Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1784

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
201506460/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:3766, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 28 februari 2005, 10 maart 2005 en 18 mei 2005 heeft het college aanlegvergunningen verleend voor het aanleggen van een sloot/watergang, het dempen van diverse sloten/watergangen en het egaliseren en draineren van diverse percelen gelegen nabij het Morgenstraatje, de Slophoosweg/Baars en de Boxtelseweg 2 te Sint-Oedenrode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506460/1/A1.

Datum uitspraak: 29 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noord-Oost-Brabant "Het groene hart" en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Boxtel onderscheidenlijk Tilburg,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 juli 2015 in zaken nrs. 14/1842, 14/1843 en 14/1844 in het geding tussen:

de vereniging en de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

Procesverloop

Bij besluiten van 28 februari 2005, 10 maart 2005 en 18 mei 2005 heeft het college aanlegvergunningen verleend voor het aanleggen van een sloot/watergang, het dempen van diverse sloten/watergangen en het egaliseren en draineren van diverse percelen gelegen nabij het Morgenstraatje, de Slophoosweg/Baars en de Boxtelseweg 2 te Sint-Oedenrode.

Bij besluiten van 15 april 2014 heeft het college de bezwaren van de vereniging en de stichting opnieuw ongegrond verklaard en de besluiten van

28 februari 2005, 10 maart 2005 en 18 mei 2005 ingetrokken.

Bij uitspraak van 3 juli 2015 heeft de rechtbank de door de vereniging en stichting daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vereniging en de stichting hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [partij A] en [partij B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2016, waar de vereniging en stichting, vertegenwoordigd door H.C. Gerringa en A.A. Abeelen, bijgestaan mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.T.M. Linotte-de Louw, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A] en [partij B], vertegenwoordigd door ir. L.J. Vollebregt, verschenen.

Overwegingen

1. Bij de in beroep bij de rechtbank bestreden besluiten van 15 april 2014 heeft het college de bezwaren van de vereniging en de stichting tegen de bij besluiten van 28 februari 2005, 10 maart 2005 en 18 mei 2005 verleende aanlegvergunningen voor het aanleggen van een sloot/watergang, het dempen van diverse sloten/watergangen en het egaliseren en draineren bij diverse percelen te Sint-Oedenrode opnieuw ongegrond verklaard en de laatstgenoemde besluiten ingetrokken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niet langer een aanlegvergunning is vereist voor de aangevraagde werkzaamheden. Het college wijst erop dat op 8 september 2012 het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Oedenrode 2012" (hierna: het bestemmingsplan) van kracht is geworden. In artikel 5.6.2 van de planregels staat dat het verbod aanlegwerkzaamheden zonder vergunning te verrichten niet van toepassing is op werken en werkzaamheden welke reeds in uitvoering zijn. Tijdens het van kracht worden van het bestemmingsplan waren de aanlegwerkzaamheden al uitgevoerd, zodat volgens het college voor de werkzaamheden geen aanlegvergunning is vereist.

2. De rechtbank heeft het beroep van de vereniging en de stichting ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat in artikel 5.6.2 van de planregels is bepaald dat geen aanlegvergunning is vereist voor de werkzaamheden die krachtens een verleende vergunning reeds mochten worden uitgevoerd. Nu voor de werkzaamheden ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan vergunningen waren verleend, namelijk de vergunningen waartegen de vereniging en de stichting in deze procedure bezwaar hebben gemaakt, was voor die werkzaamheden ten tijde van de besluiten op bezwaar op grond van artikel 5.6.2 van de planregels geen vergunning vereist, aldus de rechtbank.

3. De vereniging en de stichting betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een redelijke uitleg van artikel 5.6.2 van de planregels tot de conclusie moet leiden dat de aanlegwerkzaamheden niet zonder aanlegvergunning mogen worden verricht. De achtergrond van die bepaling is volgens de vereniging en de stichting het voorkomen van aantasting van het landschap. Tegen deze achtergrond en in aanmerking genomen dat de werkzaamheden op zichzelf zowel onder het voorheen geldende bestemmingsplan als het geldende bestemmingsplan vergunningplichtig zijn, moet de uitzondering op de vergunningplicht voor werken en werkzaamheden welke reeds in uitvoering zijn als bedoeld in die bepaling volgens hen zo worden gelezen, dat die slechts van toepassing is in de situatie dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan niet, maar onder het geldende bestemmingsplan wel een vergunningplicht geldt. Voorts geldt de uitzondering op de vergunningplicht voor vergunde werken en werkzaamheden niet indien de verleende vergunning nog niet onherroepelijk is, aldus de vereniging en de stichting.

3.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rust op de percelen de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden".

Ingevolge artikel 5.6.1 van de planregels is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zoals aangegeven in de bij dit artikel behorende tabel.

Ingevolge artikel 5.6.2, aanhef en onder b, is het in lid 5.6.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vastgesteld projectplan en/of een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

3.2. Met het aanlegvergunningstelsel in het geldende bestemmingsplan wordt beoogd te voorkomen dat landschapswaarden worden aangetast. Gelet op dit oogmerk is de Afdeling van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 5.6.2, aanhef en onder b, van de planregels met zich brengt dat voor werken en werkzaamheden die op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds in uitvoering zijn, slechts een uitzondering op het verbod om zonder vergunning werken en werkzaamheden uit te voeren geldt in de situatie dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan niet, maar onder het geldende bestemmingsplan wel een vergunningplicht bestaat. De Afdeling sluit hiermee aan bij de uitleg van een vergelijkbare planregel in haar uitspraak van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1582. Daarbij neemt zij ook in aanmerking dat, zoals het college desgevraagd ter zitting heeft bevestigd, er geen toelichting bij het geldende bestemmingsplan bestaat waaruit blijkt dat artikel 5.6.2, aanhef en onder b, van de planregels anders dient te worden uitgelegd. Voorts acht de Afdeling nog van belang dat de uitleg van het college ertoe zou leiden dat voor werken en werkzaamheden waarvoor op zichzelf zowel onder het geldende bestemmingsplan als het voorheen geldende bestemmingsplan een vergunningplicht geldt, maar die ten tijde van het van kracht worden van het geldende bestemmingsplan illegaal in uitvoering waren, geen vergunningplicht meer zou gelden. Voor het oordeel dat de planwetgever dergelijke illegale werken en werkzaamheden van de vergunningplicht heeft willen uitzonderen, bieden de stukken geen grond.

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat, nu de aangevraagde werkzaamheden reeds op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan vergunningplichtig waren, de uitzondering op de vergunningplicht voor werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het geldende bestemmingsplan in uitvoering waren, in dit geval niet van toepassing is.

3.3. Gelet op het oogmerk van het aanlegvergunningstelsel is de Afdeling voorts van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 5.6.2, aanhef en onder b, van de planregels met zich brengt dat voor werken en werkzaamheden die op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan krachtens een verleende vergunning mochten worden uitgevoerd, slechts een uitzondering op het verbod om zonder vergunning werken en werkzaamheden uit te voeren geldt in de situatie dat deze werkzaamheden onder het voorheen geldende bestemmingsplan vergunningplichtig waren, maar onder het aanlegvergunningstelsel van het geldende bestemmingsplan geheel verboden zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij een andere uitleg de uitzondering op dat verbod voor vergunde werken en werkzaamheden zinledig zou zijn. Immers, als een vergunning is verleend voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, wordt het verbod om zonder vergunning werken of werkzaamheden uit te voeren niet overtreden.

De conclusie is dan ook dat, nu de aangevraagde werkzaamheden op grond van het geldende bestemmingsplan niet geheel zijn verboden, maar op grond van artikel 5.6.1 van de planregels onder de vergunningplicht vallen, ook deze uitzondering op de vergunningplicht zich niet voordoet. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat voor de werkzaamheden op grond van het geldende bestemmingsplan geen vergunning vereist is.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vereniging en de stichting tegen de besluiten van 15 april 2014 alsnog gegrond verklaren en die besluiten vernietigen. Het college zal opnieuw op de bezwaren van de vereniging en de stichting tegen de bij de besluiten van 28 februari 2005, 10 maart 2005 en 18 mei 2005 verleende aanlegvergunningen dienen te beslissen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat met de vernietiging van de besluiten van 15 april 2014 de intrekking van eerdergenoemde besluiten ongedaan wordt gemaakt.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 juli 2015 in zaken nrs. 14/1842, 14/1843 en 14/1844;

III. verklaart het beroep tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode van 15 april 2014 gegrond;

IV. vernietigt die besluiten;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noord-Oost-Brabant "Het groene hart" en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2021,50 (zegge: tweeduizendéénentwintig euro en vijftig cent), waarvan € 1984,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode aan de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noord-Oost-Brabant "Het groene hart" en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 1481,00 (zegge: veertienhonderdéénentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016

457-761.