Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
201600137/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:15788, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600137/1/V1.

Datum uitspraak: 14 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 december 2015 in zaak nr. 15/14320 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 23 juli 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 december 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling, die de Liberiaanse nationaliteit heeft, heeft geen rechtmatig verblijf en kan daarom worden uitgezet. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft wegens zijn gezondheidstoestand.

2. De staatssecretaris heeft aan het besluit het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 11 maart 2015 (hierna: het BMA-advies) en de aanvullende nota van 6 juli 2015 (hierna: de BMA-nota) ten grondslag gelegd.

3. In het BMA-advies is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. De vreemdeling heeft klachten in het kader van een posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss), bestaande uit onder meer dissociatieve momenten. De medische behandeling van de vreemdeling bestaat uit therapie en medicatie. Niet wordt verwacht dat het uitblijven van deze behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Er zijn geen levensbedreigende symptomen van lichamelijke of psychiatrische aard beschreven en in de voorgeschiedenis zijn geen aanwijzingen voor een dergelijke toestand. Ook wordt niet verwacht dat de vreemdeling in een toestand geraakt dat maatregelen bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Bopz-maatregelen) moeten worden genomen. Er is geen sprake van actuele of concrete wensen tot zelfdoding, gedragingen die potentieel levensbedreigend zijn, ernstig vitaal lijden op grond waarvan zelfverwaarlozing wordt verwacht en psychotische verschijnselen van dien aard dat op grond daarvan wordt verwacht dat de vreemdeling onbedoeld in levensbedreigende toestand terecht zal komen.

Bij brief van 15 juni 2015 hebben de behandelaars van de vreemdeling, voor zover thans van belang, het volgende naar voren gebracht. De vreemdeling heeft dissociatieve klachten waarbij hij een gevaar vormt voor zichzelf. Tijdens dissociatieve momenten, die dagelijks voorkomen, kan hij niet meer adequaat reageren of bewegen; laat staan dat hij zich zelfstandig in veiligheid zou kunnen brengen in bijvoorbeeld een verkeerssituatie. Ingeschat wordt dat de dissociatieve klachten bij terugkeer naar Liberia sterk zal toenemen, hetgeen tot gevaarlijke situaties of de dood zou kunnen leiden.

In de BMA-nota wordt in reactie op de brief van 15 juni 2015, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. Er is geen aanleiding tot wijziging van het BMA-advies. Ondanks dat dissociaties optreden (vóór, maar ook gedurende de behandeling), zijn er geen Bopz-maatregelen genomen en is de vreemdeling niet onder permanent toezicht gesteld, zodat niet kan worden gezegd dat de vreemdeling in levensgevaar verkeert als gevolg van de dissociaties of dat het staken van de behandeling tot een dergelijke situatie leidt. De speculatie over wat er gebeurt bij terugkeer naar Liberia is voor rekening van de behandelaars, dit past niet in een objectief medisch advies.

Bij brief van 10 september 2015 hebben de behandelaars in reactie op de BMA-nota, voor zover thans van belang, naar voren gebracht dat vanuit behandelperspectief wordt ingeschat dat Bopz-maatregelen zijn voorkomen door de medicatie, de therapie en het sociale netwerk van de vreemdeling.

De vreemdeling heeft geen contra-expertise overgelegd.

4. De rechtbank heeft overwogen dat de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan in het BMA-advies en de BMA-nota niet inzichtelijk is beantwoord, nu daaruit niet blijkt of, en zo ja, hoe daarbij de stelling van de vreemdeling is betrokken dat noodsituaties die tot opname leiden, zijn voorkomen door medicatie, therapie en zijn sociale netwerk.

5. De enige grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 4. weergegeven overwegingen. De staatssecretaris voert onder meer aan dat in het BMA-advies en de BMA-nota de aard van de medische behandeling uitdrukkelijk is betrokken en voldoende inzichtelijk en concludent is toegelicht waarom niet wordt verwacht dat het uitblijven daarvan zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. De staatssecretaris wijst er daarbij op dat de vreemdeling deze toelichting op zichzelf niet heeft weersproken. Verder betoogt de staatssecretaris dat de omstandigheid dat de vreemdeling thans behandeling voor zijn klachten ontvangt, er niet aan afdoet dat de medische voorgeschiedenis van belang blijft voor de beoordeling van zijn ziektebeeld en de verdere ontwikkeling daarvan.

5.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

5.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:479, volgt dat het BMA, zoals de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling in die zaak heeft toegelicht, voor de beantwoording van de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan, mede gelet op het Protocol Bureau Medische Advisering 2010 (www.ind.nl), de medische voorgeschiedenis van een vreemdeling en het ziektebeloop, bijvoorbeeld of sprake is geweest van opname in een psychiatrisch ziekenhuis, beziet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:826, volgt voorts dat de omstandigheid dat de vreemdeling thans behandeling voor zijn klachten ontvangt er niet aan afdoet dat voor de beoordeling van zijn ziektebeeld en de verdere ontwikkeling daarvan, zijn medische voorgeschiedenis van belang blijft. Gezien het vermelde onder 3. heeft het BMA de medische voorgeschiedenis van de vreemdeling onderzocht en is de uitkomst daarvan duidelijk weergegeven. De vreemdeling heeft die uitkomst op zichzelf niet weersproken. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande niet onderkend dat het BMA-advies en de BMA-nota zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn, zodat de staatssecretaris heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en het BMA-advies en de BMA-nota terecht aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.

De grief slaagt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

7. De vreemdeling heeft aangevoerd dat in de BMA-nota voor de beantwoording van de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan ten onrechte bepalend is geacht dat geen Bopz-maatregelen zijn genomen en hij niet onder permanent toezicht is gesteld, nu hij niet is verzekerd en daarom niet zal worden toegelaten tot deze zorg. De staatssecretaris heeft zich ter zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat hiervoor geen verzekering nodig is. Nu de vreemdeling dit niet heeft weersproken, faalt de beroepsgrond.

8. De vreemdeling heeft aangevoerd dat het BMA niet is ingegaan op zijn psychotische symptomen.

8.1. De behandelaars hebben in de brief van 15 juni 2015, voor zover hier van belang, naar voren gebracht dat de vreemdeling last heeft van psychotische symptomen in de vorm van stemmen en beelden die hem zodanig angstig maken dat hij een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving vormt. In de BMA-nota is in reactie hierop vermeld dat dit niet gelijk is te stellen met een medische noodsituatie en dat deze verschijnselen passen in het kader van de gestelde diagnose, herbelevingen bij een ptss. In de brief van 10 september 2015 hebben de behandelaars bevestigd dat de genoemde verschijnselen passen bij de gestelde diagnose, maar betwisten zij dat deze klachten niet kunnen leiden tot het ontstaan van een medische noodsituatie. De staatssecretaris heeft zich in verweer in beroep in reactie hierop terecht op het standpunt gesteld dat een verschil van inzicht over de uit de medische gegevens te trekken conclusie over het ontstaan van een medische noodsituatie op zichzelf niet betekent dat het BMA-advies en de BMA-nota's niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn (vergelijk onder meer de uitspraak van 6 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:66). De beroepsgrond faalt.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 december 2015 in zaak nr. 15/14320;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2016

154-827.