Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1802

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201408915/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:11564, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om afgifte van een medisch certificaat klasse 1 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408915/2/A3.

Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 september 2014 in zaak nr. 14/4199 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om afgifte van een medisch certificaat klasse 1 afgewezen.

Bij besluit van 23 april 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 april 2014 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 januari 2015 heeft de staatssecretaris opnieuw beslissend het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] zijn zienswijze over het besluit van 8 januari 2015 gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.W. Stam en R.K.D.H. Wagner, advocaat te Utrecht onderscheidenlijk instructeur/examinator, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.M. Kops en drs. W. Zwetsloot, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 12 augustus 2015 in deze zaak (nr. 201408915/1/A3; hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de staatssecretaris opgedragen om binnen zes weken na de verzending van die uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 8 januari 2015 te herstellen door opnieuw te beslissen op het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van het verzoek om afgifte van een medisch certificaat klasse 1. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Op 22 september 2015 heeft de staatssecretaris ter uitvoering van deze tussenuitspraak de bezwaren van [appellant] gegrond verklaard en gesteld dat de medische verklaring niet kan worden afgegeven omdat de medische keuring van [appellant] is verstreken.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] daarover zijn zienswijzen gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de staatssecretaris verzocht om een nadere schriftelijke uiteenzetting te geven over deze stukken van [appellant].

De staatssecretaris heeft geantwoord dat [appellant] zich niet had moeten laten herkeuren maar dat een initiële keuring had moeten plaatsvinden.

[appellant] heeft daarop de resultaten van zijn initiële keuring opgestuurd.

De Afdeling heeft de staatssecretaris vervolgens wederom verzocht om een nadere schriftelijke uiteenzetting te geven over deze stukken van [appellant].

[appellant] heeft daarop nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting van 22 februari 2016 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.W. Stam, advocaat te Utrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.M. Kops en M.B. Newalsing, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

[appellant] heeft op 8 maart 2016 de Afdeling bericht over het verloop van de procedure.

De Afdeling heeft de staatssecretaris verzocht om inlichtingen.

Bij besluit van 24 maart 2016 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om afgifte van een medisch certificaat klasse 1 afgewezen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] daarover zijn zienswijzen gegeven.

Bij brieven van 5 onderscheidenlijk 19 april 2016 hebben de staatssecretaris en [appellant] toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om in het geding uitspraak te doen zonder nadere zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft waarna het onderzoek is gesloten

Overwegingen

1. [appellant] heeft een herkeuring aangevraagd om als verkeersvlieger te kunnen gaan werken. De staatssecretaris heeft na de keuring geweigerd aan [appellant] een medische verklaring af te geven. [appellant] is het daar niet mee eens.

2. De voor deze zaak relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

3. Voor wat vooraf is gegaan aan de tussenuitspraak wordt verwezen naar die uitspraak.

Hoger beroep

4. Gelet op hetgeen onder 5.2. van de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep ongegrond.

Beroep tegen het besluit van 8 januari 2015

5. Gelet op hetgeen onder 9.1. van de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep tegen het besluit van 8 januari 2015 gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Beroep tegen het besluit van 22 september 2015 en 24 maart 2016

6. De Afdeling zal eerst het karakter van deze beslissingen van de staatssecretaris duiden en vervolgens de inhoud ervan beoordelen.

7. De staatssecretaris heeft de beslissing van 22 september 2015 een besluit op bezwaar genoemd. De staatssecretaris heeft daarin het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard omdat onvoldoende kan worden aangetoond dat door een defect linksonder in het gezichtsveld van [appellant] de vliegveiligheid in gevaar komt. Daarnaast heeft de staatssecretaris gesteld dat de geldigheidstermijn van de medische keuring is verlopen en dat [appellant] zich eerst opnieuw moet laten keuren voordat op zijn aanvraag om afgifte van een medisch certificaat kan worden beslist.

Op 24 maart 2016 heeft de staatssecretaris volgens de aanhef een besluit op aanvraag genomen. Daarin heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet voldoet aan artikel MED.B.070, onder e, van Verordening 1178/2011 vanwege een gezichtsvelddefect dat [appellant] heeft overgehouden als restverschijnsel van een hersenbloeding in 2006. Afgifte van een medisch certificaat zou in dat geval leiden tot een situatie waarin de vliegveiligheid in gevaar kan worden gebracht, aldus de staatssecretaris.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2007 in zaak ECLI:NL:RVS:2007:BA8119) vloeit uit het karakter van de bezwaarschriftprocedure voort dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, dit orgaan niet kan volstaan met gegrondverklaring van het bezwaarschrift. In dat geval dient voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats te worden gesteld. In sommige gevallen kan een vervangend besluit niet meteen worden genomen maar pas enige tijd later, omdat bijvoorbeeld eerst een extern advies moet worden ingewonnen. Indien tussen het onvolledige besluit op bezwaar en het later genomen vervangende besluit een onverbrekelijke samenhang bestaat vormen zij samen het in heroverweging genomen besluit op bezwaar.

Naar het oordeel van de Afdeling is het besluit van 22 september 2015 onvolledig omdat daarin alleen het door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond wordt verklaard zonder dat daarvoor een nieuw besluit in de plaats wordt gesteld. Een dergelijk nieuw besluit heeft de staatssecretaris genomen op 24 maart 2016. Tussen de gegrondverklaring van het door [appellant] gemaakte bezwaar in het besluit van 22 september 2015 en de in het besluit van 24 maart 2016 neergelegde weigering van de medische verklaring bestaat een onverbrekelijke samenhang. Deze besluiten moeten dus worden beschouwd als de samenstellende bestanddelen van de in heroverweging gegeven beslissing op het door [appellant] gemaakte bezwaar.

Tegen deze heroverweging (hierna: het besluit) staat in dit geval rechtstreeks beroep open bij de Afdeling. Zij merkt daarom de reacties van [appellant] aan als gronden van het rechtstreeks beroep.

8. In het besluit van 22 september 2015 stelt de staatssecretaris dat door een omissie in de regelgeving onvoldoende kan worden aangetoond dat door het gezichtsvelddefect van [appellant] de vliegveiligheid in gevaar komt.

De staatssecretaris stelt zich vervolgens in het besluit van 24 maart 2016 op het standpunt dat [appellant] niet voldoet aan artikel MED.B.070, onder e, van Verordening 1178/2011 vanwege zijn gezichtsvelddefect. Hij verwijst daarvoor naar de medische keuringen door het Aeromedisch Instituut en naar de door hem ingeschakelde oogarts Klaver. Omdat [appellant] niet voldoet aan de definitie van normale gezichtsvelden als bedoeld in artikel MED.B.070, onder e, van Verordening 1178/2011 voldoet hij niet aan de eisen voor de visus behorende bij een initiële keuring klasse 1. Afgifte van een medisch certificaat zou volgens de staatssecretaris in dat geval leiden tot een situatie waarin de vliegveiligheid in gevaar kan worden gebracht.

9. [appellant] komt niet op tegen het standpunt van de staatssecretaris dat hij niet voldoet aan artikel MED.B.070, onder e, van Verordening 1178/2011 vanwege zijn gezichtsvelddefect.

[appellant] voert aan dat het besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aangezien de staatssecretaris daarin niet op juiste wijze de invloed van het gezichtsvelddefect op de vliegveiligheid heeft betrokken. Zo is de besluitvorming op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen omdat de staatssecretaris niet de nieuwe verklaringen van de instructeurs en artsen bij zijn besluit heeft betrokken en is het besluit in strijd met de rechtszekerheid omdat al in het besluit van 22 september 2015 door de staatssecretaris is vastgesteld dat niet kan worden aangetoond dat in het geval van [appellant] de vliegveiligheid in gevaar komt. De staatssecretaris heeft met de verwijzing naar de Acceptable Means of Compliance and Guidance Material to Part-MED van 15 december 2011 nog altijd onvoldoende gemotiveerd dat de vliegveiligheid in gevaar is, aldus [appellant].

10. [appellant] is in 2013 onderzocht door oogarts B.J. Putting. Zij heeft geadviseerd het medisch certificaat klasse 1 te verlenen onder de beperkingen operational multi-crew limitation (OML) en regelmatig oogheelkundig onderzoek (SIC), en onder voorbehoud van de resultaten van tests in een vluchtsimulator. Vervolgens heeft [appellant] in november 2013 twee testen afgelegd in de vluchtsimulator, waarbij specifiek is getest op de perifere gezichtsveldbeperking. Zijn prestaties zijn door de examinatoren als normaal tot goed beoordeeld en de bedrijfsarts heeft om die reden aan de keuringsarts meegedeeld dat wat hem betreft het medisch certificaat met genoemde beperkingen kan worden afgegeven.

Op 13 december 2013 is [appellant] medisch gekeurd door de keuringsarts C.D. de Vries van het Aeromedisch Instituut. Zij stelde vast dat [appellant] door zijn gezichtsvelddefect niet voldoet aan het bepaalde in MED.B.070, onder e, en AMC1 MED.B.070, onder (f) 3. Met toepassing van artikel MED.B.001, onder a, sub 1i), van Bijlage IV van Verordening 1178/2011 heeft zij de aanvraag van [appellant] doorgestuurd naar de Inspectie Leefomgeving en Transport, die voor de staatssecretaris de besluiten voorbereidt, om te beoordelen of [appellant] in aanmerking komt voor een medisch certificaat onder beperking OML en SIC.

In september 2015 heeft [appellant] opnieuw een simulatortest afgelegd waarbij de examinator op de hoogte was van de gezichtsveldbeperking. Volgens de verklaring van de examinator was het niveau van [appellant] in het licht van de gebrekkige vliegervaring van de afgelopen jaren zeer hoog.

Op 6 november 2015 is [appellant] medisch gekeurd voor een herkeuring door de keuringsarts C.D. de Vries van het Aeromedisch Instituut. Haar conclusie is dat de vliegveiligheid bij [appellant] niet in het geding is gezien de resultaten van de recent afgelegde simulatortest. Om die reden heeft zij de aanvraag van [appellant] ter beoordeling doorgestuurd naar de Inspectie Leefomgeving en Transport. Omdat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat door het verlopen van zijn medische verklaring [appellant] niet kon volstaan met een herkeuring, heeft hij in december 2015 de uitgebreidere initiële keuring ondergaan. In haar verslag komt de keuringsarts van het Aeromedisch Instituut tot de conclusie dat [appellant] heeft aangetoond veilig te kunnen functioneren en dat de vliegveiligheid niet in gevaar is. Zij verzoekt de Inspectie Leefomgeving en Transport te beoordelen of [appellant] in aanmerking komt voor een medisch certificaat onder beperking OML en SIC.

Op verzoek van de medisch beoordelaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport bezoekt [appellant] op 17 februari 2016 oogarts J.H.J. Klaver. Hij concludeert dat het gezichtsvelddefect van [appellant] onveranderd is ten opzichte van de situatie in 2013, dat bij goede scantechniek geen gevaar bestaat voor de vliegveiligheid op voorwaarde dat een uitgebreide simulatortest met goed gevolg wordt afgelegd en dat [appellant] die test met goed gevolg heeft afgelegd. Op 19 februari 2016 heeft oogarts J.H.J. Klaver op verzoek van de keuringsarts in een e-mail verklaard dat [appellant] niet voldoet aan artikel MED.B.001, onder a, sub 1i), van Bijlage IV van Verordening 1178/2011. In een e-mail van 12 april 2016 verduidelijkt oogarts J.H.J. Klaver dat zijn advies van 17 februari 2016 nog steeds geldig is zij het dat de beoordelaar die de simulatortest afneemt op de hoogte moet zijn van de precieze plaats van het gezichtsvelddefect. Hij bericht in een e-mail van 18 april 2016 dat na lezing van de rapportages over de simulatortests en de verklaring van de examinator dat hij tijdens de tests op de hoogte was van de gezichtsveldbeperking en de precieze plaats ervan, op die wijze ruimschoots is aangetoond dat het resterende gezichtsvelddefect geen gevaar voor de vliegveiligheid zal opleveren.

11. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de staatssecretaris het vastgestelde defect in het gezichtsveld van [appellant] dient te beoordelen in het licht van de vliegveiligheid en daarbij moet betrekken hetgeen in de medische rapporten staat en uit de testresultaten van de vliegsimulaties is gebleken, om te bezien of hij in aanmerking komt voor een medisch certificaat, al dan niet met beperkingen. Voor zover de staatssecretaris meent dat deze documenten op bepaalde punten tekortschieten, zoals ter zitting is gesteld ten aanzien van het centrale gezichtsveld, is hij gehouden zelf onderzoek te laten doen.

Door wederom aan zijn besluit tot afwijzing ten grondslag te leggen dat [appellant] door zijn gezichtsvelddefect niet voldoet aan artikel MED.B.070, onder e, van Verordening 1178/2011 miskent de staatssecretaris dat [appellant] dat standpunt niet betwist. Door bovendien zich op het standpunt te stellen dat de vliegveiligheid in gevaar kan worden gebracht omdat [appellant] niet voldoet aan de vereisten van dat artikel zonder op enigerlei wijze de medische rapporten en de testresultaten van de vliegsimulaties daarbij te betrekken, heeft de staatssecretaris niet met inachtneming van het overwogene in de tussenuitspraak uitvoering gegeven aan de door de Afdeling geformuleerde opdracht. De in de tussenuitspraak door de Afdeling vastgestelde gebreken zijn niet hersteld en de besluiten van 22 september 2015 en 24 maart 2016 zijn derhalve evenzeer in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Awb. De staatssecretaris had in zijn besluit overeenkomstig artikel MED.B.001, onder a, sub 1i), van Bijlage IV van Verordening 1178/2011 moeten beoordelen of [appellant] in aanmerking komt voor een medisch certificaat klasse 1 met beperkingen waarbij in ieder geval artikel MED.B.001, onder d, sub 1i) in ogenschouw had moeten worden genomen.

12. Het beroep tegen de besluiten van 22 september 2015 en 24 maart 2016 is gegrond. Die besluiten komen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De staatssecretaris dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. In de handelwijze van de staatssecretaris in deze procedure ziet de Afdeling aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, zesde lid, van de Awb. Ingevolge dat artikel kan de bestuursrechter bepalen dat het bestuursorgaan aan een partij een dwangsom verbeurt indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan de uitspraak.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

13. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

De gemachtigde van [appellant] heeft een overzicht overgelegd van de door haar gemaakte kosten in deze procedure en verzocht om vergoeding daarvan. Dit verzoek kan slechts worden ingewilligd voor zover de kosten het forfaitaire bedrag voor verleende rechtsbijstand niet overstijgen. Het door de staatssecretaris aan [appellant] te betalen forfaitaire bedrag in verband met verleende rechtsbijstand is namelijk bepaald met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in samenhang met de bepalingen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb). De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb een hogere vergoeding toe te kennen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 8 januari 2015, kenmerk B-1-14-0018.001, gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. verklaart het beroep tegen de besluiten van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 22 september 2015 en 24 maart 2016, kenmerk ILT-2015/60790 en ILT-2016/23827, gegrond;

V. vernietigt die besluiten;

VI. draagt de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu op om binnen drie weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen onder overwegingen 11 en 12 is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VII. bepaalt dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan [appellant] een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de onder VI. genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) per dag bedraagt, met een maximum van € 25.000,00 (zegge: vijfentwintigduizend);

VIII. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IX. veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van de beroepen van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.736,00 (zegge: zeventienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

290.

BIJLAGE

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PB L 79 van 19 maart 2008, blz. 1; hierna: Verordening 216/2008) voldoen piloten die betrokken zijn bij vluchtuitvoeringen met de in artikel 4, eerste lid, onder b en c, bedoelde luchtvaartuigen en vluchtnabootsers, en de personen en organisaties die betrokken zijn bij de opleiding, toetsing, controle en medische keuring van deze piloten aan de desbetreffende essentiële eisen van bijlage III.

Ingevolge het tweede lid, eerste en derde alinea, mag een persoon, behalve tijdens de opleiding, slechts optreden als piloot als hij beschikt over een bewijs van bevoegdheid en een medische verklaring voor de te verrichten vluchtuitvoering. Een persoon krijgt alleen een medische verklaring indien hij voldoet aan de voorschriften die zijn vastgesteld om overeenstemming te waarborgen met de in bijlage III vervatte essentiële eisen inzake medische geschiktheid. De medische verklaring kan worden afgegeven door de luchtvaartgeneeskundige keuringsarts of een luchtvaartgeneeskundig centrum.

Ingevolge Bijlage III, onder 4, sub a, zijn de medische criteria:

1. Iedere piloot moet op periodieke basis zijn medische geschiktheid aantonen om zijn taken naar behoren te kunnen uitvoeren, rekening houdend met het soort activiteit waar het om gaat. Overeenstemming met deze eis moet worden aangetoond door middel van een passende beoordeling welke is gebaseerd op beste praktijken uit de luchtvaartgeneeskunde en waarbij rekening wordt gehouden met het soort activiteit en met eventuele negatieve mentale en lichamelijke gevolgen van ouder worden.

Onder medische geschiktheid, waaronder zowel lichamelijke als mentale geschiktheid valt, wordt verstaan dat de piloot geen aandoening of handicap heeft die het hem onmogelijk maakt een of meer van de volgende activiteiten uit te oefenen:

i) uitvoeren van taken die nodig zijn om een luchtvaartuig te besturen, of

ii) op ieder willekeurig moment uitvoeren van aan de piloot toegewezen taken, of

iii) op nauwkeurige wijze waarnemen van zijn of haar omgeving.

2. Indien de medische geschiktheid niet volledig kan worden aangetoond, worden er corrigerende maatregelen toegepast welke een gelijkwaardig niveau van vluchtveiligheid garanderen.

Ingevolge artikel 3 van de Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening 216/2008 (hierna: Verordening 1178/2011) moeten piloten van de in artikel 4, eerste lid, onder b en c, en artikel 4, vijfde lid, van Verordening 216/2008 onverminderd artikel 7 voldoen aan de technische eisen en administratieve procedures die in bijlage I en bijlage IV zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel MED.A.040, onder a, van de bij Verordening 1178/2011 behorende Bijlage IV, subdeel A, mag een medisch certificaat uitsluitend worden afgegeven, verlengd of hernieuwd afgegeven als de vereiste medische onderzoeken zijn afgerond en de aanvrager als geschikt is beoordeeld.

Ingevolge artikel MED.A.040, onder c, sub 1, worden medische certificaten klasse 1 en klasse 2 verlengd of hernieuwd afgegeven door een luchtvaartgeneeskundig centrum of een bevoegde keuringsarts.

Ingevolge artikel MED.B.001, onder a, sub 1i), van Bijlage IV, subdeel B, moet het luchtvaartgeneeskundig centrum of de bevoegde keuringsarts, als de aanvrager niet volledig voldoet aan de eisen voor het medisch certificaat van de betreffende klasse maar het niet waarschijnlijk wordt geacht dat de vliegveiligheid daardoor in gevaar komt, in het geval van aanvragers van een medisch certificaat klasse 1, de beslissing over de geschiktheid van de aanvrager overeenkomstig dit subdeel doorverwijzen naar een autoriteit die het bewijs van bevoegdheid afgeeft.

Ingevolge artikel MED.B.001, onder c, dient bij de beoordeling of een beperking noodzakelijk is, bijzondere aandacht te worden geschonken aan:

1) De vraag of de officiële medische conclusie erop wijst dat in bijzondere omstandigheden het onvermogen van de aanvrager om aan een numerieke of andere eis te voldoen waarschijnlijk niet van dien aard is dat hij of zij door de uitoefening van de bevoegdheden verbonden aan het aangevraagde bewijs van bevoegdheid de vliegveiligheid in gevaar brengt;

2) het vermogen, de vaardigheid en ervaring van de aanvrager die relevant zijn voor de uit te voeren operatie.

Ingevolge artikel MED.B.001, onder d, sub 1i), moet, wanneer de houder van een CPL, ATPL of MPL niet volledig voldoet aan de eisen van een medisch certificaat klasse 1 en is verwezen naar de autoriteit die het bewijs van bevoegdheid afgeeft, worden beoordeeld of het medisch certificaat mag worden verstrekt met een operationeel voorgeschreven meervliegerbeperking (hierna: OML). Deze beoordeling wordt door de vergunningverlenende autoriteit uitgevoerd.

Ingevolge artikel MED.B.070, onder a, mogen aanvragers geen afwijking van de functie van de ogen of de bijbehorende organen of enige actieve pathologische aandoening, aangeboren of verworven, acuut of chronisch, of restverschijnselen van oogoperaties of trauma, hebben die de veilige uitoefening van de rechten verbonden aan het/de toepasselijke bewijs/bewijzen van bevoegdheid waarschijnlijk verstoort.

Ingevolge artikel MED.B.070, onder e, wordt van aanvragers van een medisch certificaat klasse 1 verlangd dat ze normale gezichtsvelden en normale binoculaire functie hebben.

Ingevolge artikel MED.B.070, onder f, kunnen aanvragers die een oogoperatie hebben ondergaan als geschikt worden beoordeeld mits een oogheelkundige evaluatie een bevredigend resultaat oplevert.

Ingevolge artikel ARA.MED.125, aanhef en onder b, van Bijlage VI, subdeel MED behorende bij Verordening 290/2012 van de Commissie van 30 maart 2012 houdende wijziging van Verordening 1178/2011, dient de medische beoordelaar, wanneer een Aeromedisch Instituut (AeMC) of luchtvaartgeneeskundige keuringsarts (AME) het besluit over de geschiktheid van een aanvrager aan de vergunningverlenende autoriteit heeft voorgelegd, te bepalen of de aanvrager in aanmerking komt voor afgifte van een medische verklaring, zo nodig met één of meer beperkingen.

Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart heeft niet-bindende normen aangenomen ter illustratie van methoden om overeenstemming te bereiken met Verordening 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan zoals opgenomen in onder meer Verordening 1178/2011 in de Acceptable Means of Compliance and Guidance Material to Part-MED van 15 december 2011.

In AMC1 MED.B.001 staat:

(a) An AeMC or AME may refer the decision on fitness of the applicant to the licensing authority in borderline cases or where fitness is in doubt.

(b) In cases where a fit assesment can only be considered with a limitation, the AeMC, AME or the licensing authority should evaluate the medical condition of the applicant in consultation with flight operations and other experts, if necessary.

In AMC1 MED.B.070, zoals gepubliceerd op de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport, staat: (…)

(e) Applicants for a Class 1 medical certificate shall be required to have normal fields of vision and normal binocular function". For the purpose of clarity the CAA defines "normal fields of vision" as follows:

1. Monocularly, on Esterman field testing, there should be no more than a single missed spot within 20 degrees vertically from the primary position and 30 degrees horizontally from the primary position. There should be no confluent area of missed spots outside this area.

2. Additionally, binocularly, on Esterman field testing there should be no more than 4 missed spots, of which not more than 2 shall be contiguous in the visual field defined horizontally by 60 degrees either side of the primary position and vertically by 20 degrees above the primary position and 30 degrees below the primary position.

Normal binocular function is defined as any individual with a degree of binocular lock. This would include individuals with normal binocular single vision and those individuals with well-adapted heterotropias, who are not at risk of diplopia and have adopted a suppression scotoma when both eyes are open.

(f) 3 An applicant with a visual field defect may be assessed as fit if the binoculair visual field is normal and the underlying pathology is acceptable to the licensing authority. (…)

In de AMCGM to Part-ARA van 19 april 2012 staat in AMC1 ARA.MED.125:

a. The licensing authority should supply the AeMC or AME with all necessary information that led to the decision on aero-medical fitness.

b. The licensing authority should ensure that unusual or borderline cases are evaluated on a common basis.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet luchtvaart geeft de minister op aanvraag een bewijs van bevoegdheid af, wanneer degene, die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd beschikt over een medische verklaring.

Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, geeft de minister op aanvraag de medische verklaring, bedoeld in artikel 2.2, af, indien betrokkene voldoet aan de eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten, waarvoor betrokkene een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring heeft aangevraagd of is verleend.