Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201508269/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:6195, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, haar opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508269/1/V2.

Datum uitspraak: 14 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 juli 2015 en haar uitspraak van 16 oktober 2015, beide in zaak nr. 15/4815 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, haar opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij besluit van 5 maart 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij tussenuitspraak van 22 juli 2015 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld het in die uitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 31 augustus 2015 heeft de staatssecretaris het besluit nader gemotiveerd. Deze brief is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 oktober 2015 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het besluit van 5 maart 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod, dat besluit in zoverre vernietigd, het door de vreemdeling tegen het besluit van 12 december 2014 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen de uitvaardiging van het inreisverbod, dat besluit in zoverre herroepen, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 maart 2015. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat te Haarlem, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een zienswijze ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft de Afghaanse nationaliteit. Haar echtgenoot (hierna: referent) heeft de Nederlandse nationaliteit. De staatssecretaris heeft eerder aan de vreemdeling met ingang van 4 december 2013 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf als familie- en gezinslid bij referent' verleend, geldig tot 4 december 2018.

In de voorliggende procedure heeft de staatssecretaris voormelde vergunning met terugwerkende kracht tot 4 december 2013 ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens en een terugkeerbesluit genomen. De rechtbank heeft het beroep in zoverre ongegrond verklaard. Het incidenteel hoger beroep dat de vreemdeling tegen de rechtbankuitspraak heeft ingesteld, gaat over het terugkeerbesluit.

Het hoger beroep van de staatssecretaris gaat over het recht op gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

2. Wat de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, is een herhaling van in beroep naar voren gebrachte standpunten, waarop de rechtbank heeft beslist. Daarom is het geen grief in de zin van artikel 85, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en is het hoger beroep ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 kennelijk niet-ontvankelijk.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3. In de grieven, in onderlinge samenhang bezien, klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 5 maart 2015 onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat zijn besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De staatssecretaris voert aan dat hij de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, voor zover van belang in het kader van artikel 8 van het EVRM, heeft betrokken en deugdelijk heeft gemotiveerd dat de inmenging in het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op gezinsleven gerechtvaardigd is.

3.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris het besluit van 5 maart 2015, waarin het besluit van 12 december 2014 is ingelast, deugdelijk gemotiveerd. Het enkele betoog van de vreemdeling in de bestuurlijke fase dat zich belemmeringen voordoen om het gezinsleven samen met referent in Afghanistan uit te oefenen, maakt niet dat de staatssecretaris het besluit van 5 maart 2015 onzorgvuldig heeft voorbereid, dan wel zijn standpunt ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat hij de vreemdeling niet heeft gehoord in bezwaar. De staatssecretaris heeft immers de nationaliteit van referent, de leeftijd van de vreemdeling en hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd over de zich eigen gemaakte Nederlandse normen en waarden betrokken bij zijn standpunt over het uitoefenen van gezinsleven in Afghanistan. De staatssecretaris heeft terecht in zijn besluit betrokken dat de vreemdeling en referent het gezinsleven uitsluitend in Nederland hebben kunnen uitoefenen doordat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt, dan wel gegevens hebben achtergehouden. Voorts wordt de vreemdeling geacht sterke banden te hebben met Afghanistan, gelet op het feit dat zij pas in 2013 op drieëntwintigjarige leeftijd naar Nederland is gekomen. Voor referent geldt hetzelfde, omdat hij oorspronkelijk uit Afghanistan komt. Dat de staatssecretaris niet uitdrukkelijk is ingegaan op de leeftijd van referent, te weten zesentwintig jaar ten tijde van het besluit, en op de omstandigheden die de staatssecretaris tot de overtuiging hebben geleid dat door de vreemdeling onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan wel achtergehouden, leidt, nog daargelaten of de vreemdeling dit tijdig naar voren heeft gebracht, niet tot een ander oordeel. Voorts leidt het betoog dat referent familieleden in Nederland heeft niet tot het beoogde doel, omdat de vreemdeling niet heeft toegelicht dat referent meer dan de gebruikelijke emotionele afhankelijkheid heeft ten opzichte van die familieleden.

3.2. Het betoog van de vreemdeling over de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan kan in deze procedure niet aan de orde komen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1623). Als de vreemdeling meent dat deze situatie noopt tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan zij een daartoe strekkende aanvraag indienen. Voor zover de vreemdeling heeft aangevoerd dat referent niet mee kan naar Afghanistan, omdat zich eerder bij zijn verblijf daar twee keer problemen hebben voorgedaan, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat die problemen niet van dien aard waren dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat referent reeds daarom niet naar Afghanistan zou kunnen gaan.

De grieven slagen.

4. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd.

5. Over het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 5 maart 2015 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

6. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenstaande, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 5 maart 2015 alsnog ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk;

III. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 juli 2015 en 16 oktober 2015, beide in zaak nr. 15/4815;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Ahmady-Pikart

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2016

572-795.