Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:1754

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
201508043/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2016/832
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508043/1/V6.

Datum uitspraak: 22 juni 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 september 2015 in zaak nr. 14/8418 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 30 juli 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 september 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I. Boon, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

3. De minister heeft het verzoek, dat dateert van 9 december 2013, afgewezen omdat niet is gebleken dat [appellante] sedert ten minste drie jaar voorafgaand aan het verzoek met haar [echtgenoot], die Nederlander is, samenwoonde.

4. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat [appellante] sinds 1997 gehuwd is met [echtgenoot] en dat evenmin in geschil is dat [appellante] in ieder geval vanaf 9 december 2010 tot op heden - dat wil zeggen de datum van de aangevallen uitspraak - woonachtig is in Paramaribo, Suriname. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de kern van het geschil de vraag betreft of [appellante] in de periode van 26 augustus 2013 tot 13 november 2013 aldaar samenwoonde met haar echtgenoot. Gebleken is dat [appellante] in die periode niet samen met haar echtgenoot op hetzelfde adres stond ingeschreven, nu zij stond ingeschreven in Paramaribo, terwijl haar echtgenoot in die periode was uitgeschreven uit het register van Paramaribo en op een adres in Diemen stond ingeschreven, aldus de rechtbank.

Tegen deze overweging is in hoger beroep niet opgekomen, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.

4.1. [appellante] klaagt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet met objectieve, verifieerbare stukken heeft aangetoond dat zij en haar echtgenoot in de drie jaar voorafgaand aan het besluit van 9 april 2014 onafgebroken hebben samengewoond.

[appellante] heeft ter staving van haar betoog dat zij in de in geschil zijnde periode feitelijk met haar echtgenoot in Paramaribo heeft samengewoond, in hoger beroep verklaringen overgelegd van zakelijke en persoonlijke relaties. [appellante] heeft voorts ter staving van haar stelling dat haar echtgenoot feitelijk in Paramaribo verbleef en zij met hem samenwoonde, gesteld dat hij de dagelijkse leiding voert over zijn Surinaamse onderneming. Ter staving daarvan heeft [appellante] een afschrift overgelegd van de jaarrekening over het jaar 2012 van deze onderneming.

De rechtbank heeft bij haar beoordeling betrokken dat [appellante] met de door haar in beroep overgelegde verklaringen van personen uit de Surinaamse samenleving, niet heeft aangetoond dat zij in de in geschil zijnde periode met haar echtgenoot in Suriname heeft samengewoond. In die verklaringen wordt immers geen specifieke periodisering gegeven en wordt de periode van 26 augustus 2013 tot 13 november 2013 in het geheel niet genoemd, aldus de rechtbank.

4.2. [appellante] heeft in hoger beroep stukken overgelegd ter staving van haar stelling dat zij in de in geschil zijnde periode met haar echtgenoot heeft samengewoond. Deze stukken dateren van na de aangevallen uitspraak.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7786, volgt uit de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap, dat de betrokken verzoeker de samenwoning reeds in de bestuurlijke fase - dat wil zeggen voordat op het bezwaar wordt beslist - dient aan te tonen.

Dat betekent dat de door [appellante] in hoger beroep overgelegde stukken niet bij de beoordeling van de juistheid van het besluit van 30 juli 2014 kunnen worden betrokken. Het overleggen van nieuwe gegevens in hoger beroep, maakt niet dat het besluit van 30 juli 2014, waarin het besluit van 9 april 2014 is gehandhaafd, op onjuiste gronden berust.

4.3. De stelling van [appellante] dat haar echtgenoot in Suriname directeur van een onderneming is en de dagelijkse leiding daarvan voert, bewijst op zichzelf genomen niet dat haar echtgenoot in de in geschil zijnde periode feitelijk in Suriname verbleef en met haar samenwoonde. De overgelegde jaarrekening over het jaar 2012 is na de bestuurlijke fase overgelegd, zodat deze niet bij de beoordeling van de juistheid van het besluit van 30 juli 2014 kan worden betrokken, nog daargelaten dat deze ziet op een periode voorafgaande aan de in geschil zijnde periode.

De enkele stelling van [appellante] dat de inschrijving van haar echtgenoot in Diemen is geschied met het oog op verkrijging van een zorgverzekering en dat dit motief erg mager is om een fysieke verhuizing voor de in geschil zijnde periode te verklaren, laat onverlet dat zij met die stelling niet heeft aangetoond dat zij in de in geschil zijnde periode met haar echtgenoot samenwoonde.

4.4. Het betoog van [appellante] faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Woestenburg-Bertels

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016

501.

BIJLAGE

Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN)

Artikel 7

1. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.

2. (…)

Artikel 8

1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker

a. (…);

b. (…);

c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;

d. (…)

e. (…).

2. Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die (…) hetzij tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander (…).

3. (…).

Handleiding voor de toepassing van de RWN

Toelichting ad artikel 8, tweede lid,

paragraaf 1.2

Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander

Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (…) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. (…)

De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de GBA (thans: BRP). Indien de samenwoning niet afdoende blijkt uit de GBA, dient de verzoeker de samenwoning te bewijzen door middel van andere bewijsstukken. Samenwoning tijdens het huwelijk buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. (…)