Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1756

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201505296/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze 2012-1" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/297
JOM 2016/603
JBO 2016/198 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505296/1/R2.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

2. [appellant sub 2], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

3. [appellant sub 3A], thans zijn rechtsopvolger [appellant sub 3B] (hierna: [appellant sub 3]), wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

4. [appellant sub 4], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,

5. [appellant sub 5], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

6. [appellant sub 6] en anderen, wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

en

de raad van de gemeente Bernheze,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze 2012-1" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] en anderen beroep ingesteld. Ook is beroep ingesteld door [partij A] en door [partij B] en [partij C].

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij D] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 5], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2016, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 3], [appellant sub 6] en anderen, bijgestaan door mr. M.C.H. van de Sande-van de Ven, en de raad, vertegenwoordigd door M.H.P van den Elsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij D], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

De Afdeling heeft op de zitting van 31 maart 2016 tevens de beroepen van [partij A] en van [partij B] en [partij C] behandeld. Na de zitting zijn deze beroepen afgesplitst van de behandeling van de overige beroepen. De behandeling van deze beroepen wordt voortgezet onder nr. 201505296/2/R2.

Overwegingen

Het plan

1. Bij uitspraak van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3335, (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het besluit van 26 juni 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" op onderdelen vernietigd. In de uitspraak van 10 september 2014 heeft de Afdeling de raad opgedragen ten aanzien van de vernietigde planonderdelen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen binnen 26 weken een nieuw besluit te nemen. Met het besluit van 28 mei 2015 heeft de raad beoogd te voldoen aan de in de uitspraak van 10 september 2014 opgenomen opdracht. Het besluit is zonder toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vastgesteld.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aan de [locatie 1] te Nistelrode.

In de uitspraak van 10 september 2014 heeft de Afdeling het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aan de [locatie 1] te Nistelrode, voor zover niet alle bestaande legale gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwvlak zijn opgenomen, naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1] wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vernietigd. In de overwegingen 216.1 en 216.2 van die uitspraak is daartoe overwogen dat de raad in de Nota van Zienswijzen bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 1] te kennen had gegeven dat het bouwvlak ten behoeve van alle bestaande legale gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen op het perceel [locatie 1] in overeenstemming met het verzoek in de zienswijze zou worden aangepast. Vastgesteld is dat deze wijziging niet was verwerkt op de vastgestelde verbeelding, zodat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre waren vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

In het voorliggende plan heeft de raad een groter bouwvlak dan het bouwvlak in het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" toegekend. De raad heeft daarmee overeenkomstig de toezegging in de Nota van Zienswijzen, behorende bij dit plan, beoogd om alle bestaande legale gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwvlak op te nemen.

4. [appellant sub 1] betoogt dat het bouwvlak in dit plan nog steeds niet helemaal overeenkomstig het voorgestelde bouwvlak in zijn zienswijze over het ontwerp van het plan "Buitengebied Bernheze" is aangepast. Op de gronden waaraan ook in dit plan geen bouwvlak is toegekend, ligt het zogenoemde koepad.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan de opdracht van de Afdeling is voldaan. Volgens de raad is het niet nodig om een bouwvlak ter plaatse van het koepad toe te kennen, omdat het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" dit gebruik ook buiten het bouwvlak toestaat.

4.2. De Afdeling stelt vast dat het koepad deels buiten het toegekende bouwvlak in dit plan ligt. Aan deze gronden is in het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" zonder bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder e en f, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" zijn de voor "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik en de uitoefening van het agrarische bedrijf.

4.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad terecht stelt dat het niet noodzakelijk is dat het bouwvlak tevens het koepad omvat. Het koepad maakt weliswaar deel uit van het agrarische bedrijf van [appellant sub 1], maar de aanwezigheid hiervan en het gebruik van de gronden als koepad zijn gelet op artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder e en f, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" toegestaan op de als "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" bestemde gronden. Voorts is niet in de planregels bepaald dat een koepad alleen binnen een bouwvlak is toegestaan. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid aanleiding had moeten zien om een groter bouwvlak aan het perceel toe te kennen. Het betoog faalt.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

6. Het beroep van [appellant sub 2], die op het perceel [locatie 2] te Heeswijk-Dinther woont en daar een varkens- en rundveehouderij exploiteert, is gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de Vorstenbosseweg 9 te Heeswijk-Dinther, voor zover daarmee een bed en breakfast, een culinair educatiecentrum en een vergaderruimte mogelijk worden gemaakt. Het pand op dit perceel is de Petrus Hoeve.

In de uitspraak van 10 september 2014 heeft de Afdeling de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel Vorstenbosseweg 9 te Heeswijk-Dinther naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 2] wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vernietigd. In overweging 147.1 van die uitspraak is daartoe overwogen dat de in het ontwerpplan toegekende aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas en zuivelboerderij" bij de vaststelling van het plan is gewijzigd. Nu die wijziging niet was opgenomen in de lijst van wijzigingen en daarmee niet in het vaststellingsbesluit was begrepen, waren het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

In het raadsvoorstel en de daarbij behorende bijlage "overzicht te repareren planonderdelen" staat dat ten behoeve van de vaststelling van dit plan voor perceel Vorstenbosseweg 9 een ruimtelijke onderbouwing is opgesteld op grond waarvan de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" alsnog aan dat perceel kan worden toegekend. Voorts is de situering van de bed & breakfast op de verbeelding weergegeven en een bijbehorende regeling daarvoor in de planregels opgenomen en is een regeling voor de vergaderaccommodatie en horecafunctie in de planregels opgenomen. Daarnaast is een geuronderzoek uitgevoerd op grond waarvan een geurcontour rondom de veehouderij van [appellant sub 2] op de verbeelding is weergegeven en een bijbehorende regeling in de planregels is opgenomen. De raad heeft hiermee beoogd de inhoudelijke bezwaren van [appellant sub 2] tegen de aanduiding weg te nemen.

7. Aan het perceel Vorstenbosseweg 9 zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" toegekend. Aan een deel van het perceel is de aanduiding "bed & breakfast" toegekend.

7.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsfuncties (functietype "bedrijf") ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de in Bijlage 1 opgenomen "Lijst van functieaanduidingen Agrarisch" en overeenkomstig de omschreven aard/functie van de bebouwing in de "Tabel functietype Bedrijf";

In Bijlage 1 "Lijst van functieaanduidingen Agrarisch" is in "Tabel functietype Bedrijf" opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" bebouwing met de functie /aard ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten is toegestaan.

Ingevolge lid 3.2, aanhef en onder a, mogen op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen het bouwvlak.

In lid 3.5.2, sub a, staat:

Specifieke gebruiksregels functietype agrarisch bedrijf:

1. als specifieke nevenactiviteit is de verkoop van streek- of bedrijfseigen producten tot een verkoopvloeroppervlak van max. 100 m² toegestaan, evenals verkoop van streek- of bedrijfseigen producten met een bestaand verkoopvloeroppervlak van meer dan 100 m²;

(…);

Een inpandige oppervlakte van 30 m² en een buitenpandige (terras) oppervlakte van 70 m² mag worden gebruikt voor ondergeschikte horeca-activiteiten.

Ingevolge lid 3.5.3 wordt het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in lid 3.1 tot een met de bestemming strijdig gebruik gerekend, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

(…).

7.2. Ingevolge artikel 3 van de regels van het voorliggende plan blijven de bestemmingsregels zoals bepaald in het bestemmingplan "Buitengebied Bernheze" van toepassing, met dien verstande dat:

A. Artikel 3 ("Agrarisch") als volgt wordt aangepast:

3. lid 3.5, onder 3.5.2, wordt aangevuld met een sub c, dat als volgt luidt:

"c. functietype specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed and breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten:

1. de bed and breakfast functie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bed & breakfast";

2. het aantal kamers ten behoeve van de bed and breakfast functie bedraagt maximaal 4 en het aantal overnachtingsplekken in totaal maximaal 8;

3. de vergaderaccommodatie en/of de horecafunctie zijn uitsluitend toegestaan ondergeschikt aan en ten dienste van de ambachtelijke kaas en zuivelmakerij;

4. feesten en partijen zijn niet toegestaan."

4. lid 3.5 onder 3.5.3. wordt aangevuld met een sub i, dat als volgt luidt:

"i. het gebruik van de gronden en opstallen voor geurgevoelige objecten voor zover gelegen ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - geurzone"."

8. [appellant sub 2] betoogt dat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" niet overeenkomt met de feitelijke bedrijfsactiviteiten. Niet is onderzocht of er ter plaatse een culinair educatiecentrum in bedrijf is. Volgens [appellant sub 2] zijn de activiteiten niet te onderscheiden van een reguliere horecagelegenheid, hetgeen volgens hem in dit plan vanwege het ontbreken van een nadere planregeling voor het culinaire educatiecentrum onvoldoende is uitgesloten. Voorts is niet onderzocht of de melk- en kaasproductie in omvang en wat betreft de gestelde aanvang daarvan overeenkomt met de feitelijke situatie. [appellant sub 2] betoogt daarnaast dat ten tijde van de vaststelling van het plan sprake was van gewijzigde feiten en omstandigheden. Er is thans geen kok meer werkzaam bij de op het perceel liggende Petrus Hoeve, de bijeenkomsten van kookclubs vinden niet meer plaats en het pand is verkocht. Hiermee is geen rekening gehouden in de ruimtelijke onderbouwing, zodat geen sprake is van een passende bestemming. Daarbij wijst [appellant sub 2] erop dat de aanduiding te specifiek is voor een opvolgende exploitant. Het besluit kan daarom volgens hem niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de omschrijving van de feitelijke bedrijfsactiviteiten in het deskundigenbericht dat in het kader van de uitspraak van 10 september 2014 is uitgebracht ten grondslag is gelegd aan de ruimtelijke onderbouwing voor dit perceel. Hieruit volgt dat de aanduiding overeenkomt met de bedrijfsactiviteiten ter plaatse, zodat de bestemming volgens de raad passend is. Een opvolgende exploitant dient de gronden te gebruiken passend binnen de in het plan geboden maximale mogelijkheden, die de raad niet te specifiek acht.

8.2. In het deskundigenbericht staat dat de Petrus Hoeve, een culinair kennis- en adviescentrum voor de ontwikkeling en promotie van streekgebonden producten, sinds 2010 op het perceel is gevestigd. De bedrijfsactiviteiten bestaan onder meer uit een zuivel- en kaasmakerij en de exploitatie van een landgoedwinkel, waar streekproducten worden verkocht. In de zuivel- en kaasmakerij wordt ongeveer 100.000 liter melk per jaar verwerkt. Verder worden vergaderruimtes tot maximaal 200 personen verhuurd en kookavonden en voedingstrainingen voor groepen gehouden. Op de eerste verdieping van het pand bevindt zich de bedrijfswoning en wordt een bed en breakfast met vier kamers geëxploiteerd.

8.3. Wat betreft de vrees van [appellant sub 2] dat een horecagelegenheid in de Petrus Hoeve zal worden geëxploiteerd waarbij feesten en partijen worden gegeven, omdat in de planregels onvoldoende is geborgd dat alleen een culinair educatiecentrum is toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 3, lid 3.5.2, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" is opgenomen dat de horecafunctie uitsluitend ondergeschikt en ten dienste van de ambachtelijke kaas- en zuivelmakerij is toegestaan en tot een maximum inpandige oppervlakte van 30 m² en een buitenpandige oppervlakte van 70 m². Voorts is bepaald dat feesten en partijen niet zijn toegestaan. Een zelfstandige reguliere horecagelegenheid waar feesten en partijen worden gegeven is derhalve niet toegestaan. Het betoog faalt.

8.4. De Afdeling leidt uit de ruimtelijke onderbouwing af dat de raad heeft beoogd een maatbestemming vast te stellen voor de bedrijfsactiviteiten van de Petrus Hoeve, hetgeen gerechtvaardigd kan zijn indien daaraan deugdelijke planologische motieven ten grondslag liggen. Ter zitting is evenwel vastgesteld dat de Petrus Hoeve reeds ten tijde van de vaststelling van het plan zijn activiteiten ter plaatse had beëindigd. De maatbestemming stemt derhalve niet overeen met de situatie zoals die ter plaatse feitelijk bestaat. Niet is gebleken dat de raad bij de vaststelling van het plan met het eindigen van de bedrijfsactiviteiten rekening heeft gehouden. Voor zover de raad stelt dat een andere exploitant eenzelfde bedrijf kan voeren, overweegt de Afdeling dat dit niet zonder meer aannemelijk is bij een specifieke maatbestemming als deze. Bovendien heeft de raad ter zitting vermeld dat geen sprake is van een belangstellende voor de exploitatie van de Petrus Hoeve. Nu de hierboven vermelde bedrijfsactiviteiten ten tijde van het bestreden besluit niet meer plaatsvonden en geen concreet vooruitzicht bestaat dat deze op korte termijn weer zullen gaan plaatsvinden, is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat en onderzocht of de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" in dit geval een passende bestemming is. Het plan is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd en zorgvuldig voorbereid.

De Afdeling wijst er bovendien op dat in dit plan, anders dan in het plan "Buitengebied Bernheze", geen bouwvlak aan het perceel is toegekend. De bebouwing op het perceel is daarmee niet als zodanig bestemd, zodat dit plan niet het door de raad met de maatbestemming beoogde gebruik mogelijk maakt. Anders dan de raad stelt, is het onvoldoende alleen een bestemmingsvlak op te nemen, nu in artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" is bepaald dat gebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Gelet hierop is het plan ook in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

9. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf, ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" voor het perceel Vorstenbosseweg 9 en de daarmee samenhangende gebiedsaanduiding "milieuzone - geurzone" voor het perceel [locatie 2]. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

10. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 3]

11. Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ten oosten van zijn perceel aan de [locatie 3] te Heeswijk-Dinther voor zover daarmee een dier- en tuinweide is mogelijk gemaakt.

In de uitspraak van 10 september 2014 heeft de Afdeling de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" ter plaatse van de dier- en tuinweide ten oosten van het perceel [locatie 3] te Heeswijk-Dinther naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 3] wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd. In de overwegingen 157.5 en 157.6 van die uitspraak is daartoe overwogen dat het gebruik van het desbetreffende terrein als dier- en tuinweide niet in overeenstemming is met het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1998 en dat er ook overigens geen onherroepelijke planologische basis bestaat voor dit gebruik. De raad had bij de vaststelling van het plan een planologische afweging moeten maken over het gebruik van het terrein als dier- en tuinweide.

In het raadsvoorstel en de daarbij behorende bijlage "overzicht te repareren planonderdelen" staat dat ten behoeve van de vaststelling van dit plan voor het terrein nabij [locatie 3] een ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, omdat niet is uitgesloten dat ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 3] overlast zal worden ondervonden door de dier- en tuinweide. Op grond van de ruimtelijke onderbouwing is vastgesteld dat de dier- en tuinweide niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning, zodat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - natuureducatie" alsnog aan het terrein kan worden toegekend. Ten opzichte van het vorige plan is het bouwvlak verkleind vanwege de landschappelijke waarden op en nabij het terrein.

12. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] dat het gemeentebestuur hem in het verleden onheus heeft bejegend, overweegt de Afdeling dat dit betoog betrekking heeft op een eerdere procedure over de dier- en tuinweide. In deze procedure staat alleen het bij het bestreden besluit vastgestelde bestemmingsplan ter beoordeling. Het betoog treft daarom geen doel.

13. [appellant sub 3] voert aan dat de ruimtelijke onderbouwing voor het bestemmen van de dier- en tuinweide ondeugdelijk, tegenstrijdig en onvolledig is en er geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Volgens [appellant sub 3] leidt het plan tot een aantasting van de ter plaatse aanwezige natuur- en landschapswaarden en tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. In dat kader betoogt [appellant sub 3] dat het wandelpad, aangeduid als "blotevoetenpad", als een bedrijfsactiviteit is aan te merken en op slechts 3 m afstand van zijn perceelgrens ligt. Dit wandelpad trekt geen rustige wandelaars, maar luidruchtige jongeren.

13.1. Aan het terrein is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend. Voorts is aan het oostelijke deel van het terrein de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - natuureducatie" toegekend en is op een gedeelte daarvan een bouwvlak opgenomen.

13.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

i. bedrijfsfuncties (functietype "bedrijf") ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de in Bijlage 3 opgenomen "Lijst van functieaanduidingen Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" en overeenkomstig de omschreven aard/functie van de bebouwing in de "Tabel functietype Bedrijf";

(…);

w. extensieve dagrecreatie;

(…).

In Bijlage 3 "Lijst van functieaanduidingen Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" is in "Tabel functietype Bedrijf" opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - natuureducatie" bebouwing met de functie/aard natuureducatie is toegestaan.

13.3. In het deskundigenbericht dat in het kader van de uitspraak van 10 september 2014 is uitgebracht is vermeld dat de dier- en tuinweide gedurende het gehele jaar de hele dag vrij toegankelijk is. Het terrein bestaat uit twee te onderscheiden gedeelten. Het oostelijke deel is ingericht voor een meer intensief gebruik. Er is een kronkelig padenstelsel aangelegd dat de bezoekers leidt langs educatieve elementen, die uitleg geven over dieren en planten. Op dit gedeelte van het terrein staat bebouwing met een oppervlakte van 75 m2 voor onder meer opslag, stalling en schuilen. Het westelijke deel is ingericht voor extensief recreatief en educatief gebruik. Op dit deel van het terrein zijn geen gebouwen aanwezig en is alleen een zogenoemd gras-slingerpad aangelegd. Dit pad voert ook langs het perceel van [appellant sub 3]. De toegang van de dier- en tuinweide is aan de oostelijke zijde en ligt aan de Meerstraat, naast het hotel-restaurant. Aan deze zijde bevindt zich tevens de parkeergelegenheid.

In het deskundigenbericht is verder vermeld dat het terrein een zogenoemde bolle akker betreft, die door het aanwezige reliëf en door het contrast tussen de hier aanwezige openheid en de gesloten bosrand van de Heeswijkse bossen onmiskenbaar landschappelijke waarde heeft. Geconcludeerd is dat de openheid van de bolle akker door het feitelijke gebruik en de feitelijke inrichting van het terrein evident is aangetast.

13.4. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat het gebruik van het westelijke deel van het terrein is beperkt tot wandelen, waarbij langs het onverharde wandelpad enkele informatieborden zijn geplaatst. Het kenmerkende reliëf van het terrein, dat met name in dit deel van het terrein zichtbaar is, is hierdoor niet aangetast en het open karakter en de kenmerkende overgang van de lagere gelegen beek naar hoger gelegen bosgronden is behouden. Het oostelijke deel van het terrein heeft door de aanleg van inrichtingselementen, waaronder een weiland met een dierenweide, moestuin en een stelsel van onverharde en halfverharde (gras)paden, enig impact op de landschappelijke waarde van het gebied omdat door de realisering van bouwwerken en een (kleinschalig) gebouw een deel van de openheid is verloren. In de ruimtelijke onderbouwing is gesteld dat de aantasting van de landschappelijke waarden beperkt is, omdat het terrein nog goed herkenbaar is als onderdeel van het agrarische landschap en ook de omliggende landschappelijke elementen goed zichtbaar zijn. Hoewel het terrein een wat ander karakter heeft gekregen, is het open karakter van het gebied en de kenmerkende overgang van de lager gelegen beek naar de hoger gelegen bosgronden grotendeels behouden gebleven. Geconcludeerd is dat de beperkte gevolgen van de aanleg van de dier- en tuinweide voor de landschappelijke waarde van het gebied aanvaardbaar zijn vanwege de toegevoegde waarde hiervan op deze locatie voor de toeristisch-recreatieve sector.

13.4.1. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, na afweging van alle betrokken belangen, doorslaggevend gewicht had moeten toekennen aan de beperkte aantasting van de ter plaatse aanwezige landschapswaarden. De raad heeft daarbij in redelijkheid belang mogen hechten aan de omstandigheid dat op deze locatie in het buitengebied een aantal recreatieve voorzieningen is geconcentreerd, zodat de dier- en tuinweide in functioneel opzicht passend is in de omgeving en de toeristisch-recreatieve structuur hiermee wordt versterkt. [appellant sub 3] heeft dit standpunt niet gemotiveerd bestreden. Voorts is van belang dat uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de wezenlijke landschapselementen niet worden aangetast.

13.5. In de ruimtelijke onderbouwing is voor het bepalen van de hinder voor de omgeving voor het oostelijke deel van het terrein aangesloten bij de systematiek van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009. De bedrijfsactiviteiten komen overeen met een kinderboerderij, die in milieucategorie 2 valt. Hiervoor wordt in de VNG-brochure een richtafstand van 30 m in een rustig buitengebied aanbevolen. De afstand van dit gedeelte van het terrein tot de woning aan de [locatie 3] bedraagt ruim 110 m, zodat hieraan wordt voldaan. Omdat het gebruik van het westelijke deel van het terrein is beperkt tot agrarische grond met een wandelpad, is volgens de raad geen sprake van een bedrijfsactiviteit en is de systematiek van de VNG-brochure niet toegepast. De hinder vanwege dit deel van het terrein is beperkt tot stemgeluid van bezoekers die gebruik maken van het wandelpad dat langs het perceel [locatie 3] loopt. Gezien het extensieve karakter van dit deel van het terrein, het beperkte aantal bezoekers tot maximaal enkele tientallen per dag en de korte periodes waarin geluid hoorbaar is, is in de ruimtelijke onderbouwing gesteld dat geen sprake is van onaanvaardbare hinder. Geconcludeerd is dat de dier- en tuinweide het woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen niet onaanvaardbaar aantast.

13.5.1. De Afdeling stelt vast dat voor het gebruik van het westelijke deel van het terrein geen specifieke aanduiding is opgenomen, omdat dit gebruik past binnen de ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" toegestane functie extensieve dagrecreatie op de als "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" bestemde gronden. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het deel van het terrein dat aan zijn perceel grenst ten onrechte als extensieve dagrecreatie is aangemerkt en dat de raad dit gebruik daarom als een bedrijfsactiviteit in de zin van de VNG-brochure had moeten aanmerken. Niet is gebleken dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt ondeugdelijk is. Gelet op de aard en de functie van het pad, acht de Afdeling niet aannemelijk dat ter plaatse van de woning aan de [locatie 3] onaanvaardbare geluidhinder zal worden ondervinden. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat extensief recreatief medegebruik van de agrarische gronden aangrenzend aan het perceel van [appellant sub 3] niet tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat leidt.

13.6. De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat de raad in het kader van dit bestemmingsplan een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing heeft opgesteld over de aanvaardbaarheid van het gebruik van het terrein als dier- en tuinweide. In de ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig ingegaan op alle betrokken belangen, op grond waarvan vervolgens een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het betoog faalt.

14. [appellant sub 3] betoogt dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte is gesteld dat het plangebied in de groenblauwe mantel ligt en op grond daarvan is geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met de Verordening 2014. Het plangebied ligt volgens hem voor een deel in de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS).

14.1. De Afdeling stelt vast dat het terrein op de themakaart "Natuur en Landschap" van de Verordening 2014 is aangemerkt als groenblauwe mantel met aan de zuidzijde de aanduidingen "Behoud en herstel watersystemen" en "ecologische verbindingszone". Hiertoe zijn in het plan de aanduidingen "overige zone - groenblauwe mantel" en "wetgevingszone - ecologische verbindingszone" toegekend en bijbehorende planregels opgenomen. Anders dan [appellant sub 3] meent, ligt het plangebied niet in de EHS als bedoeld in de Verordening 2014. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

15. [appellant sub 3] betoogt dat de raad eraan voorbijgaat dat aan het terrein de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" is toegekend. Voor deze gronden zouden daarom dezelfde restricties moeten gelden als voor het perceel Meerstraat 43. Daarbij wordt verwezen naar de beantwoording van de zienswijze van [persoon] in de Nota van Zienswijze behorend bij het plan "Buitengebied Bernheze".

15.1. Vast staat dat aan het gehele terrein de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" is toegekend. In artikel 5, lid 5.2.2, aanhef en onder g, en lid 5.9.1, aanhef en onder c, sub 5, van de regels van het plan "Buitengebied Bernheze" is bepaald dat ter plaatse van deze aanduiding vergroting van de bestaande oppervlakte bebouwing van een intensieve veehouderij niet is toegestaan en dat de wijzigingsbevoegdheid om het bouwvlak van een intensieve veehouderij te vergroten niet geldt. Deze aanduiding heeft daarom alleen gevolgen voor een intensieve veehouderij, waarvan ter plaatse van het terrein geen sprake is. Nu in de beantwoording van de zienswijze van [persoon], anders dan [appellant sub 3] meent, niets is opgenomen over de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en door [appellant sub 3] niet aannemelijk is gemaakt dat de raad anderszins betekenis aan deze aanduiding had moeten geven, faalt het betoog.

16. [appellant sub 3] voert aan dat een deel van het wandelpad aan de westzijde ten onrechte buiten het plangebied ligt. Tegen het deel van het pad dat buiten het plangebied ligt en waarvoor zonder vergunning deels gebruik is gemaakt van een zandpand in eigendom van [appellant sub 3], dient daarom handhavend te worden opgetreden.

16.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling stelt vast dat aan het deel van het wandelpad dat buiten het plangebied ligt in het plan "Buitengebied Bernheze" de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" is toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder v, van de regels van dat plan zijn als zodanig aangewezen gronden bestemd voor extensieve dagrecreatie. Zoals volgt uit hetgeen onder 13.5.1 is overwogen, heeft de raad het gebruik van het wandelpad als extensieve dagrecreatie mogen aanmerken. De raad heeft zich daarom ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van de gronden voor een onverhard wandelpad ter plaatse van de door [appellant sub 3] bedoelde gronden reeds is toegestaan. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat geen aanlegvergunning voor dit deel van het wandelpad is verleend, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar een handhavingskwestie betreft. Handhavingsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Het betoog faalt.

17. [appellant sub 3] betoogt dat, nu het bouwvlak op het oostelijke deel van het terrein is verkleind, een aantal bouwwerken buiten het bouwvlak is komen te liggen. Onduidelijk is wat hiermee zal gebeuren. Daarbij wijst [appellant sub 3] erop dat hiervoor geen omgevingsvergunning voor bouwen is verleend.

17.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.2, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" mogen op de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat:

a. gebouwen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak;

b. buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 m;

(…).

17.2. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het bouwvlak in verband met de landschappelijke waarden is verkleind ten opzichte van het plan "Buitengebied Bernheze" teneinde te waarborgen dat de bebouwing geconcentreerd blijft en elders geen nieuwe bebouwing kan worden opgericht. Volgens de raad staat een aantal bouwwerken, waaronder informatieborden langs het onverharde wandelpad, op gronden buiten het bouwvlak, maar is het bouwvlak toegekend aan de gronden waarop gebouwen staan. [appellant sub 3] heeft dit niet bestreden.

Gelet op het bepaalde in artikel 5, lid 5.2, aanhef en onder a, van de regels van het plan "Buitengebied Bernheze" zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ook buiten het bouwvlak toegestaan, zodat de raad in zoverre niet was gehouden een groter bouwvlak toe te kennen. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat geen omgevingsvergunning voor bouwen voor de op het terrein aanwezige bebouwing is verleend, overweegt de Afdeling dat ook dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar een handhavingskwestie betreft.

Het betoog faalt.

18. [appellant sub 3] betoogt verder dat het westelijke deel van het terrein in een dassenleefgebied ligt, zodat de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" ten onrechte in dit plan is gewijzigd naar de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden".

18.1. Ter zitting heeft de raad erkend dat de bestemming van het westelijke deel van het terrein ten onrechte is gewijzigd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad heeft beoogd om evenals in het vorige plan "Buitengebied Bernheze" aan het westelijke deel van het terrein de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" toe te kennen, maar ten onrechte geen overeenkomstige regeling in het plan heeft opgenomen. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

19. Tot slot betoogt [appellant sub 3] dat de vier camperplaatsen op het parkeerterrein aan de Meerstraat niet als dagrecreatie zijn aan te merken. Een dergelijke uitbreiding van de toegestane activiteiten leidt eveneens tot onaanvaardbare hinder.

19.1. De Afdeling overweegt dat de juridische betekenis van een aanduiding op de verbeelding afhankelijk is van hetgeen over die aanduiding in de planregels is bepaald. Om aan een aanduiding juridische betekenis te geven, moet deze in de planregels worden verklaard. De Afdeling stelt vast dat de aanduiding "parkeerterrein" aan een deel van de oostelijke gronden is toegekend, maar dat noch dit plan noch het plan "Buitengebied Bernheze" voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" een planregel bevat met betrekking tot deze aanduiding. Dit betekent dat het plan ter plaatse niet voorziet in een parkeerterrein en ook niet in de mogelijkheid van gebruik van dat terrein voor camperplaatsen. Het voorgaande kan echter niet tot vernietiging leiden, omdat zowel de beroepsgrond over het gebruik als camperplaats als de door [appellant sub 3] gestelde overlast geen betrekking hebben op het plan zelf, maar op de handhaving daarvan. Het betoog faalt.

20. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover dat ziet op de vaststelling van de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" aan het westelijke deel van de dier- en tuinweide ten oosten van het perceel [locatie 3], zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

20.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door aan het westelijke deel van het terrein de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" toe te kennen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit, voor zover dat op dit punt is vernietigd. De Afdeling acht niet aannemelijk dat belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 3] en de raad ter zitting hebben aangegeven in te stemmen met de wijziging van de bestemming door de Afdeling, indien het tot een vernietiging van het bestreden besluit mocht komen. Voorts is niet aannemelijk dat de Stichting Dier & Tuin Weide, de exploitant van de dier- en tuinweide, en [de eigenaar] van het terrein, hierdoor in hun belangen worden geschaad, omdat de bestemming herleeft die in het plan "Buitengebied Bernheze" aan de gronden was toegekend, waartegen zij toentertijd niet zijn opgekomen.

21. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 4]

22. Het beroep van [appellant sub 4], die aan de [locatie 4] te Heesch een melkveehouderij exploiteert, is gericht tegen de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor de agrarische gronden op de percelen kadastraal bekend gemeente Heesch, sectie G, nrs. 148, 151 en 152 (hierna: gronden ten noordoosten van het perceel [locatie 4]).

In de uitspraak van 10 september 2014 heeft de Afdeling het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van dat plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 4] wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd. Voorts zijn de artikelen 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 19.2, onder 19.2.1, en lid 20.2, onder 20.2.1, genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden, onder meer naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 4] wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd.

In het voorliggende plan heeft de raad de regeling in artikel 19 en 20 van de planregels overeenkomstig de vernietiging aangevuld en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" alleen nog aan het onbebouwde deel van het bouwvlak op het perceel [locatie 4] toegekend. De raad heeft daarmee beoogd aan de opdracht in de uitspraak van 10 september 2014 te voldoen.

23. [appellant sub 4] betoogt dat de gronden ten noordoosten van het perceel [locatie 4] ten onrechte nog steeds de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" hebben. Volgens hem hebben de gronden geen archeologische waarde, hetgeen ook blijkt uit een bijgevoegde verklaring van T. van der Heijden van 3 maart 2014. De dubbelbestemmingen zijn onredelijk beperkend voor zijn agrarische bedrijfsvoering, met name vanwege het feit dat zonder vergunning geen grondbewerkingen dieper dan 40 cm zijn toegestaan, geen grond mag worden opgehoogd of geëgaliseerd en geen diepwortelende beplanting in de grond mag worden aangebracht.

23.1. De Afdeling stelt vast dat de gronden ten noordoosten van het perceel [locatie 4] geen onderdeel uitmaken van het plangebied. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" zijn aan een deel van deze gronden de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" toegekend.

23.2. In de uitspraak van 10 september 2014 is naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 4] tegen de dubbelstemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" op de gronden ten noordoosten van het perceel [locatie 4] over de aanvaardbaarheid hiervan geoordeeld. In overweging 3.3 van de uitspraak van 10 september 2014 is uiteengezet op basis van welk bureau- en veldonderzoek de archeologische waarden zijn bepaald en de daarmee samenhangende dubbelbestemmingen zijn toegekend aan delen van het plangebied van het plan "Buitengebied Bernheze".

Voorts is in overweging 3.5 van die uitspraak het volgende overwogen:

"Voor het opnemen van een beschermingsregeling als neergelegd in de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels is niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vast staat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen. De raad heeft de aanwezigheid van die waarden gebaseerd op voormeld bureau- en veldonderzoek. Het laten verrichten van veldonderzoeken met betrekking tot het gehele buitengebied heeft de raad te verstrekkend kunnen achten in relatie tot de daarvan te verwachten resultaten. Gelet hierop heeft de raad (…) voldoende onderzoek gedaan naar de archeologische waarden in het plangebied teneinde op basis daarvan tot het toekennen van archeologische dubbelbestemmingen te kunnen overgaan."

Tot slot is in de overwegingen 135.3 en 135.5 van die uitspraak overwogen, voor zover thans van belang:

"Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 4] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Daarbij is van belang dat onder meer het Actueel Hoogtebestand Nederland is geraadpleegd teneinde te achterhalen of ontgrondingen hebben plaatsgevonden. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen."

"Behoudens (…) ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemmingen leiden tot een onevenredige belemmering."

23.3. De raad heeft bij de vaststelling van dit plan uitvoering gegeven aan de in de uitspraak van 10 september 2014 gegeven opdracht ten aanzien van de archeologische planregeling in het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze". De Afdeling stelt vast dat de raad met dit plan hieraan heeft voldaan. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad nader onderzoek had moeten doen naar de archeologische waarden van de de gronden ten noordoosten van het perceel [locatie 4] dan wel in redelijkheid aanleiding had moeten zien om een nieuw plan voor deze gronden vast te stellen teneinde de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" te verwijderen. Daarbij is, gelet op het hetgeen in de uitspraak van 10 september 2014 is overwogen, van belang dat [appellant sub 4] de verklaring van Van der Heijden over de ontgronding van de gronden ten noordoosten van het perceel [locatie 4] niet aan de raad heeft overgelegd, zodat de raad ten tijde van de vaststelling van dit plan niet op de hoogte was van dit stuk en dit derhalve niet aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen.

De Afdeling wijst er overigens op dat de raad ter zitting heeft medegedeeld dat met de door [appellant sub 4] overgelegde verklaring anderszins is aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de gronden ten noordoosten van het perceel [locatie 4], zodat gelet op de in artikel 19, lid 19.3, onder 19.3.3, sub d, en artikel 20, lid 20.3, onder 20.3.3, sub d, van de planregels toegevoegde uitzondering de door [appellant sub 4] bedoelde werken zonder omgevingsvergunning kunnen worden uitgevoerd. In zoverre kan niet worden ingezien dat, zoals [appellant sub 4] stelt, de archeologische dubbelbestemmingen onredelijk beperkend zijn voor zijn agrarische bedrijfsvoering.

Het betoog faalt.

24. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

25. [appellant sub 5], die op het perceel [locatie 5] te Heeswijk-Dinther woont, kan zich niet verenigen met de in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder d, van de planregels opgenomen mogelijkheid voor het oprichten van permanente palen, voor zover daarmee ter plaatse van de gronden ten zuidwesten van zijn perceel permanente teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van 4,5 m buiten het bouwvlak worden toegestaan.

In de uitspraak van 10 september 2014 heeft de Afdeling het plandeel met de bestemming "Agrarisch", zonder de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening", ten zuidwesten van het perceel [locatie 5] te Heeswijk-Dinther naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 5] wegens strijd met artikel 8.3, eerste lid, van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012) vernietigd. In de overwegingen 152.3 en 152.4 van die uitspraak is daartoe overwogen dat permanente palen ten behoeve van vraatnetten/hagelkappen of ter ondersteuning van bomen teeltondersteunende voorzieningen zijn als bedoeld in artikel 1, onder 1.85, van de planregels en geen tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. De gronden ten zuidwesten van het perceel [locatie 5] waren in dat plan niet voorzien van een bouwvlak of de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening". Nu artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder d, van de planregels het oprichten van permanente palen op deze gronden toestaat, is geoordeeld dat het plan in strijd is met artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012. Op grond van dat artikel zijn permanente voorzieningen uitsluitend binnen een bouwblok als bedoeld in de Verordening 2012 toegestaan.

In het voorliggende plan heeft de raad beoogd overeenkomstig de verleende vergunningen voor het realiseren van palen met ijzeren bogen teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 2 m op het perceel toe te staan.

26. [appellant sub 5] voert aan dat uit de uitspraak van 10 september 2014 volgt dat gelet op de Verordening 2012 geen permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan buiten een bouwvlak, zodat artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder d, uit de planregels had moeten worden geschrapt. De in dit plan opgenomen toevoegingen aan artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, sub f, en lid 3.2, onder 3.2.2, sub e, van de planregels zijn onvoldoende om de strijd met de Verordening 2012 op te heffen. Daarbij wijst hij erop dat deze toevoegingen alleen een regeling geven voor overige teeltondersteunende voorzieningen, maar niet voor het oprichten van permanente palen. Volgens [appellant sub 5] maakt dit plan buiten het bouwvlak nog steeds permanente palen tot 4,5 m ten behoeve van tijdelijke vraat- en hagelnetten en regenkappen mogelijk.

26.1. Aan de gronden ten zuidwesten van het perceel [locatie 5] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" toegekend. Aan de gronden is geen bouwvlak toegekend.

26.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub d, gelezen in samenhang met lid 3.2 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" geldt voor de op te richten bebouwing op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden dat permanente palen ten behoeve van vraatnetten/hagelkappen of ter ondersteuning van bomen tot 4,5 m hoog mogen worden opgericht buiten het bouwvlak.

Ingevolge het bepaalde onder 3.2.1, aanhef en sub f, gelezen in samenhang met lid 3.2 geldt voor de op te richten bebouwing op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden dat teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter en bestaande teeltondersteunende kassen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen".

Ingevolge het bepaalde onder 3.2.2, aanhef en de tabel onder e, geldt voor overige teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde teeltondersteunende kassen, een maximale bouwhoogte van 4,50 m.

26.3. Ingevolge artikel 3 van de regels van het voorliggende plan blijven de bestemmingsregels zoals bepaald in het bestemmingplan "Buitengebied Bernheze" van toepassing, met dien verstande dat:

A. Artikel 3 ("Agrarisch") als volgt wordt aangepast:

1. lid 3.2, onder 3.2.1, sub f, wordt aangevuld met de zinsnede: "en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2"."

1. lid 3.2, onder 3.2.2, sub e, wordt aangevuld met de zinsnede: "in afwijking van het bepaalde in de tabel ten aanzien van overige teeltondersteunende voorzieningen geldt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m."

26.4. De Afdeling stelt vast dat het plan nog steeds permanente teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van permanente palen ten behoeve van vraatnetten en hagelkappen of ter ondersteuning van bomen tot maximaal 4,5 m buiten het bouwvlak op de gronden ten zuidwesten van het perceel [locatie 5] toestaat. De aanvulling op artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, sub e, van de regels van het plan "Buitengebied Bernheze" bepaalt dat de bouwhoogte van overige teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" niet meer mag bedragen dan 2 m. Hoewel deze bepaling, ander dan [appellant sub 5] veronderstelt, betrekking heeft op alle permanente teeltondersteunende voorzieningen, waaronder permanente palen vallen, wordt hiermee, anders dan de raad meent, alleen afgeweken van de opgenomen bouwhoogte van 4,5 m voor overige teeltondersteunende voorzieningen in die bepaling. Met deze aanvulling is niet bepaald dat daarmee tevens wordt afgeweken van de toegestane bouwhoogte van 4,5 m voor permanente palen buiten het bouwvlak in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub d, van de regels van het plan "Buitengebied Bernheze". De Afdeling is derhalve van oordeel dat in de planregels niet duidelijk is welke bouwhoogte voor permanente teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van permanente palen op de gronden ten zuidwesten van het perceel [locatie 5] geldt.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad heeft beoogd om ter plaatse van de gronden ten zuidwesten van het perceel [locatie 5] overeenkomstig de verleende vergunningen permanente teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van permanente palen tot maximaal 2 m hoog toe te staan, maar ten onrechte geen overeenkomstige regeling in het plan heeft opgenomen. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Tevens is het besluit gelet op het voorgaande in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog slaagt.

27. [appellant sub 5] richt zich voorts tegen de plangrens. Hiertoe voert hij aan dat in het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank Oost-Brabant over de op 30 september 2013 verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen op diverse percelen in de nabijheid van de Kleine Bosweg, Poststraat en Liniedijk te Heeswijk-Dinther is opgenomen dat een inspanningsverplichting geldt om het differentiatievlak van het perceel kadastraal bekend gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, nr. 348 (hierna: perceel nr. 348), te verleggen naar het perceel kadastraal bekend gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, nr. 324 (hierna: perceel nr. 324). Op grond van een naar aanleiding daarvan gedaan voorstel van [appellant sub 5] is deze afspraak door het college van burgemeester en wethouders van Bernheze in een brief van 6 februari 2014 bevestigd en hierbij is aangegeven dat het voornemen bestaat om in het voorliggende plan de aanduiding specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" te verwijderen van het perceel nr. 348 en toe te kennen aan het perceel nr. 324. Ten onrechte maken deze percelen geen deel uit van het plangebied, zodat dit niet is gebeurd.

27.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan en om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Met het voorliggende bestemmingsplan heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" partieel herzien teneinde te voldoen aan de opdracht in de uitspraak van 10 september 2014. De keuze van de raad om in het voorliggende bestemmingsplan niet te voorzien in het concrete voorstel van [appellant sub 5] voor het verleggen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening", acht de Afdeling gelet op het doel van deze partiële herziening niet onredelijk. Daarbij is voorts van belang dat bij de vaststelling van het voorliggende plan, overeenkomstig hetgeen is overwogen in de uitspraak van 10 september 2014, afdeling 3.4 van de Awb niet is gevolgd. Terecht stelt de raad dat voor de door [appellant sub 5] gewenste herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen procedure volledig moet worden doorlopen. De Afdeling acht de uitleg van de raad dat in de brief van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze met het veegplan is gedoeld op een algehele herziening van het plan "Buitengebied Bernheze" hetgeen niet het voorliggende plan betreft, plausibel. [appellant sub 5] heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in het verleggen van de aanduiding specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" van het perceel nr. 348 naar het perceel nr. 324 zou voorzien.

Het betoog faalt.

28. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel voor zover niet is bepaald dat de maximale bouwhoogte van 4,5 m voor teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van permanente palen buiten het bouwvlak in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub d, van de regels van het plan "Buitengebied Bernheze" op het perceel ten zuidwesten van de [locatie 5] niet geldt. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

28.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub d, aan te passen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit, voor zover dat op dit punt is vernietigd. De Afdeling acht niet aannemelijk dat belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad. Daarbij betrekt de Afdeling dat [partij D], de eigenaar van het perceel ten zuidwesten van het perceel [locatie 5], en de raad ter zitting hebben aangegeven in te stemmen met het zelf voorzien door de Afdeling, indien het tot een vernietiging van het bestreden besluit mocht komen en het erover eens zijn dat met aanpassing van de tekst van artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub d, van de regels het gewenste resultaat kan worden bereikt.

29. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 6] en anderen

30. Het beroep van [appellant sub 6] en anderen is gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" op de percelen aan de Justitieweg, kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nrs. 46, 47, 990 en 1107 (hierna: percelen aan de Justitieweg).

In de uitspraak van 10 september 2014 heeft de Afdeling het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" op de percelen aan de Justitieweg, voor zover hieraan niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" is toegekend, naar aanleiding van het beroep [appellant sub 6] en anderen wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vernietigd. In overweging 59.4 van die uitspraak is daartoe overwogen dat bij besluit van 25 januari 2012 een omgevingsvergunning is verleend voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen met een maximale bouwhoogte van 2 m op de percelen aan de Justitieweg, waarvan niet in geschil is dat dit permanente teeltondersteunende voorzieningen als bedoeld in het plan zijn. Deze percelen zijn niet voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen", zodat de vergunde permanente teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan. De raad dient in beginsel de bestaande legale situatie, gelet op de rechtszekerheid, planologisch vast te leggen. Nu geen concreet zicht op verwijdering van de teeltondersteunende voorzieningen bestaat, zijn de bestaande vergunde teeltondersteunende voorzieningen op de percelen aan de Justitieweg ten onrechte niet als zodanig bestemd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening".

In het voorliggende plan heeft de raad de teeltondersteunende voorzieningen bestemd door aan de percelen aan de Justitieweg de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" toe te kennen en een bouwvlak op te nemen en in de planregels te bepalen dat ter plaatse van deze aanduiding teeltondersteunende voorzieningen tot 2 m zijn toegestaan. De raad heeft daarmee beoogd aan de opdracht in de uitspraak van 10 september 2014 te voldoen.

31. [appellant sub 6] en anderen betogen dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel slechts permanente teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van 2 m op zijn perceel zijn toegestaan, terwijl in de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" is bepaald dat ter plaatse van de gronden met een bouwvlak of de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" permanente teeltondersteunende voorzieningen tot 4,5 m zijn toegestaan, ook indien een omgevingsvergunning voor permanente teeltondersteunende voorzieningen met een lagere bouwhoogte is verleend. [appellant sub 6] en anderen wijzen voorts specifiek op de percelen Boterweg 1, Boterweg 2 en Vorstenbosseweg 4a te Heeswijk-Dinther. Ook voor deze percelen zijn in de artikelen 3 en 5 van de planregels permanente teeltondersteunende voorzieningen tot 4,5 m toegestaan, terwijl het perceel Boterweg 2 ook in de groenblauwe mantel ligt en ook bij de percelen Boterweg 1 en 2 sprake is van vergunde permanente teeltondersteunende voorzieningen tot 2 m.

31.1. Aan de percelen aan de Justitieweg zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" en de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" en "groenblauwe mantel" toegekend. Voorts is een bouwvlak opgenomen.

31.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.1, aanhef en sub e, gelezen in samenhang met lid 7.2 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" geldt voor de op te richten bebouwing op de voor "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" aangewezen gronden dat teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter en bestaande teeltondersteunende kassen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen".

Ingevolge het bepaalde onder 7.2.2, aanhef en de tabel onder e, geldt voor overige teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde teeltondersteunende kassen, een maximale bouwhoogte van 4,5 m.

31.3. Ingevolge artikel 3 van de regels van het voorliggende plan blijven de bestemmingsregels zoals bepaald in het bestemmingplan "Buitengebied Bernheze" van toepassing, met dien verstande dat:

C. Artikel 7 ("Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels") als volgt wordt aangepast:

1. lid 7.2, onder 7.2.1, sub e, wordt aangevuld met de zinsnede: "en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2"."

1. lid 7.2, onder 7.2.2, sub e, wordt aangevuld met de zinsnede: "in afwijking van het bepaalde in de tabel ten aanzien van overige teeltondersteunende voorzieningen geldt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m."

31.4. Over de door [appellant sub 6] en anderen gemaakte vergelijking met de toegestane bouwhoogte van de permanente teeltondersteunende voorzieningen op de percelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" en de percelen Boterweg 1, Boterweg 2 en Vorstenbosseweg 4a wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat de percelen aan de Justitieweg in de groenblauwe mantel liggen. Gelet daarop is een afwijkende hoogte voor de permanente teeltondersteunende voorzieningen overeenkomstig hetgeen is vergund in het plan opgenomen.

31.5. De percelen aan de Justitieweg zijn in de Verordening 2014 aangemerkt als groenblauwe mantel.

Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014 kan een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel binnen het bouwperceel voorzien in de bouw of de uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen tot ten hoogste 3 ha.

31.6. Vast staat dat in dit plan naast de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" tevens een bouwvlak aan de percelen aan de Justitieweg is toegekend. Het plan voorziet derhalve binnen het bouwvlak in permanente teeltondersteunende voorzieningen, hetgeen ingevolge artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014 in de groenblauwe mantel is toegestaan. Onder deze omstandigheden is niet is gebleken dat de Verordening 2014 in de weg staat aan het toestaan van permanente teeltondersteunende voorzieningen op de percelen aan de Justitieweg met een maximale bouwhoogte van 4,5 m. De omstandigheid dat de percelen in de groenblauwe mantel liggen, maakt derhalve niet dat de raad de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" niet aan het perceel had kunnen toekennen en was gehouden om wat betreft de toegestane bouwhoogte van de permanente teeltondersteunende voorzieningen bij de verleende omgevingsvergunning aan te sluiten. Nu de raad niet anderszins heeft kunnen aangeven waarom hij, ten opzichte van de algemene regeling in het plan voor permanente teeltondersteunende voorzieningen en specifiek ten aanzien van het eveneens in de groenblauwe mantel gelegen perceel Boterweg 2, door middel van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" een afwijkende bouwhoogte voor permanente teeltondersteunende voorzieningen op de percelen van [appellant sub 6] en anderen heeft opgenomen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 6] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Het betoog slaagt.

32. In hetgeen [appellant sub 6] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" voor de percelen aan de Justitieweg en het daarbij behorende artikel 3, lid C, van de planregels. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

32.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, die inhoudt dat tot aan de inwerkingtreding van voormeld nieuw plan de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" voor de percelen aan de Justitieweg te Heeswijk-Dinther, kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nrs. 46, 47, 990 en 1107 en artikel 3, lid C, van de planregels blijven gelden.

33. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Proceskosten en slotoverweging

34. De raad dient ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

35. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3A], thans zijn rechtsopvolger [appellant sub 3B], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] en anderen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bernheze van 28 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze 2012-1" wat betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf, ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" voor het perceel Vorstenbosseweg 9 te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 2]);

b. de gebiedsaanduiding "milieuzone - geurzone" voor het perceel [locatie 2] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 2]);

c. de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" aan het westelijke deel van de dier- en tuinweide ten oosten van het perceel [locatie 3] te Heeswijk-Dinther, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1 ([appellant sub 3]);

d. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" ten zuidwesten van het perceel [locatie 5] te Heeswijk-Dinther, voor zover niet is bepaald dat de maximale bouwhoogte van 4,5 m voor teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van permanente palen buiten het bouwvlak in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub d, van de regels van het plan "Buitengebied Bernheze" niet geldt ([appellant sub 5]);

e. de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" voor de percelen aan de Justitieweg te Heeswijk-Dinther, kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nrs. 46, 47, 990 en 1107 ([appellant sub 6] en anderen);

f. artikel 3, lid C, van de planregels ([appellant sub 6] en anderen);

III. bepaalt dat aan het westelijke deel van de dier- en tuinweide ten oosten van het perceel aan de [locatie 3], zoals is aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1, de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" wordt toegekend ([appellant sub 3]);

IV. bepaalt dat artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub d, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" als volgt wordt aangepast: "in afwijking van het bepaalde in 3.2, onder b, mogen permanente palen ten behoeve van vraatnetten/hagelkappen of ter ondersteuning van bomen tot 4,5 m hoog, behoudens ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2", en teeltondersteunende voorzieningen, anders dan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een tijdelijk karakter worden opgericht buiten het bouwvlak" ([appellant sub 5]);

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde plandelen onder II.c en II.d ([appellant sub 3] en [appellant sub 5]);

VI. draagt de raad van de gemeente Bernheze op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw plan vast te stellen voor zover het betreft de planonderdelen onder II.e en II.f ([appellant sub 6] en anderen);

VII. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening 2" voor de percelen aan de Justitieweg te Heeswijk-Dinther, kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nrs. 46, 47, 990 en 1107 en artikel 3, lid C, van de planregels blijven gelden ([appellant sub 6] en anderen);

VIII. bepaalt dat de onder VII getroffen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan als bedoeld onder VI voor de onder II.e en II.f vermelde planonderdelen ([appellant sub 6] en anderen);

IX. draagt de raad van de gemeente Bernheze op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen onder II.a, II.b en V worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl ([appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5]);

X. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] ongegrond;

XI. veroordeelt de raad van de gemeente Bernheze tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. voor [appellant sub 2] een bedrag van € 1.036,90 (zegge: duizendzesendertig euro en negentig cent), waarvan € 992,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. voor [appellant sub 3A], thans zijn rechtsopvolger [appellant sub 3B], een bedrag van € 40,90 (zegge: veertig euro en negentig cent);

c. voor [appellant sub 5] een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. voor [appellant sub 6] en anderen een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

XII. gelast dat de raad van de gemeente Bernheze aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. voor [appellant sub 2] een bedrag van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro);

b. voor [appellant sub 3A], thans zijn rechtsopvolger [appellant sub 3B], een bedrag van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro);

c. voor [appellant sub 5] een bedrag van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro);

d. voor [appellant sub 6] en anderen een bedrag van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.L. Schoor, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Schoor

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

758.