Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1773

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201508135/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en geweigerd om haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 32
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.105d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/226
JV 2016/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508135/1/V3.

Datum uitspraak: 15 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 oktober 2015 in zaak nr. 15/911 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en geweigerd om haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 oktober 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2016, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. S. Coenen, advocaat te Utrecht, en S. Efendieva, tolk, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. L. Verheijen, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aanleiding

2. De vreemdeling, afkomstig uit Azerbeidzjan, heeft in 2009 samen met haar echtgenoot in Nederland asiel aangevraagd. Hun vlucht uit Azerbeidzjan was ingegeven door hetgeen zij, en dan met name haar echtgenoot, van de zijde van de autoriteiten aldaar hadden te vrezen. Hangende de aanvraag is de echtgenoot van de vreemdeling op 16 augustus 2010 overleden. De vreemdeling heeft vervolgens op 17 december 2010 als vluchteling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verkregen. Een dochter van de vreemdeling is woonachtig in Nederland en een tweede dochter in Azerbeidzjan.

In 2011, 2012 en 2013 is de vreemdeling met visa van de Azerbeidzjaanse ambassade in Den Haag naar Azerbeidzjan gereisd, dit in verband met het bijwonen van een herdenkingsdienst voor haar overleden echtgenoot, een miskraam van haar dochter en een ernstige ziekte van een zwager. De zwager is daags voor haar inreis overleden. Uit de stukken blijkt dat de duur van de bezoeken onderscheidenlijk ongeveer vier weken, tweeënhalve maand en twee maanden heeft bedragen. Bij de terugreis naar Nederland in 2013 is bij de grensdoorlaatpost Schiphol door de Koninklijke Marechaussee een mutatie opgemaakt van een verklaring van de vreemdeling, welke zij zich naar gesteld niet meer kan herinneren, dat zij op vakantie is geweest in Azerbeidzjan. Een en ander is voor de staatssecretaris aanleiding geweest nader onderzoek te doen. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft hij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning ingetrokken met toepassing van artikel 32, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) met terugwerkende kracht tot 5 juli 2011, de dag waarop het eerste visum is afgegeven. De staatssecretaris heeft zich daarbij - uitsluitend - beroepen op de zogenoemde eerste cessation clause.

De vreemdeling beschikt over een vluchtelingenpaspoort. In dit paspoort is Salyan, een stad en provincie in Azerbeidzjan, als geboorteplaats vermeld. Er staat niet dat de vreemdeling de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft. Op haar verblijfsdocument is als nationaliteit 'onbekend' vermeld. Niettemin neemt de Afdeling tot uitgangspunt dat de vreemdeling nog immer de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezit, nu dit altijd het uitgangspunt is geweest van partijen en de vreemdeling het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt.

Grief 1 inzake de cessation clause

3. In grief 1 betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het op eigen naam aanvragen van visa bij de autoriteiten van haar land van herkomst, met het doel om zich naar dat land te begeven en daar te verblijven, in dit geval naar zijn aard kwalificeert als het inroepen van de bescherming van de autoriteiten van dat land. Volgens de vreemdeling betekent het gegeven dat zij drie keer een reisvisum bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten heeft aangevraagd en verkregen en hiermee Azerbeidzjan driemaal is ingereisd, niet dat zij daarmee vrijwillig opnieuw de bescherming van de autoriteiten van haar land van herkomst heeft ingeroepen, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder a, van Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011 L 337, hierna: de Kwalificatierichtlijn; voorheen Richtlijn 2004/83/EG (PB 2004 L 304)). De asielproblemen zijn nog actueel, aldus de vreemdeling.

Beoordeling grief 1

4. Intrekking van de vluchtelingenstatus geschiedt volgens artikel 14, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn aan de hand van de criteria in artikel 11 (de zogenoemde cessation clauses). Artikel 14, eerste lid, is volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit van 9 april 2008 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Stb. 2008, 116) geïmplementeerd in artikel 3.105c, thans artikel 3.105d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), te lezen in samenhang met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De cessation clauses zijn als zodanig niet geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Gelet hierop ziet de Afdeling zich genoodzaakt te onderzoeken op welke wijze de volle werking van de Kwalificatierichtlijn kan worden verzekerd. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (hierna: het Hof; zie bijvoorbeeld het arrest van 24 januari 2012, Dominguez, punten 24 en 25, ECLI:EU:C:2012:33) dat de nationale rechter het nationale recht zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te voldoen. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitleg wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan niet dienen als grondslag voor een uitleg contra legem.

Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.105d van het Vb 2000, verplicht de staatssecretaris ertoe om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te trekken, dan wel te weigeren de geldigheidsduur daarvan te verlengen, indien de grond voor verlening van die vergunning is komen te vervallen. Dit samenstel van bepalingen bevat naar het oordeel van de Afdeling voldoende ruimte om een richtlijnconforme uitleg aan de cessation clauses bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn mogelijk te maken. Deze uitleg druist niet in tegen de bewoordingen van de bepalingen en is verenigbaar met voormelde algemene rechtsbeginselen. De Afdeling betrekt daarbij dat artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn naar artikel 11 verwijst.

Laatstgenoemde bepaling is, evenals dezelfde bepaling in Richtlijn 2004/83/EG, gestoeld op het Vluchtelingenverdrag (zie COM(2001) 0510 def.; www.eur-lex.europa.eu). De Afdeling stelt vast dat de bepalingen van de Kwalificatierichtlijn moeten worden uitgelegd met inachtneming van - een volledige en niet-restrictieve toepassing van - het Vluchtelingenverdrag (zie het arrest van het Hof van 1 maart 2016, Alo en Osso, punten 29 en 30, ECLI:EU:C:2016:127).

5. In artikel 1(C) van het Vluchtelingenverdrag staan de cessation clauses. De staatssecretaris heeft zich bij de uitleg van artikel 1(C) onder meer gebaseerd op de uitleg die de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) daaraan in het "Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status (1979)" (hierna: het Handbook; zie ook de bijlage bij deze uitspraak), en zo ook in de "The Cessation Clauses: Guidelines on their Application" van april 1999 (hierna: de Guidelines; zie ook de bijlage bij deze uitspraak), heeft gegeven. Het Handbook bevat geen bindende regels voor de uitleg van de cessation clauses (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AG3385). Er is geen aanleiding anders te oordelen ten aanzien van de Guidelines. Wel vormt het Handbook, en zo ook de Guidelines, een belangrijke bron bij de uitleg van de cessation clauses, mede gelet op de bijzondere positie die de UNHCR ingevolge artikel 35, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag toekomt.

6. De Afdeling leest hetgeen de rechtbank onder 7. in de aangevallen uitspraak heeft overwogen aldus dat de rechtbank alle in de eerste alinea van die rechtsoverweging uiteengezette omstandigheden, in onderlinge samenhang, en niet slechts het aanvragen van visa bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten, zoals genoemd in de tweede alinea van die rechtsoverweging, ten grondslag heeft gelegd aan haar conclusie dat de vreemdeling de bescherming van de autoriteiten van haar land van herkomst heeft ingeroepen.

7. Algemeen wordt aangenomen en zo is het ook in paragraaf 119 van het Handbook vermeld dat voor toepassing van de eerste cessation clause aan drie voorwaarden moet zijn voldaan: de vluchteling moet vrijwillig hebben gehandeld, het oogmerk moet zijn gericht op het verkrijgen van bescherming en de bescherming van het land van zijn nationaliteit moet feitelijk zijn verkregen. Niet in geschil is dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. De vreemdeling betwist dat aan de tweede en derde voorwaarde is voldaan. Of aan deze voorwaarden en daarmee aan de eerste cessation clause is voldaan, dient te worden bezien aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, waaronder het handelen en nalaten van de vreemdeling. In dit licht bezien overweegt de Afdeling als volgt.

De vreemdeling is driemaal naar Azerbeidzjan gereisd. Daarbij heeft zij gebruik gemaakt van het door de Nederlandse autoriteiten aan haar afgegeven vluchtelingenpaspoort met daarin de vermelding van haar geboorteplaats en de door de Azerbeidzjaanse ambassade op haar verzoek afgegeven visa. Het verkrijgen van deze visa is te vergelijken met het in paragraaf 122 van het Handbook vermelde 'obtaining an entry permit'.

De vreemdeling is alle keren, getuige de stempels in haar paspoort, legaal en zonder noemenswaardige problemen via de grensdoorlaatpost op het internationale vliegveld van Baku, Azerbeidzjan in- en uitgereisd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat het driemaal legaal in- en uitreizen via een officiële grensdoorlaatpost heeft plaatsgevonden doordat een zwager steekpenningen heeft betaald, zoals de vreemdeling heeft gesteld. De vreemdeling heeft die stelling ter zitting niet nader kunnen onderbouwen.

Hoewel de door de vreemdeling gestelde redenen voor haar bezoeken aan Azerbeidzjan legitiem zijn en vergelijkbaar met het in paragraaf 125 van het Handbook beschreven ‘visiting an old or sick parent’, verhoudt de duur van die bezoeken, ongeveer vier weken tot tweeënhalve maand, zich daar niet mee. De vreemdeling heeft, desgevraagd ter zitting, geen afdoende verklaring kunnen geven waarom deze duur gegeven de gestelde doelen van de bezoeken nodig was, dan wel waarom deze bezoeken langer hebben geduurd dan in het licht van de gestelde doelen van die bezoeken en haar vrees voor de autoriteiten van Azerbeidzjan in de rede zou hebben gelegen. Van pogingen om de duur van de bezoeken te verkorten is niet gebleken. De duur en de frequentie van de door de vreemdeling aan Azerbeidzjan gebrachte bezoeken passen aldus bij de in paragraaf 125 beschreven ‘regular visits to that country spent on holidays’.

Tijdens haar bezoeken heeft de vreemdeling bij verschillende familieleden verbleven, waaronder haar dochter, zodat zij, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor de Azerbeidzjaanse autoriteiten steeds traceerbaar is geweest. Dat die autoriteiten op de adressen van de familieleden waar de vreemdeling verbleef dan wel tijdens de door haar bijgewoonde herdenkingsdienst voor haar overleden echtgenoot en die voor haar zwager naar haar hebben gezocht, heeft de vreemdeling niet gesteld.

Gelet op alle voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft de staatssecretaris terecht geconcludeerd dat de vreemdeling zich vrijwillig onder de bescherming van de autoriteiten van haar land van nationaliteit heeft gesteld en deze bescherming ook heeft verkregen. Zodoende is voldaan aan de eerste cessation clause. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

De grief faalt.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, zoals de vreemdeling heeft verzocht, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag over de betrokken unierechtelijke regel in de onderhavige zaak moet worden opgelost (arrest van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, punt 16, ECLI:EU:C:1982:335).

Grief 2 inzake tijdelijke humanitaire gronden

9. In grief 2 betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen zij heeft aangevoerd, niet kan worden aangemerkt als een schrijnende situatie die noopt tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden' bedoeld in artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000. De rechtbank heeft volgens de vreemdeling miskend dat de door haar overgelegde medische stukken en de dreigende scheiding van het gezin van haar in Nederland woonachtige dochter ook in het kader van haar beroep op bijzondere schrijnende omstandigheden moeten worden betrokken. Daarbij is de rechtbank buiten de grenzen van het geschil getreden door te overwegen dat zij niet onderschrijft dat een belangrijk deel van de familie van de vreemdeling is toegelaten in Nederland. De omstandigheid dat het graf van haar echtgenoot zich in Nederland bevindt en zij dit maandelijks bezoekt, is een indicatie van schrijnendheid, aldus de vreemdeling. Daarbij beroept zij zich op een brief van de toenmalige minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 februari 2007 over de beoordeling van verzoeken om toelating wegens schrijnendheid (Kamerstukken II 2006/07, 19 637, nr. 1131). De vreemdeling stelt het graf van haar echtgenoot vanuit Azerbeidzjan niet met de huidige frequentie te kunnen bezoeken.

Beoordeling grief 2

10. Niet in geschil is dat de staatssecretaris de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken. Bij deze afweging komt de staatssecretaris beleidsruimte toe. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden op zichzelf beschouwd en in onderlinge samenhang bezien niet nopen tot verlening van een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden'. Daarover overweegt de Afdeling het volgende.

Wat betreft haar psychisch lijden als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot is het aan de vreemdeling aannemelijk te maken waarom dit een omstandigheid is die noopt tot verlening van voormelde verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De vreemdeling is daarin niet geslaagd. De staatssecretaris heeft in zijn besluit terecht erop gewezen dat niet is gebleken van een behandeling door een psychiater. Ook de overige door de vreemdeling aangevoerde medische beperkingen, te weten chronische astma, osteoporose en een stemmingsstoornis, heeft de staatssecretaris in redelijkheid ontoereikend kunnen achten. De vreemdeling heeft niet onderbouwd dat deze medische beperkingen zodanig ernstig zijn dat zij om die reden in Nederland moet blijven. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij daarvoor niet in Azerbeidzjan kan worden geholpen.

Wat betreft de dreigende scheiding van het gezin van de dochter van de vreemdeling in Nederland heeft de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling het gezin met visa kort verblijf kan blijven bezoeken. De Afdeling volgt de vreemdeling niet in haar betoog dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door te overwegen dat zij niet onderschrijft dat een belangrijk deel van de familie van de vreemdeling is toegelaten in Nederland. De rechtbank heeft daarmee gereageerd op de stelling van de vreemdeling tijdens de zitting bij de rechtbank dat zij gescheiden zal worden van haar familie in Nederland en aldus een conclusie getrokken aan de hand van de feiten in deze zaak. Niet valt in te zien dat de rechtbank op basis daarvan tot een onjuiste conclusie is gekomen. De vreemdeling heeft immers zelf aangegeven meerdere familieleden in Azerbeidzjan te hebben, waaronder een dochter.

Over de brief van de toenmalige minister van Justitie overweegt de Afdeling dat een beroep hierop niet kan slagen omdat het beoordelingskader uit die brief niet op de onderhavige situatie van toepassing is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5033). Wel kan het vermelde in die brief worden betrokken bij de door de staatssecretaris te maken afweging (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6235). De in de brief genoemde factoren zijn evenwel op zichzelf beschouwd niet doorslaggevend. De staatssecretaris heeft de omstandigheid dat het graf van de echtgenoot van de vreemdeling in Nederland ligt, in zijn afweging meegenomen. Hoewel de vreemdeling het graf van haar echtgenoot vanuit Azerbeidzjan niet met de huidige maandelijkse regelmaat zal kunnen bezoeken, kan de vreemdeling, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met visa kort verblijf en ook met hulp van haar in Nederland woonachtige dochter terugkeren naar Nederland om het graf te bezoeken.

De grief faalt.

Conclusie

11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Bechinka

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016

371.

BIJLAGE

Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève (Trb. 1951, 131), zoals gewijzigd bij het Protocol van New York (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag)

Artikel 1(C)

Dit Verdrag houdt op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van afdeling A, indien (1) hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit; (…).

Artikel 35

1. De Verdragsluitende Staten verbinden zich om met het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, of elke andere organisatie van de Verenigde Naties die het mocht opvolgen, samen te werken in de uitoefening van zijn functie en zullen in het bijzonder zijn taak om toe te zien op de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag vergemakkelijken.

(…)

Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011 L 337; de Kwalificatierichtlijn)

Artikel 11

1. Een onderdaan van een derde land of staatloze houdt op vluchteling te zijn wanneer hij:

a) vrijwillig opnieuw de bescherming inroept van het land van zijn nationaliteit; (…).

Artikel 14

1. Met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/83/EG, trekken de lidstaten de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie verleende vluchtelingenstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze in, beëindigen zij deze of weigeren zij deze te verlengen indien hij volgens de criteria van artikel 11 geen vluchteling meer is.

(…)

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 32

1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien:

(…)

c. de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen;

(…).

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.6a (zoals luidend ten tijde van belang)

1. Bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet, kan alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet worden verleend:

(…)

c. onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, onder b.

(…)

5. Het eerste lid en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, wordt ingetrokken of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen.

Artikel 3.48

(…)

2. De verblijfsvergunning kan voorts worden verleend aan:

(…)

b. andere vreemdelingen dan bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.105d (zoals luidend ten tijde van belang)

1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet, wordt ingetrokken dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt afgewezen indien sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet.

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf C1/3.7 (zoals luidend ten tijde van belang)

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder c, Vb juncto artikel 3.48, tweede lid, onder b, Vb ambtshalve wanneer de Minister hier op grond van zijn discretionaire bevoegdheid toe heeft besloten.

Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status (1979)

Paragraaf 119

This cessation clause implies three requirements:

(a) voluntariness: the refugee must act voluntarily;

(b) intention: the refugee must intend by his action to re-avail himself of the protection of the country of his nationality;

(c) re-availment: the refugee must actually obtain such protection.

Paragraaf 122

A refugee requesting protection from the authorities of the country of his nationality has only "re-availed" himself of that protection when his request has actually been granted. The most frequent case of "re-availment of protection" will be where the refugee wishes to return to his country of nationality. He will not cease to be a refugee merely by applying for repatriation. On the other hand, obtaining an entry permit or a national passport for the purposes of returning will, in the absence of proof to the contrary, be considered as terminating refugee status. This does not, however, preclude assistance being given to the repatriant — also by UNHCR — in order to facilitate his return.

Paragraaf 125

Where a refugee visits his former home country not with a national passport but, for example, with a travel document issued by his country of residence, he has been considered by certain States to have re-availed himself of the protection of his former home country and to have lost his refugee status under the present cessation clause. Cases of this kind should, however, be judged on their individual merits. Visiting an old or sick parent will have a different bearing on the refugee's relation to his former home country than regular visits to that country spent on holidays or for the purpose of establishing business relations.

The Cessation Clauses: Guidelines on their Application (1999)

Paragraaf 8

The re-availing of the protection of the country of nationality should lead to cessation where the refugee has acted voluntarily, has intended to re-avail himself of the protection of the country of his/her nationality; and has actually obtained such protection.