26c, eerste lid, van de PRV bevat een bestemmingsplan uitsluitend bestemmingen of regels die voorzien in nieuwe glastuinbouwbedrijven in een glastuinbouwconcentratiegebied, zoals aangegeven op kaart 7 en de digitale verbeelding ervan.

Ingevolge artikel 26c, derde lid, maakt een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een glastuinbouwconcentratiegebied de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven en de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven in deze gebieden niet onmogelijk.

18. [appellant sub 8] en anderen hebben ter zitting hun betoog dat de vaststelling van een glastuinbouwconcentratiegebied in strijd is met artikel 3.1.6, tweede en derde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening ingetrokken.

19. [appellant sub 8] en anderen en het college van burgemeester en wethouders betogen dat ten onrechte artikel 26c, derde lid, van de PRV ten grondslag is gelegd aan de reactieve aanwijzing ten aanzien van de percelen [locatie 1] en [locatie 2]. Volgens [appellant sub 8] en anderen is op de kaarten uit het rapport van Grontmij te zien dat zowel in de huidige als toekomstige situatie de kassenbouw niet in de buurt komt van de percelen aan de Middenweg. In het licht hiervan biedt artikel 26c, derde lid, van de PRV volgens [appellant sub 8] en anderen te veel ruimte voor glastuinbouw, hetgeen niet van een goede ruimtelijke ordening getuigt. Het college van burgemeester en wethouders voert aan dat het gebied achter de lintbebouwing aan de Middenweg momenteel niet voor glastuinbouw in gebruik is, omdat dat gebied moeilijk te ontsluiten is. Het college van burgemeester en wethouders voert verder aan dat het perceel [locatie 2] geen deel uitmaakt van het glastuinbouwconcentratiegebied.

19.1. De Afdeling ziet aanleiding in het midden te laten of het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt mocht stellen dat de planregeling voor de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in strijd is met artikel 26c, derde lid, van de PRV. De Afdeling overweegt daartoe dat het standpunt van het college van gedeputeerde staten dat de planregeling voor de percelen [locatie 2] en [locatie 1] in strijd is met de artikelen 14 en 15 van de PRV de toetsing in rechte kan doorstaan, gelet op hetgeen hiervoor in overweging 13 tot en met 15.2 is overwogen. Dit standpunt kan de reactieve aanwijzing ten aanzien van de planregeling voor de percelen Middenweg 571 en [locatie 2] reeds dragen. De betogen leiden reeds daarom niet tot het ermee beoogde doel en behoeven derhalve geen inhoudelijke bespreking.

Conclusie beroepen tegen reactieve aanwijzing

20. De beroepen van [appellant sub 7] en [appellant sub 8] en anderen zijn ongegrond. Aan het besluit tot het geven van een reactieve aanwijzing, voor zover het ziet op de artikelen 3, lid 3.4, onder e, 5, lid 5.3, onder e, en 21, lid 21.2.5, onder a, van de planregels, is ten onrechte artikel 26, eerste lid, onder a, van de PRV ten grondslag gelegd. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders is gegrond en het besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling zal hierna, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.4 met betrekking tot paardenbakken en rechtsoverweging 9.2 met betrekking tot schuilstallen, beoordelen of de rechtsgevolgen van dat besluit in zoverre in stand kunnen worden gelaten.

Instandlating rechtsgevolgen

21. Niet in geschil is dat de gronden, waar de afwijkingsbevoegdheden van de artikelen 3, lid 3.4, onder e, 5, lid 5.3, onder e, en 21, lid 21.2.5, onder a, van de planregels voor de bouw van een dierenverblijf onderscheidenlijk bouwwerken geen gebouwen zijnde voor het houden van paarden op zien, zijn gelegen in landelijk gebied, zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de PRV. Naar het oordeel van de Afdeling vallen paardenbakken en schuilstallen onder "voorzieningen" in de zin van artikel 2, onder kk, van de PRV. Bij dat oordeel betrekt de Afdeling dat dergelijke bebouwing de openheid van het landelijk gebied negatief kan beïnvloeden en dat uit de toelichting op artikel 14 van de PRV naar voren komt dat de provincie op dergelijke ontwikkelingen wil kunnen sturen. Nu de genoemde afwijkingsbevoegdheden dergelijke bebouwing in het landelijk gebied mogelijk maken, is naar het oordeel van de Afdeling sprake van nieuwe verstedelijking, hetgeen in strijd is met artikel 14, eerste lid, van de PRV.

Nu niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in artikel 14, tweede lid, zijn opgenomen voor het afwijken van het verbod uit het eerste lid, heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat de genoemde afwijkingsbevoegdheden in strijd zijn met artikel 14 van de PRV. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van het college van gedeputeerde staten tot het geven van de reactieve aanwijzing ten aanzien van de artikelen 3, lid 3.4, onder e, 5, lid 5.3, onder e, en 21, lid 21.2.5, onder a, van de planregels in stand te laten. Dit betekent dat de reactieve aanwijzing in zoverre van kracht blijft.

Proceskosten beroepen tegen reactieve aanwijzing

22. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 7] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Ten aanzien van het beroep van het college van burgemeester en wethouders is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Het bestemmingsplan

23. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

24. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de gemeente Heerhugowaard.

Het beroep van [appellant sub 7]

25. [appellant sub 7] kan zich niet verenigen met de planregeling voor zijn perceel [locatie 6] te Heerhugowaard.

25.1. De Afdeling stelt vast dat de planregeling voor het perceel [locatie 6] door de reactieve aanwijzing is getroffen. Een reactieve aanwijzing die op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wro wordt gegeven met betrekking tot een onderdeel van het bestemmingsplan heeft tot gevolg dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Dit betekent dat het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan niet kon worden bekendgemaakt en dat de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift met betrekking tot dat onderdeel van het bestemmingsplan geen aanvang heeft genomen. Het beroep van [appellant sub 7] tegen bedoeld planonderdeel is derhalve ingediend terwijl de beroepstermijn niet was aangevangen. De Afdeling overweegt dat, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:10, tweede lid, van de Awb (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 129), voor aanhouden van een dergelijk prematuur ingediend beroep aanleiding kan bestaan, indien zeker is dat de bekendmaking van het besluit binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden, waarmee de termijn voor het instellen van het beroep een aanvang zal nemen. In dit geval doet die situatie zich echter niet voor. Daartoe is van belang dat de reactieve aanwijzing met deze uitspraak in zoverre het dit planonderdeel betreft in rechte onaantastbaar wordt, zodat de bekendmaking van het bestreden planonderdeel niet zal plaatsvinden. Gelet hierop zal de beroepstermijn ook niet gaan aanvangen voor bedoeld planonderdeel.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellanten sub 6]

26. De raad stelt dat het beroep van [appellanten sub 6], voor zover ingesteld door [appellant sub 6B], niet-ontvankelijk is, omdat [appellant sub 6B] geen zienswijze heeft ingediend.

26.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 6B] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Dat [appellant sub 6B] een reactie op het voorontwerp heeft ingediend, ontslaat hem niet van de plicht een zienswijze naar voren te brengen. Voorts is gesteld noch gebleken dat [appellant sub 6B] door de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren.

Het beroep van [appellanten sub 6], voor zover ingesteld door [appellant sub 6B], is, zoals de raad terecht heeft aangevoerd, niet-ontvankelijk.

27. De raad stelt dat het beroep van [appellanten sub 6], voor zover ingesteld door [appellant sub 6A] en voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer", betreffende gronden achter de percelen aan de Veenhuizerweg, niet-ontvankelijk is, omdat dit plandeel in de zienswijze niet is bestreden.

27.1. De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellanten sub 6], voor zover ingesteld door [appellant sub 6A] en voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer", niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellanten sub 6], voor zover ingesteld door [appellant sub 6A] en voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer", is, zoals de raad terecht heeft aangevoerd, niet-ontvankelijk.

28. [appellant sub 6A] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch", voor zover het betreft het perceel [locatie 7]. [appellant sub 6A] betoogt dat, nu het bouwvlak strak om het daar aanwezige bedrijfsgebouw is gelegd, er geen ruimte is voor uitbreiding, hetgeen zijn toekomstige bedrijfsvoering kan schaden. Volgens hem had de raad hier een groter bouwvlak moeten opnemen.

28.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de omvang van het bouwvlak is afgestemd op de bestaande situatie en dat geen aanleiding bestond een groter bouwvlak op te nemen. De Afdeling ziet in het summiere betoog van [appellant sub 6A] geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij betrekt de Afdeling dat niet is gebleken van concrete uitbreidingsplannen die de raad bij de besluitvorming had dienen te betrekken. Het betoog faalt.

29. Het beroep van [appellanten sub 6], voor zover ingesteld door [appellant sub 6A] en voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" betreffende het perceel [locatie 7], is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

30. [appellant sub 1] exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 8] te Heerhugowaard en betoogt dat het plan ten onrechte geen glastuinbouw toestaat op een afstand van 200 m tot de lintbebouwing aan de Middenweg, waardoor de uitbreidingsmogelijkheden van zijn glastuinbouwbedrijf worden beperkt. Volgens [appellant sub 1] dient maatwerk te worden geboden en zou deze afstand moeten worden verkleind tot 110 m. Daarbij wijst [appellant sub 1] erop dat de gronden waar hij uitbreiding van zijn glastuinbouwbedrijf beoogt, liggen in het glastuinbouwconcentratiegebied, als bedoeld in artikel 26c, eerste lid, van de PRV, en dat de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in deze gebieden ingevolge artikel 26c, derde lid, van de PRV niet onmogelijk mag worden gemaakt. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat binnen de bufferzone van 200 m twee grote agrarische bouwvlakken zijn gelegen, waarmee bij gebruikmaking van de bouwmogelijkheden reeds een inbreuk kan worden gemaakt op de bufferzone. Daarbij wijst hij op de uitspraken van de Afdeling van 2 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF6728 en 9 november 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5858. Volgens [appellant sub 1] heeft de raad, evenals in de laatstgenoemde zaak, geen deugdelijke motivering gegeven voor de bufferzone van 200 m.

30.1. Ingevolge artikel 26c, eerste lid, van de PRV bevat een bestemmingsplan uitsluitend bestemmingen of regels die voorzien in nieuwe glastuinbouwbedrijven in een glastuinbouwconcentratiegebied, zoals aangegeven op kaart 7 en de digitale verbeelding ervan.

Ingevolge artikel 26c, derde lid, maakt een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een glastuinbouwconcentratiegebied de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven en de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven in deze gebieden niet onmogelijk.

30.2. Niet in geschil is dat de gronden deel uitmaken van een glastuinbouwconcentratiegebied, als bedoeld in artikel 26c, eerste lid, van de PRV.

30.3. In het plan is aan deze gronden de bestemming "Agrarisch - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - 1" aangewezen gronden bestemd voor de exploitatie van het volwaardig glastuinbouwbedrijf.

Ingevolge lid 4.2.2 gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van het volwaardig glastuinbouwbedrijf en kassen binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak de volgende regels:

i. de bouwhoogte van een kas mag niet meer dan 10 m bedragen.

De Afdeling stelt vast dat, gelet op de ligging van de functieaanduiding "bouwvlak" op de verbeelding en gezien artikel 4, lid 4.2.2, van de planregels, het plan voorziet in een zone van 200 m vanaf de Middenweg waarbinnen geen kassen zijn toegestaan.

30.4. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] zijn glastuinbouwbedrijf wenst uit te breiden in de richting van de Middenweg. [appellant sub 1] heeft aangegeven dat uitbreiding noodzakelijk is en landschappelijk zal worden ingepast met groenblijvende beplanting. Vast staat dat de bufferzone van 200 m de mogelijkheden tot uitbreiding van het bedrijf beperkt. De Afdeling stelt verder vast dat binnen de bufferzone twee grote agrarische bouwvlakken aanwezig zijn, waaronder één van [appellant sub 1], die thans weliswaar onbebouwd zijn, maar waar kassen ten behoeve van teeltondersteuning planologisch zijn toegestaan.

30.5. De raad heeft eerder, bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998", een bufferzone van 250 m gehanteerd tussen de lintbebouwing aan de Middenweg en de glastuinbouw in het zogenoemde Altongebied. Het college van gedeputeerde staten heeft bij besluit van 21 augustus 2001 aan dat plan voor de desbetreffende gronden goedkeuring onthouden (hierna: het besluit tot onthouding goedkeuring). Aan het besluit tot onthouding goedkeuring heeft het college van gedeputeerde staten onder meer ten grondslag gelegd dat het Altongebied in het streekplan is aangewezen als concentratiegebied voor glastuinbouw. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten onder meer in aanmerking genomen dat binnen de zone van 250 m twee zeer aanzienlijke agrarische bouwpercelen voorkomen. Volgens het college van gedeputeerde staten diende de raad nader te overwegen hoe en tot op welke afstand tot de Middenweg dit gebied voor glastuinbouw kan worden bestemd. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 april 2003, die [appellant sub 1] heeft genoemd, geoordeeld dat het college van gedeputeerde staten in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Hierbij heeft de Afdeling in ogenschouw genomen dat binnen de bufferzone twee agrarische bouwpercelen zijn toegekend met een omvang van respectievelijk ongeveer 1,3 en 1,5 ha en dat de gronden behoren tot een concentratiegebied voor glastuinbouw.

Vervolgens heeft de raad bij besluit van 25 mei 2004 het bestemmingsplan "Buitengebied, 1e partiële herziening" vastgesteld, waarin een verkleining van de bufferzone tot 200 m is opgenomen. Het college van gedeputeerde staten heeft het desbetreffende plandeel bij besluit van 21 december 2004 goedgekeurd (hierna: het goedkeuringsbesluit). De Afdeling heeft het goedkeuringsbesluit op dit punt echter vernietigd in de uitspraak van 9 november 2005, die [appellant sub 1] ook heeft genoemd. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat het college van gedeputeerde staten niet inzichtelijk had gemaakt om welke redenen de door de raad gemaakte afweging thans wel past binnen de overwegingen van het besluit tot onthouding goedkeuring. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat niet is gebleken van gewijzigde feiten en omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit tot onthouding goedkeuring. De Afdeling is er dan ook vanuit gegaan dat onder meer de overwegingen inzake het provinciale beleid en de situatie ter plaatse wat betreft de aanwezigheid van de bouwvlakken niet verschillen ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit tot onthouding goedkeuring.

30.6. In het thans voorliggende bestemmingsplan heeft de raad, net als in het plan dat aan de orde was in de uitspraak van 9 november 2005, een bufferzone van 200 m opgenomen. De raad heeft daartoe toegelicht dat die bufferzone de zelfstandige landschappelijke eenheid van de lintbebouwing aan de Middenweg garandeert en voorkomt dat de lintstructuur en de glastuinbouw gaan samensmelten. De raad acht het niet wenselijk dat de bufferzone wordt verkleind, omdat glastuinbouw zich dan nadrukkelijker in de lintstructuur zal manifesteren. Daarbij dreigt, volgens de raad, verrommeling omdat door de beperkte afmetingen van de bufferzone agrarisch gebruik minder interessant zal zijn en in dat geval verwacht de raad dat ongewenst gebruik zal toenemen. Ten aanzien van de twee bestaande bouwvlakken, waarmee bij gebruikmaking van de bouwmogelijkheden een inbreuk op de bufferzone wordt gemaakt, heeft de raad gesteld dat hier slechts kassen gebouwd mogen worden ten behoeve van teeltondersteuning. Dat maakt de invulling van de bouwvlakken, voor zover van die mogelijkheid al gebruik gemaakt wordt, essentieel anders dan een mogelijke invulling met kassen ten behoeve van permanente glastuinbouw, aldus de raad. Voorts heeft de raad gesteld dat een verdere inbreuk op de bufferzone moet worden voorkomen.

30.7. De Afdeling stelt vast dat met artikel 26c, eerste lid, van de PRV wordt beoogd om een ongebreidelde uitbreiding van glastuinbouw in het landelijk gebied tegen te gaan. Glastuinbouw dient daarom ingevolge dat artikellid geconcentreerd te worden in een daarvoor aangewezen gebied.

Het derde lid van artikel 26c bepaalt dat de vestiging van glastuinbouwbedrijven dan wel uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven in een dergelijk gebied niet onmogelijk wordt gemaakt. Het derde lid van artikel 26c van de PRV waarborgt derhalve dat er binnen het gebied dat in het eerste lid is aangewezen ruimte is voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven dan wel voor uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven. Daaruit volgt naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat een bestemmingsplan op alle gronden binnen een dergelijk gebied glastuinbouw mogelijk moet maken. De Afdeling verwijst hierbij naar de uitspraak van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3554 waarin over een vergelijkbare bepaling in een provinciale verordening over een bollenconcentratiegebied tot eenzelfde uitleg is gekomen. Dit betekent dat artikel 26c, derde lid, van de PRV niet in de weg staat aan een zekere bufferzone tussen de lintbebouwing aan de Middenweg en de glastuinbouw in het zogenoemde Altongebied, hetgeen [appellant sub 1] overigens ook niet heeft bestreden. Daarbij merkt de Afdeling op dat een bufferzone in dit geval niet met zich brengt dat er in het aan de orde zijnde glastuinbouwconcentratiegebied niet of nauwelijks ruimte meer is voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven dan wel voor uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de raad voor een bufferzone van 200 m mocht kiezen.

30.8. De Afdeling overweegt hieromtrent dat de gronden in een glastuinbouwconcentratiegebied liggen en dat er twee grote agrarische bouwvlakken binnen de bufferzone aanwezig zijn. Dat, zoals de raad heeft gesteld, hier slechts kassen gebouwd mogen worden ten behoeve van teeltondersteuning, laat onverlet dat er hier bebouwing mag komen waarmee een grote inbreuk wordt gemaakt op de bufferzone. Onder deze omstandigheden is de Afdeling, mede in het licht van de uitspraak van 9 november 2005, van oordeel dat de raad de keuze voor een bufferzone van 200 m onvoldoende heeft gemotiveerd. De stelling van de raad dat een verkleining van de bufferzone leidt tot een toename van ongewenst gebruik, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe wordt overwogen dat het toegestane gebruik van de gronden in het bestemmingsplan kan worden geregeld en dat handhavend kan worden opgetreden indien de gronden niet in overeenstemming met het plan worden gebruikt. Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

31. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

32. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het in de overweging 30.8 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen twintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak te herstellen.

De Afdeling overweegt dat de raad met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 30.8 het besluit dient te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, waarbij de bufferzone wordt verkleind. De raad zal daarbij moeten bezien of een bufferzone van 110 m, als door [appellant sub 1] gewenst, kan worden opgenomen, dan wel aanleiding bestaat om te voorzien in een bufferzone van een andere omvang. De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst van de uitvoering van voormelde opdracht mede te delen en de raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Hierbij behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 2]

33. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 9] te Heerhugowaard en kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 1", voor zover het betreft 400 m² aan gronden direct achter zijn woning. [appellant sub 2] wenst dat de bestemming "Wonen" aan deze gronden wordt toegekend, vanwege de bij die bestemming behorende bouwmogelijkheden, zoals voor bijbehorende bouwwerken. Daartoe voert hij aan dat, vanwege de ligging van de gronden in een hoek, een glastuinbouwbedrijf hier niet realiseerbaar is en dat bebouwing ter plaatse geen belemmering zou betekenen voor de bedrijfsvoering van het dichtstbijzijnde glastuinbouwbedrijf, zodat er in zoverre geen beletsel is voor het toestaan van bouwmogelijkheden. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat de raad ten onrechte stelt dat bouwmogelijkheden ter plaatse bijdragen aan de zogenoemde "rafelrand". [appellant sub 2] wijst daarbij op een motie, die de raad op 17 februari 2015 heeft aangenomen, waaruit naar voren komt dat de term "rafelrand" niet duidelijk is. Verder voert [appellant sub 2] aan dat direct ten noorden en ten zuiden van zijn perceel reeds bebouwing aanwezig is en dat de raad op het perceel Kerkweg 4 wel bouwmogelijkheden toestaat.

33.1. In het plan is aan deze gronden de bestemming "Agrarisch - 1" toegekend. Het plan voorziet voor deze gronden niet in een burgerwoning en in het verlengde daarvan evenmin in bij een burgerwoning behorende bouwwerken. Ter zitting heeft [appellant sub 2] gesteld dat hij deze gronden in het verleden van zijn buurman heeft gekocht en dat hij hier een schuur wenst te realiseren.

33.2. De Afdeling overweegt dat de omstandigheden dat op deze gronden geen glastuinbouwbedrijf realiseerbaar zou zijn en dat bebouwing ter plaatse geen belemmering zou betekenen voor de bedrijfsvoering van het dichtstbijzijnde glastuinbouwbedrijf, wat daar overigens ook van zij, niet reeds met zich brengen dat de raad ter plaatse moest voorzien in een woonbestemming met de daarbij behorende bouwmogelijkheden. Daartoe is van belang dat, zoals de raad heeft toegelicht, dergelijke bouwmogelijkheden leiden tot verstening van het buitengebied. De Afdeling overweegt, voor zover [appellant sub 2] met verwijzing naar eerdergenoemde motie heeft aangevoerd dat de term "rafelrand" niet duidelijk is, dat dit onverlet laat dat de raad als uitgangspunt hanteert dat verstening van het buitengebied wordt tegengegaan. Gelet op de door de raad gegeven toelichting hiervoor, namelijk dat een leefbaar buitengebied behouden moet blijven en een aantasting of ontsiering van het daar aanwezige landschap voorkomen moet worden, acht de Afdeling dit uitgangspunt niet onredelijk. De Afdeling ziet voorts in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval niet aan dit uitgangspunt heeft mogen vasthouden. Daarbij is van belang dat op deze gronden geen bebouwing is gerealiseerd en voorts dat [appellant sub 2] niet heeft gesteld dat hij daar bestaande bouwrechten heeft. In dit opzicht verschilt de situatie op deze gronden met de situatie in de directe omgeving ervan, reeds omdat daar wel sprake is van bestaande bebouwing. Verder wordt over de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met het perceel Kerkweg 4 overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat aan de zijkant van dat perceel bouwmogelijkheden zijn vervallen. De raad heeft aanleiding gezien, bij wijze van compensatie voor het vervallen van die bouwmogelijkheden, ten aanzien van een andere zijde van dat perceel enige verstening toe te staan, hetgeen volgens de raad daar per saldo tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering leidt. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hem genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

34. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 4]

35. [appellante sub 4] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden", betreffende haar perceel [locatie 10] in Heerhugowaard, nu daarmee een paardenbak van ongeveer 843 m², een stal van ongeveer 30 m², een kantine, omkleed- en doucheruimte van ongeveer 70 m² en een schuur van ongeveer 154 m², die op dit perceel aanwezig zijn, niet als zodanig zijn bestemd.

Volgens [appellante sub 4] is dit in strijd met de doelstelling van het plan om de planologische situatie in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik. Daarbij wijst zij erop dat de paardenbak in het kader van een procedure over een beschikking ingevolge de Wet Onroerende Zaken (hierna: WOZ) als bestaande legale situatie is beschouwd. [appellante sub 4] voert verder aan dat de paardenbak eind 1999 is gerealiseerd en daar was volgens haar destijds geen bouwvergunning voor nodig. Verder voert [appellante sub 4] aan dat de stal en kantine vorig jaar zijn gerealiseerd en dat dit op grond van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) omgevingsvergunningvrij mocht. [appellante sub 4] wijst erop dat het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard aan haar vader bij besluit van 27 september 1999 een bouwvergunning voor de schuur heeft verleend. Het gemeentebestuur zou, als het gebruik van de schuur in strijd zou zijn met deze bouwvergunning en het bestemmingsplan, daartegen handhavend kunnen optreden, maar dat is nog geen reden om de legaal aanwezige schuur niet als zodanig te bestemmen, aldus [appellante sub 4].

35.1. Aan het perceel is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van het grondgebonden volwaardig, reëel of in deeltijd uitgeoefend agrarisch bedrijf. Aan dit perceel is geen bouwvlak toegekend. De Afdeling stelt vast dat de genoemde paardenbak, stal, kantine en schuur niet als zodanig zijn bestemd.

35.2. Gebleken is dat [appellante sub 4] het perceel heeft verworven na het overlijden van haar vader in 2014. Zij houdt ter plaatse hobbymatig paarden en gebruikt de opstallen ten behoeve van de training van paarden. Haar man oefent in de directe omgeving van het perceel een agrarisch bedrijf uit en heeft het perceel gehuurd. [appellante sub 4] heeft gesteld dat voornamelijk haar man de schuur gebruikt voor het bedrijfsmatig houden van schapen en zijzelf ook voor het houden van paarden.

De paardenbak

36. De paardenbak is een omheind stuk grond met zand dat grenst aan de eerdergenoemde schuur. Rondom de paardenbak staan lantaarnpalen. De paardenbak is eind 1999 gerealiseerd. [appellante sub 4] heeft weliswaar gesteld dat voor de paardenbak ten tijde van de oprichting ervan een bouwvergunning niet was vereist, maar zij heeft dit met een enkele verwijzing naar gemeentelijk beleid niet aangetoond. De Afdeling overweegt hieromtrent dat het vereiste om over een bouwvergunning te beschikken destijds uit de Woningwet (oud) volgde. De Afdeling stelt dan ook vast dat de paardenbak een illegaal opgericht bouwwerk is. In dit verband wordt tevens overwogen dat uit de stukken, die [appellante sub 4] heeft ingebracht over een procedure inzake de vaststelling van de WOZ-waarde voor de paardenbak, niet blijkt dat het gemeentebestuur uitlatingen heeft gedaan over de vraag of de paardenbak al dan niet legaal is, nog daargelaten de vraag of [appellante sub 4] aan dergelijke uitlatingen gerechtvaardigde verwachtingen voor de onderhavige procedure kan ontlenen.

De enkele omstandigheid dat de illegaal opgerichte paardenbak reeds lange tijd aanwezig is, rechtvaardigt op zichzelf niet dat deze als zodanig wordt bestemd. De Afdeling overweegt daartoe, onder verwijzing naar de uitspraak van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2125, dat een zonder de vereiste bouwvergunning opgericht bouwwerk een illegaal bouwwerk is en blijft. Dit is niet anders als het bouwovergangsrecht van toepassing zou zijn. De raad hoeft in beginsel voor dergelijke illegale bouwwerken geen regeling in het plan op te nemen, nu geen sprake is van verkregen rechten. Een dergelijke bestemming is slechts gerechtvaardigd voor zover daartegen vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen bezwaren bestaan.

De raad heeft ten aanzien van de stelling van [appellante sub 4] dat de doelstelling van het plan is dat de planologische situatie in overeenstemming wordt gebracht met het feitelijke gebruik, toegelicht dat het niet de bedoeling is geweest om met het plan illegale situaties te legaliseren. Voorts heeft de raad toegelicht dat een paardenbak ter plaatse uit ruimtelijk oogpunt niet wenselijk is, vanwege de landschappelijke waarde van de gronden. Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de paardenbak niet als zodanig hoeft te worden bestemd. Daarbij heeft de raad, naar het oordeel van de Afdeling, terecht in aanmerking genomen dat bij de verplichte WOZ-taxatie en de aanslag roerende zaken, grond en bebouwing niet wordt gekeken naar de planologisch-juridische situatie, zodat aan de WOZ-aanslag in dit verband niet de betekenis kan worden toegekend die [appellante sub 4] eraan toegekend wenst te zien. De Afdeling ziet hiervoor steun in haar uitspraak van 24 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL5321. Het betoog faalt.

De schuur

37. In de aanvraag, waarop het eerdergenoemde besluit van 27 september 1999 ziet, wordt verzocht om een bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een schuur voor het opslaan van kisten met aardappels en kool en om de schapen te laten lopen en grazen als onderkomen bij slechte weersomstandigheden.

Bij het genoemde besluit van 27 september 1999 is een bouwvergunning verleend overeenkomstig het bij dat besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte bouwplan, en conform de bij dit besluit behorende bijlage met voorschriften en nadere eisen. De Afdeling stelt vast dat het vergunde gebruik van de schuur bestaat uit machineberging en kistenopslag.

37.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 21 mei 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF8985, is een rechtsgeldige bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) een bestaand recht waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan worden gegaan. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3058, laat de verlening van een bouwvergunning onverlet dat, indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij een nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, aanleiding kan bestaan een bestemmingsplan niet in overeenstemming met een verleende bouwvergunning vast te stellen.

De Afdeling stelt vast dat de raad bezwaar heeft tegen het gebruik dat van de schuur wordt gemaakt, voor zover dat niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan dan wel met het gebruik dat met de bouwvergunning is vergund. Niet is evenwel gebleken dat de raad tegen de schuur als zodanig planologische bezwaren heeft. Gelet hierop heeft de raad bij het vaststellen van het plan niet althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, voorbij kunnen gaan aan de verleende bouwvergunning. Gelet op het voorgaande is het plan in zoverre dan ook in strijd met de eisen van zorgvuldigheid en rechtszekerheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

38. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het in de vorige overweging geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen twintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak te herstellen.

De raad dient daartoe een nieuw besluit te nemen waarbij de schuur op het perceel van [appellante sub 4] alsnog als zodanig wordt bestemd.

De raad dient bij het nieuw te nemen besluit tevens te beslissen welk gebruik in de schuur wordt toegestaan, waarbij zij mede dient in te gaan op de vraag of, zoals [appellante sub 4] wenst, in de schuur het hobbymatig houden van paarden kan worden toegestaan. De raad kan in het verlengde hiervan tevens ingaan op de vraag of de stal en de kantine in het plan moeten worden opgenomen. De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst van de uitvoering van voormelde opdracht mede te delen en de raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Hierbij behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

De stal en de kantine

39. Het betoog van [appellante sub 4] dat de stal in het plan had moeten worden opgenomen, houdt verband met haar wens om daar paarden hobbymatig te houden. In dit opzicht bestaat samenhang met de eerdergenoemde schuur, waar [appellante sub 4] eveneens paarden wenst te houden. Gezien deze samenhang zal de Afdeling het betoog dat op de stal ziet eerst in de einduitspraak beoordelen. Het betoog over de kantine ziet, evenals het betoog over de stal, op de regeling voor omgevingsvergunningvrij bouwen, zoals opgenomen in artikel 2.3, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het Bor. Gelet hierop zal de Afdeling ook het betoog over de kantine eerst in de einduitspraak beoordelen.

Het beroep van de Gasunie

40. De Gasunie kan zich niet verenigen met artikel 22 van de planregels. Dit artikel sluit niet uit dat kwetsbare objecten binnen de belemmeringenstrook van een gasleiding worden gerealiseerd, hetgeen in strijd is met artikel 14, derde lid, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb), aldus de Gasunie. De Gasunie heeft hierbij gewezen op een standaardbepaling voor een afwijkingsbevoegdheid voor bouwen, waarmee volgens de Gasunie wel wordt voldaan aan artikel 14, derde lid, van het Bevb, die als volgt luidt: "Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten." Een dergelijke bepaling had volgens de Gasunie in het plan moeten worden opgenomen.

40.1. Ingevolge artikel 14, derde lid, van het Bevb wordt, voor zover in een bestemmingsplan de bevoegdheid wordt opgenomen om in afwijking daarvan bij omgevingsvergunning het oprichten van bouwwerken in de belemmeringenstrook toe te staan, daarbij bepaald dat de omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend voor zover de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook geregelde buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten.

40.2. Artikel 22 van de planregels heeft betrekking op de bestemming "Leiding".

Ingevolge lid 22.1.1, onder a, zijn de voor "Leiding" aangewezen gronden mede bestemd voor de aanleg van ondergrondse leidingen voor gas met een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud en bescherming van een leiding.

Ingevolge lid 22.2.3 zijn gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, uitsluitend toelaatbaar indien de belangen in verband met de betrokken leiding(en) zich hier niet tegen verzetten.

Ingevolge lid 22.3.4 wint het college van burgemeester en wethouders alvorens over een omgevingsvergunning voor het bouwen […] te beslissen schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwwerken […] de belangen in verband met de leiding niet worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

40.3. De Afdeling merkt op dat de raad heeft beoogd een omgevingsvergunningenstelsel op te nemen voor het oprichten van bouwwerken in de belemmeringenstrook, als bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Bevb. De raad heeft in het verweerschrift erkend dat het plan in dit opzicht echter niet voldoet aan artikel 14, derde lid, van het Bevb. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

41. De Afdeling ziet, mede naar aanleiding van de verzoeken daartoe van zowel de raad als de Gasunie, alsmede in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het in de vorige overweging geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen twintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak te herstellen. De raad dient daartoe een afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen van bouwwerken in de belemmeringenstrook van de leidingen in het plangebied vast te stellen, die voldoet aan artikel 14, derde lid, van het Bevb. De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst van de uitvoering van voormelde opdracht mede te delen en de raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Hierbij behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

Voorlopige voorziening

42. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:80b, derde lid, van de Awb de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen, teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen. Daarbij zal de Afdeling aansluiten bij de eerdergenoemde standaardbepaling die de Gasunie heeft ingeroepen, waarbij in ogenschouw wordt genomen dat de raad ter zitting heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.

Het beroep van [appellant sub 5]

43. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie", voor zover het zijn perceel kadastraal bekend Heerhugowaard, sectie P, nummer 331, betreft.

[appellant sub 5] betoogt dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat dit perceel cultuurhistorische waarden heeft. [appellant sub 5] wijst in dit verband erop dat dit perceel weliswaar in het verre verleden een openbaar toegankelijke weg - de zogenoemde Zwarteweg - was, maar dat dit perceel al sinds 1960 agrarisch wordt gebruikt.

43.1. Het genoemde perceel ligt binnen de gemeente Heerhugowaard, aan de westkant van de kern Oterleek. Hier was in het verleden de Zwarteweg - een oud kerkpad - aanwezig. Het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard heeft [appellant sub 5] in 2008 onder oplegging van een last onder bestuursdwang gelast de afsluiting van de Zwarteweg ongedaan te maken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5113 geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders daartoe niet bevoegd was. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de Zwarteweg na een ruilverkaveling in 1968 aan het openbaar verkeer is onttrokken en voorts dat het college van burgemeester en wethouders niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Zwarteweg gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest.

43.2. De Afdeling stelt vast dat de raad in het ontwerpbestemmingsplan aan genoemd perceel een verkeersbestemming heeft toegekend.

Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 5] heeft de raad echter het plan gewijzigd in die zin dat voor het perceel niet langer een verkeersbestemming maar de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" is opgenomen.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden […] mede bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van de cultuurhistorische […] elementen in de op die grond gelegen bouwwerken, bouwwerken geen gebouw zijnde en verkavelings- en landschapselementen. In lid 29.3 is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden.

43.3. In de plantoelichting wordt voor de beschrijving van de cultuurhistorische waarden van het plangebied verwezen naar een rapport van de Cultuur Compagnie van 11 juni 2012 betreffende een historisch-geografische inventarisatie. Uit dit rapport valt af te leiden dat in het verleden op het genoemde perceel een weg aanwezig was, die de Hensbroekerweg (thans: de Jan Glijnisweg) via de Groeneweg aansloot op de kern Oterleek. Dit betreft de eerdergenoemde Zwarteweg. Uit het rapport - in het bijzonder de "Overzichtskaart met alle aanwezige elementen, inclusief waardering" - volgt evenwel dat die weg thans niet meer aanwezig is. Dit is overigens tussen partijen niet in geschil. Ter zitting heeft de raad gesteld dat in het verleden aan beide zijden van de Zwarteweg een sloot aanwezig was en dat na demping van een sloot er thans nog maar aan één zijde van de Zwarteweg een sloot aanwezig is, welke volgens de raad behouden moet blijven. De Afdeling stelt vast dat deze sloot weliswaar ooit naast de Zwarteweg aanwezig was, maar dat de Zwarteweg thans niet meer bestaat. Voorts heeft [appellant sub 5] onweersproken gesteld dat dit perceel al sinds 1960 agrarisch wordt gebruikt. De raad heeft niet, bijvoorbeeld met verwijzing naar een deskundigenrapport, inzichtelijk gemaakt dat het genoemde perceel desondanks nog cultuurhistorische waarden heeft.

In het verlengde hiervan heeft de raad evenmin aannemelijk gemaakt dat bescherming nodig is met een omgevingsvergunningenstelsel als neergelegd in artikel 29, lid 29.3, van de planregels. Gelet op het voorgaande is de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" aan dit perceel in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

44. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het in de vorige overweging geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen twintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van deze overweging alsnog te onderzoeken of het genoemde perceel cultuurhistorische waarden heeft en gelet op de uitkomst hiervan te motiveren waarom het besluit in stand kan blijven, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, waarbij de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" niet langer aan het perceel wordt toegekend.

De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst van de uitvoering van voormelde opdracht mede te delen en de raad dient een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Indien de raad het besluit wijzigt, behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast.

45. De overige beroepsgronden van [appellant sub 5] zullen, gelet op de samenhang met het geconstateerde gebrek, in de einduitspraak worden beoordeeld.

Conclusie beroepen tegen het bestemmingsplan

46. Het beroep van [appellant sub 7] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellanten sub 6], voor zover ingesteld door [appellant sub 6B], en voor zover ingesteld door [appellant sub 6A] en voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer" betreffende gronden achter de percelen aan de Veenhuizerweg, is niet-ontvankelijk.

De beroepen van [appellant sub 2], [appellanten sub 6], voor zover ingesteld door [appellant sub 6A] en voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" betreffende het perceel [locatie 7], zijn ongegrond.

Voor [appellant sub 7], [appellanten sub 6] en [appellant sub 2] betreft dit een einduitspraak zodat hierbij hun procedure bij de Afdeling ten einde komt.

Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4], de Gasunie en [appellant sub 5] volgt een tussenuitspraak en zal een bestuurlijke lus plaatsvinden. Over hun beroepen zal de Afdeling bij de einduitspraak een definitief oordeel vellen.

Proceskosten beroepen tegen bestemmingsplan

47. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 7], [appellanten sub 6] en [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4], de Gasunie en [appellant sub 5] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

Over het bestemmingsplan (201503421/1/R1)

I. verklaart de beroepen tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 2014", dat de raad van de gemeente Heerhugowaard bij besluit van 17 februari 2015 heeft vastgesteld, van [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B] en van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], voor zover ingesteld door [appellant sub 6B], en voor zover ingesteld door [appellant sub 6A] en voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer" betreffende gronden achter de percelen aan de Veenhuizerweg, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen tegen het bestemmingsplan "Buitengebied 2014", dat de raad bij besluit van 17 februari 2015 heeft vastgesteld, van [appellant sub 2A] en van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], voor zover ingesteld door [appellant sub 6A] en voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" betreffende het perceel [locatie 7], ongegrond;

III. draagt de raad van de gemeente Heerhugowaard op in de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V. en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] om binnen twintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van de overwegingen 32, 38, 41 en 44 de daarin omschreven gebreken te herstellen en

2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en - voor zover aan de orde - het gewijzigde besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

IV. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 17 februari 2015, waarbij de raad van de gemeente Heerhugowaard het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" heeft vastgesteld, voor zover het betreft artikel 22, lid 22.3.4, van de planregels, en treft de voorlopige voorziening dat op de gronden, waaraan in dit bestemmingsplan de bestemming "Leiding" is toegekend, het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van de bij die bestemming behorende bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten;

V. bepaalt dat deze voorlopige voorziening in ieder geval vervalt op het moment waarop de Afdeling einduitspraak doet;

Over de reactieve aanwijzing (201503421/1/R1)

VI. verklaart het beroep tegen het besluit van 25 maart 2015, waarbij het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" een reactieve aanwijzing heeft gegeven, van het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard gegrond;

VII. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, voor zover daarbij ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de artikelen 3, lid 3.4, onder e, 5, lid 5.3, onder e, en 21, lid 21.2.5, onder a, van de planregels;

VIII. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in zoverre in stand blijven;

IX. verklaart de beroepen van [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B] en van [appellant sub 8] en anderen tegen het besluit van 25 maart 2015, waarbij het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" een reactieve aanwijzing heeft gegeven, ongegrond;

X. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Polak w.g. Van Loo

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

418.